School: PWS

‘De Duitse soldaat vroeg of hij samen met mij bij de piano mocht zingen’

Jente, Fay en Lola worden hartelijk ontvangen door Griet Talsma-Calsbeek en haar man Ferdinand. Ze weten allebei nog veel van de oorlog en hoewel Griet de meeste vragen beantwoordt, vult Ferdinand haar soms aan. Ze waren elf en twaalf jaar toen de oorlog begon en zaten bij elkaar op school in Lekkum.

Hoe merkte u dat het oorlog was?
‘We zagen de Duitse soldaten over de Groningerstraatweg naar Leeuwarden rijden. We konden vanuit ons huis aan de Lekkumerweg heel goed zien hoe de Duitse troepen naar de stad trokken. Het was heel dichtbij allemaal. Ik vond het eigenlijk wel spannend. Ik dacht: oorlog, oorlog! Hoewel ik geen idee wat oorlog precies inhield. Maar ik voelde wel dat er wel wat ging gebeuren. Ik herinner me dat we een schuilhokje naast ons huis hadden en op de slaapkamer een geheime verstopplek. Dat was nodig, want de Duitsers kwamen bij de huizen langs om mannen van een bepaalde leeftijd op te sporen die in Duitsland moesten werken. Zij konden zich dan verstoppen.’

Was u bang voor de Duitse soldaten?
‘Er waren hier in het dorp een hele hoop soldaten. Ze waren niet allemaal oorlogszuchtig, maar er waren er wel bij waar je echt voor moest oppassen. Ze hadden bij de Bonke een muur gebouwd, vlakbij ons huis. We noemde die de ‘Mauer-Muur’. Daar controleerden de soldaten of je iets meesmokkelde. Als dat zo was, liep je kans dat je opgepakt werd. Soms ging ik met mijn zus op de fiets (met van die houten banden die erg rammelden) melk halen bij een boer in Wyns of soms in Birdaard, en als we met volle flessen in onze fietstassen terugkwamen, was het heel spannend of we gecontroleerd werden. Er was ook een goede soldaat bij die soms bij ons thuis kwam. Hij kon heel mooi zingen en vroeg een keer of hij samen met mij bij de piano mocht zingen. Ik vond het wel een beetje spannend, maar heb het toch gedaan. En inderdaad, hij kon heel mooi zingen. Niet alle Duitsers waren dus fout.’

Heeft u honger gehad in de oorlog?
‘Wij waren in de oorlog bevoorrecht, want mijn ouders en mijn ouders hadden een kwekerij. Dus wij hadden altijd wel groenten en fruit. Hongersnood hebben we niet gehad. Vaak kwamen er mensen uit de stad langs om groente bij ons te kopen. Er was ook een man die onze moeder altijd vroeg of ze iets te breien had. Nou, wij waren met vijf kinderen, dus dat kwam goed uit. Er werd voor mij een vest gebreid en voor mijn zus ook, en nog wel veel meer. Pas na de oorlog kwamen we er achter dat de kleding gebreid was door een Joodse vrouw, die ondergedoken zat. Gelukkig heeft deze vrouw de oorlog wel overleefd, hoorden we later. We denken nog altijd vaak aan de oorlog. De Duitsers hebben zulke verschrikkelijke dingen bedacht om de Joden uit te roeien, dat is nog steeds niet te bevatten. We hebben altijd met Dodenherdenking de vlag halfstok en op Bevrijdingsdag de vlag omhoog. Het is een hele nare tijd geweest. Het gaat nooit uit je gedachten.’

    

School: PWS

‘De volgende ochtend op weg naar school zagen we dat de slagerij was afgebrand’

Als Naomi, Benjamin en Jorrit binnen komen, worden ze hartelijk ontvangen door mevrouw Renske Talma (86 jaar). Er staat een pakje drinken, koek, snoep en chocola voor ze klaar (‘wel pakken hoor!’). Mevrouw Talma vindt het niet moeilijk om over de oorlog te praten en ze weet zich sommige dingen nog heel goed te herinneren.

Wat kunt u zich herinneren van uw schooltijd?
‘Ik was nog jong toen de oorlog begon, dus dan krijg je er niet zoveel van mee. Maar ik weet de dag dat het begon nog goed: op 10 mei was mijn zusje jarig, ze werd tien jaar. In de ochtend wisten we nog niet dat de oorlog begon, want we hadden geen radio. Ik zat op school in Birdaard, een heel eind lopen van ons huis in Jilsum. Onze klasgenoten wisten die dag ook niet dat er oorlog was. Ik ben goed door de schooltijd heen gekomen. Ik herinner me dat we in de laatste jaren van de oorlog op school geen papier meer hadden, alles was op. We begonnen altijd met bidden, daarna gingen we zingen, lezen, schrijven of handwerken en soms wel eens een opstel maken. Ik liep altijd samen met mijn beste vriendin naar school, zij woonde net als ik in Jislum, en we moesten drie kilometer lopen naar Birdaard. Tussen de middag moesten we snel naar huis lopen, dan had moeder het eten klaar en daarna weer terug naar school. We woonden op de laatste boerderij, onze meester kon ons vanuit het raam aan zien komen. ‘Jullie hebben niet hard gelopen,’ zei hij soms. Ik vond het prachtig op school en was blij als de vakantie weer om was. Thuis gingen we namelijk nooit ergens naartoe in de vakanties.’

Had u genoeg eten en kleding in de oorlog?
‘Ik had zeven broertjes en zusjes en we droegen elkaars kleren. Alles was van schapenwol, eerst gewoon wit, later verfde moeder de wol blauw (dat was waarschijnlijk de enige kleur die ze had, want het werd altijd blauw). In de kerk zat er een keer een man achter ons, die zei: ‘ha lytse skjipkes.’ Dat vergeet ik nooit weer, daar heb ik het nog wel eens over met mijn zus. We leden gelukkig geen honger, want we hadden aardappelen en kool in de tuin. Ook werd er soms een varken of een schaap geslacht en dan hadden we vlees. Dit mocht eigenlijk niet, maar we deden het stiekem en deelden het vlees met anderen.’

Was u bang tijdens de oorlog?
‘We zaten een keer in de kerk toen er een inval plaatsvond: iedereen die ‘de leeftijd had’ moest naar buiten. Onze dominee, een politieman en een jongen van achttien werden opgepakt en we hebben ze nooit meer teruggezien. De vrouw van de politie is ‘het toen in t hoofd geslagen’. Ze kon het niet aan, haar zoon was ook opgepakt. Gelukkig kwam die later weer terug. Thuis waren we met zijn tienen en toen mijn zus in 1944 overleed, hadden we plek om iemand op te vangen. Er kwam toen een meisje van drie jaar bij ons wonen. Zo jong en dan al bij haar moeder weg. Ze kwam uit Huizen en was heel bang dat ze weer terug moest. Ik herinner me ook dat de familie Lijstra van de slagerij in het verzet zat. Toen er een Duitser werd doodgemaakt, ging de slager ervandoor. De volgende ochtend, toen we naar school gingen, zagen we dat de slagerij was afgebrand. Zijn dochter heeft nog een tijd ondergedoken gezeten, vertelde ze me later.’

 

 

School: PWS

‘Ineens leek het of we het Wilhelmus hoorden’

Het is een spannende ochtend voor Edith, Silke en Elise. Op de fiets naar Leeuwarden, onderweg naar mevrouw Van Dijk, de oma van juf Amber. ‘Dag dames, leuk dat jullie er zijn’, zegt mevrouw Van Dijk bij binnenkomst. Eerst een glas limonade en iets lekkers voordat het interview kan beginnen.

Vindt u het moeilijk om over de oorlog te praten?
‘Ik vind het niet moeilijk om erover te praten. Er was wel veel spanning, maar wij hadden het nog best goed. We sliepen in de bedstee. Op een dag kwam mijn vader om te vertellen dat er een meisje bleef slapen. Dat meisje zou wel geheime stukken hebben rondgebracht. Ik kende haar niet en toch kwam ze gewoon bij mij slapen. We hadden geen logeerbed ofzo. Ze zou wel in het verzet gezeten hebben. Ik was 14 in de oorlog en moest eigenlijk naar een andere school, maar dat wilde ik niet. ‘Al gooien ze bommen op mij, dat wil ik niet’, zei ik tegen mijn moeder. Dus toen ben ik kindermeisje geworden. Het jongetje waar ik op paste was Joods. Hij was 3 jaar. Eerst ging ik wel met hem wandelen. Maar in de winter kon hij niet meer in de kinderwagen. Later kon ik niet meer met hem wandelen.’

Had u ook onderduikers in huis?
‘Mijn broer moest werken in Duitsland, als kapper, want dat was zijn vak. Hij is naar Duisburg gestuurd, dat is vlak over de grens in het Rührgebied. In fabrieken werden veel bommen gemaakt. Die fabrieken werden vaak ‘s nachts door de Engelsen gebombardeerd. Hij vond het daar zo naar dat hij tijdens een verlofperiode niet meer terug wilde. ‘Ik ga onderduiken’, zei hij. Mijn broer heeft eerst bij een boer gezeten, maar toen dat niet meer kon kwam hij thuis. Hij mocht nooit naar buiten. Alleen als het donker was ging hij wel eens naar de overkant. We hadden geen licht of elektriciteit, alleen wat kaarslicht, heel sober. Op een avond werd er aangebeld. Niemand wist wie dat kon zijn. Het waren ‘foute’ mensen, op zoek naar onderduikers. Mijn broer was toen net niet thuis, hij was even naar de overkant. Gelukkig precies op het goede moment. Anders was hij meegenomen.’


Ziet u nog beelden voor u van de oorlog?

‘Ik weet nog dat er een dode soldaat op de hoek van de straat lag. Ik ben zo over hem heen gestapt. Verder heb ik van de oorlog zelf weinig beelden, maar wel van toen we net bevrijd waren. We woonden in Groningen en zijn op zondag bevrijd. Er was veel gevochten en veel lag plat door bombardementen. Dat weet ik nog wel. We zaten aardappelen met boontjes te eten, met een stukje vlees van de geit. Ineens leek het of we het Wilhelmus hoorden. We zijn toen op het geluid af gegaan. Ik weet nog goed dat we onderweg een foto van Hitler tegen kwamen, die heb ik toen kapot getrapt. Ik haat Hitler.’

School: PWS

‘Veel van onze Joodse vrienden zijn niet meer teruggekomen’

Fette de Jong ontvangt bij haar thuis Elisabeth, Wytske en Jillis van basisschool PWS in Lekkum. Aan de kinderen vertelt ze over haar jeugd in Leeuwarden, tijdens de oorlog. Ze vindt het belangrijk om haar verhaal te vertellen, vooral nu er weer zoveel nieuws is rond oorlogsvluchtelingen. ‘Niemand verlaat zijn huis en familie voor niks’, zegt ze. ‘Mensen, denk toch na voor je commentaar levert op de vluchtelingen. Je zou het zelf eens moeten beleven.’

Hoe begon voor u de oorlog?
‘Ik was 10 jaar toen de oorlog begon en ik woonde aan de Spanjaardslaan in Leeuwarden. We hadden vijf zusjes thuis. Ik had veel vriendinnetjes met wie ik vaak in de Joodse buurt speelden. Onze Joodse vriendjes mochten niet bij ons binnen spelen en dus gingen we stiekem bij hen spelen. Na 8 uur ‘s avonds mocht je eigenlijk niet meer op straat, maar wij kwamen dan vaak net terug van onze vriendjes. Als je Duitsers tegenkwam, schoten ze zo de straat in, dat was heel eng. Veel van onze Joodse vrienden zijn niet meer teruggekomen.’

Hoe kwamen jullie aan eten?
‘We kregen voedselbonnen, maar dat was niet veel. Mijn moeder kwam uit een schippersgezin. Zij moesten voedsel vervoeren voor de Duitsers en als ze daar wat van konden stelen, aten wij het op. Mijn vader werkte bij de CAF, die nam tarwe en graan mee. Hij had een plat, metalen bakje gemaakt dat paste onder zijn kleren en daar verstopte hij graan in. Thuis maalden wij het in de koffiemolen en zo konden we dan een brood bakken. Soms had mijn moeder aardappels. De pan met aardappels mochten we naar de bakker in de straat brengen, die de pan in de broodoven stopte…Dat ging snel. Met de slee brachten we hem weer naar huis. Heerlijke knapperige aardappels had je dan. Mijn moeder ging ook melk halen bij de boeren buiten de stad. De Duitsers pikten de helft weer af als de moeders de poort bij Boksum en Deinum moesten passeren.’

Hadden jullie ook onderduikers in huis?
‘Wij hadden een neef uit Amsterdam die bij ons was ondergedoken. Als er dan controle kwam, stonden de Duitsers voor de deur te roppen en razen: ‘Opendoen!’ Mijn neef kroop dan snel uit het raam en vluchtte de tuin in. Mijn zusje ging vervolgens in zijn bed liggen, want anders voelden de Duitsers een warm bed en wisten ze dat er iemand weg was. Het was erg spannend dat ze gewoon je huis binnen kwamen. De Joodse familie die tegenover mij woonde, is opgepakt. Een oom van de familie was heel erg doof, dus die kon niet onderduiken omdat hij het gevaar niet kon horen. Wij hebben toen hun waardevolle spullen in huis verstopt in het alkoof en na de oorlog kwam een zoon het bij ons ophalen.’

Hoe was de bevrijding?
‘De Duitsers kwamen met een schitterend leger binnen, maar gingen met paard en wagens weg. De bevrijding vergeet ik nooit weer! Daar kwam een buurman op de fiets aanrijden die riep: ‘Ze komen er aan, ze komen eraan… Ga maar naar de weg want ze komen er aan!’ Feest was het. Daar kwamen de Canadezen! Bij mijn Beppe belden zelfs drie achterneven van mij aan. Zij waren kinderen van geëmigreerde Friezen. We kregen een stukje chocola, tjongejonge dat was heerlijk!’

 

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

Christine: +31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892