Erfgoeddrager: Tommy

‘In 1958 zijn we met de allerlaatste boot uit Indonesië vertrokken’

Adriane, Ruben, Eira en Tommy stappen het sfeervolle jarendertig-huis van Henk van Gijn binnen. De leerlingen van Het Karregat in Eindhoven begroeten hem hartelijk, en hij straalt meteen: hij vindt het prachtig om met de jonge journalisten in gesprek te gaan. Hij heeft dan ook veel te vertellen.

Reizen spelen een grote rol in zijn leven, van zijn geboorte in Surabaya (Indonesië) in 1950, tot zijn aankomst in Nederland, en later de emigratie naar Iran. Indrukwekkend is het ook wanneer hij het boek laat zien dat hij maakte over zijn bijzondere reis als kind: een lange tocht met de auto, samen met zijn ouders, helemaal van Iran terug naar Nederland.

Hoe was uw jeugd in Indonesië?
‘Ik ben geboren in Surabaya, op het eiland Java in Indonesië. Mijn vader bouwde daar een school voor beroepsonderwijs en hij stond het liefst zelf voor de klas. Ik was nog maar vier jaar oud, maar hij gebruikte mij al als leerling. In de jaren daarna werd het leven in Indonesië voor mensen met een Chinese of Europese achtergrond gevaarlijk.

In 1958 zijn we met de allerlaatste boot uit Indonesië vertrokken. We kwamen in Rotterdam aan, waar het Rode Kruis ons opving. We kregen als welkomstgeschenk een doosje met kleine cadeautjes. Het meest bijzondere vond ik een kwartetspel van Verkade. Mijn vader kon in Nederland geen werk vinden en kreeg uiteindelijk een baan in Iran. En zo emigreerden we opnieuw.’

Hoe verliep uw leven verder in Iran?
‘We kwamen in Zuid-Iran (Perzië) terecht. Daar woonde ik tot mijn twaalfde. Het klimaat was totaal anders dan in Indonesië. In Indonesië was het altijd warm en vochtig, maar in Iran was het warm en droog, soms wel 50 graden. Regen viel maar één dag per jaar. En dan gebeurde er iets heel bijzonders: twee dagen later stond de hele woestijn vol met kleine bloemetjes.

We maakten ook een lange autoreis van 600 kilometer door alleen maar zand, totdat we bij de bergen kwamen waar het iets koeler was.’

Hoe ging het op school?
‘Ik heb op heel veel scholen gezeten, wel zeven basisscholen in totaal. In Iran zat ik op een internationale school. Van Amerikaanse kinderen leerde ik basketballen en honkbal. Van de Engelse school kregen we Engelse les, en zelfs Schotse volksdans.

Ik ontdekte dat elk land, en soms zelfs elk dorp, zijn eigen ongeschreven regels heeft. Dat is wat cultuur voor mij betekent: dingen die iedereen blijkbaar weet, maar niemand opschrijft. In Nederland zeg je bijvoorbeeld ‘je’, maar in België moet je vaak ‘u’ zeggen, zelfs tegen kinderen. Die verschillen vind ik heel mooi, maar soms ook moeilijk. Je weet niet altijd wat ‘normaal’ is.’

Hoe zijn jullie van Iran naar Nederland gekomen?
‘We zijn met de auto vanuit Iran naar Nederland gereisd, een tocht van zes weken. We kwamen door heel veel verschillende landen: Irak, Jordanië, Syrië, Libanon, Turkije, Griekenland, Joegoslavië, Italië, Zwitserland, Frankrijk, Luxemburg, België en uiteindelijk Nederland. Overal waren grenzen, wachtrijen en controles. Pas veel later, toen ik volwassen was, begreep ik waarom het zo waardevol is dat we in Europa vrij kunnen reizen.

Voor mijn werk reisde ik later opnieuw veel: Hongarije, de VS, Denemarken, Duitsland, België, Oekraïne. In Hongarije verbaasde ik me hoe gezellig mensen uit eten gingen met muziek erbij. In de Verenigde Staten merkte ik dat mensen bang zijn om hun baan te verliezen. Zelfs tegen de politie moesten ze in heel voorzichtige, bijna ‘voorgeprogrammeerde’ zinnen praten. Dat vond ik indrukwekkend en benauwend tegelijk.’

Hoe was het om in Nederland te wennen?
‘Ik was twaalf en een half toen we naar Nederland gingen. Ik zat nog maar zes weken in groep acht en ik kreeg extra Nederlandse les om de taal beter te leren. In Nederland moest ik wennen aan nog iets nieuws: ‘de kleding-cultuur’. Ik droeg een korte broek, omdat dat volgens mijn moeder in 1949 in Nederland heel normaal was. Maar dat was het in 1962, toen wij opnieuw in Nederland kwamen, allang niet meer zo. Op school werd ik uitgelachen. Pas toen mijn moeder met de buren praatte, ontdekte ze dat de gewoontes waren veranderd. Dat leerde mij iets belangrijks: zelfs binnen één land verandert cultuur voortdurend.’

Erfgoeddrager: Tommy

‘De gevangenen zaten in een grote koffieloods met een gracht er omheen, waarin ook krokodillen zaten’

In een spreekkamer van basisschool Wereldwijs maken Tommy, Kayla en Chloe het eerst nog even wat gezelliger. Het interview met André Antonius op en kan beginnen. Meneer Antonius  (1938) groeide op met zijn moeder en twee nichten in Paramaribo, de hoofdstad van Suriname. Suriname was in die tijd nog altijd een Kolonie van Nederland.’

 Wat voor herinneringen heeft u aan de oorlogstijd?
‘Ik was 5 jaar en als de sirenes afgingen moest ik schuilen in een schuilkelder onder de school, zodoende wist ik dat het oorlog was. Ik was nog wel klein en ik wist niet veel. Maar wat ik wel merkte was dat de producten die uit Nederland kwamen, zoals haring, boter, kaas, appels, peren er ineens niet meer waren. Dus at ik meer producten die gewoon in Suriname verbouwd werden zoals cassavebrood, jam van Surinaamse vruchten en pindakaas.
’s Avonds vanaf zeven uur moest alles pikkedonker zijn. Tot ’s morgens zeven uur. Ik weet nog goed dat het dan heel donker was. Ik hield van lezen, maar ineens mocht ik niet meer lezen. Want kaarsen aan mocht ook niet. We gingen dan gewoon vroeg naar bed.’

Waren er ook bombardementen?
‘In Suriname is veel bauxiet, dat is een mineraal uit de grond waar je aluminium van maakt. De Amerikanen gebruikten dat om vliegtuigen van te maken. Dat wilden de Duitse bezetters niet, dus die schepen die bauxiet vervoerden werden getorpedeerd door de Duitsers. Ook de fabriek werd gebombardeerd. Om dat te voorkomen waren er veel Amerikanen in Suriname.’

Later toen ik ouder was hebben ze me verteld dat er voor de oorlog een Duits koopvaardijschip in de haven lag. Dat schip heette de Goslar. Na de Duitse aanval op Nederland in 1940 kreeg de gouverneur van Suriname het bevel alle Duitsers te interneren. De Duitse kapitein moest het schip te verlaten, zei iets vergeten te hebben en ging weer terug aan boord. Hij heeft toen stiekem de luiken aan de onderkant van het schip opengezet, zodat het schip zonk. Zo blokkeerde het in een nauwe bocht de Surinamerivier. Dit gebeurde op 10 mei. De kapitein hoopte dat door zijn actie geen schepen meer langs konden varen om bauxiet te vervoeren naar Amerika. Dat schip dat ligt er nu nog steeds.’

Wat kunt u over plantage Katwijk vertellen?
‘Er waren altijd mensen die toch de straat op gingen en foute dingen deden; mensen beroven, stelen in winkels, of andere kwalijke dingen. Amerika heeft toen soldaten gestuurd om die mensen op te pakken en in een gevangenis te zetten. Ze belandden in Plantage Katwijk; een interneringskamp. Daar zaten voornamelijk Surinamers.’

Hoe was het leven op Katwijk voor hun?
‘Mijn oom Julius Stuger was directeur van plantage Katwijk. In de weekenden ging ik daar wel vaak heen. De gevangenen zaten in een grote koffieloods met een gracht er omheen, waarin ook krokodillen zaten, zodat ze niet zouden wegvluchten. Soms riepen die mensen me en zeiden: ‘kom eens jongen, ga iets voor me kopen in de winkel.’ Dan geven ze me geld om sigaretten te kopen. Ik was best ondeugend vroeger en deed dat dan gewoon. Ik had ook wel medelijden met die mensen, ze deden de hele dag niks. Maar mijn oom werd dan heel boos en dan kreeg ik een pak slaag.
Er waren voor de oorlog best veel Duitse mensen in Suriname. Die werkten als onderwijzer, verpleegkundige of predikant. Die werden aan het begin van de oorlog ook allemaal opgesloten in een kamp aan de Copieweg.
‘Er zat ook een groep Joodse mensen in Suriname. In 1942 kwamen ze met een boot aan in Paramaribo. Ze waren gevlucht voor de oorlog uit Nederland.  Het was een groep van ongeveer honderdenvijftig Joodse vluchtelingen. Op de gesloten begraafplaats Jacobus Rust werden een aantal eenvoudige huizen voor deze mensen gebouwd. Wij hadden geen contact met ze, want ze woonden apart. Ze hadden een eigen lagere  en middelbare school.’

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Erfgoeddrager: Tommy

‘Ik riep: “Een vliegtuig gooit paaseieren naar beneden!”’

Minke, Ninne, Niels en Tommy kennen het Stadswandelpark. Ze gaan daar wel eens picknicken met de klas, groep 8 op basisschool De Hasselbraam in Eindhoven. Miep Kersemakers woonde daar vlakbij aan de Stratumsedijk. Ze was acht jaar toen de oorlog begon en woonde schuin tegenover de Edah. Dat daar Joodse onderduikers zaten, wist ze niet. Op een dag werden zij opgepakt en Miep zag hoe de Duitsers hen onder schot hielden. Ze kwamen niet meer terug en er werd ook nooit meer over gepraat.

Kende u mensen die in het verzet zaten?
‘Ja, maar niet tijdens de oorlog. Ik was een kind; het was te gevaarlijk toen om te weten. Later hoorde ik dat mijn vader, die adjunct-directeur was van sigarenfabriek Karel I, benaderd was door iemand van het verzet. Ze vroegen hem sigaren te leveren om Duitsers mee om te kopen. Met die sigaren konden ze iets terug eisen bij razzia’s onder verzetsmensen. Daardoor kwamen ze bijvoorbeeld te weten wanneer de volgende razzia was. Zo zijn verschillende mensen uit de ondergrondse gered.’

Wat is uw ergste herinnering aan die tijd?
‘Mensen gingen naar kamp Vught om te kijken of er nog iemand gered kon worden. Mijn vader ging ook een keer kijken of er mensen uit de fabriek waren. Een keer was ik samen met mijn vader in de buurt en zijn we er naartoe gereden. Dat beeld van die magere mensen, waar niks vanuit straalde, vergeet ik nooit meer. Ze sloften en sloften en keken je nauwelijks aan. Ook wat er bij ons in de voortuin gebeurde, vergeet ik nooit meer. Ik zag een gewapende Duitse soldaat met achter zich vier Joodse mensen, allemaal met een gele ster op. Al die jaren zaten ze zonder dat we dat wisten daar ondergedoken. Ze werden in het geheim geholpen door de mensen van de Edah. We hebben ze nooit meer gezien.’

Heeft u ook een bombardement meegemaakt?
‘Ja, die van op 6 december 1942. Ik had met mijn vriendinnetje van de Le Sage ten Broeklaan afgesproken om te kijken wat Sinterklaas had gegeven. Opeens hoorde ik een heleboel vliegtuigen. Ik keek omhoog en zag allemaal paaseieren naar beneden komen. Bommen kende ik niet. Ik begreep wel dat er iets niet klopte en ben terug naar huis gerend. ‘Een vliegtuig gooit paaseieren naar beneden!’ riep ik. Binnen tien minuten hadden we het huis vol met mensen die allemaal uit de stad gevlucht waren. Ik herinner me die dag nog heel goed. We aten zuurkool toen en dat vond ik verschrikkelijk. Gelukkig aten die mensen toen mijn portie. Dat was toch een lichtpuntje.’

Wat weet nu van de Bevrijding?
‘De eerste tanks met Engelse militairen stopten vlak voor ons huis. Alle mensen liepen naar de bevrijders toe. Het was een gekkenhuis. Er was veel te veel oponthoud, bij Nijmegen stagneerde het. Iedereen moest toen weg en de stoet stopte op de Stratumsedijk. Daarom konden wij wel veel zien. Middenin de nacht werden we gewaarschuwd dat we weg moesten. Er kwam een mitrailleur recht voor ons huis staan. Die ging de Heezerweg op, een andere de Aalsterweg. We zijn toen naar een bevriende boer in Aalst gegaan. Door beschietingen en het bombardement toen waren de ramen van ons huis kapot. We zijn drie maanden bij de boer gebleven, tot de scholen weer begonnen. Dat stukje oorlog was voor ons best fijn.’

 

           

Erfgoeddrager: Tommy

‘Voor mijn ouders was de oorlog voorbij, ze waren weer bij elkaar’

Adel, Yahia en Tommy van de IJpleinschool in Noord hebben eerst wat uitleg nodig over hoe het zit met Christian Meyer en de oorlog. Hij legt uit dat hij een nakomertje is en het verhaal vertelt van zijn ouders en zijn grote broers die wel de oorlog hebben meegemaakt. Zijn moeder Corrie was de dochter van Jacques Kattenburg, de oprichter van de regenjassenfabriek Hollandia Kattenburg in Amsterdam-Noord.


Hoe gevaarlijk was het om een fabriek te hebben in de oorlog?

‘Omdat mijn moeder Joods was net als haar ouders, was het best gevaarlijk om een grote fabriek te hebben. De Duitsers hadden de fabriek nodig. Ze wilden dat de werknemers, die vaak ook Joods waren, Duitse uniformen maakten. Zo werd iedereen beloofd dat ze niet zouden worden opgepakt. Maar op 11 november 1942 werden de Joodse medewerkers toch opgepakt, en op transport gestuurd naar zogenoemde werkkampen. Er zijn maar weinigen die de kampen hebben overleefd.’

Hoe is het afgelopen met uw broers en ouders?
‘Omdat mijn vader Deens was, moesten ze naar Denemarken, dat indertijd ook bezet was door de Duitsers. Toen mijn ouders in Denemarken waren met mijn broers die toen nog heel klein waren, probeerden ze te vluchten naar Zweden. Dat mislukte en ze werden opgepakt. In de trein naar Duitsland werden de mannen gescheiden van de vrouwen en kinderen. Mijn moeder werd naar Ravensbrück gebracht en mijn vader moest naar Sachsenhausen. Die scheiding was heel moeilijk voor mijn ouders, met name voor mijn moeder. Ze hebben geluk gehad! Na een poosje werd zowel mijn vader als mijn moeder met de kleintjes opnieuw op transport gezet naar kamp Theresienstadt. Daar vonden ze elkaar weer. Voor mijn ouders was toen de oorlog voorbij, ze waren weer bij elkaar.’

Hoe was het voor de kinderen om in een kamp te zitten?
‘De kinderen, mijn broers, waren toen nog heel klein en snapten gelukkig niet waar ze waren beland. Ze hebben natuurlijk wel een hoop ellende gezien. Ze hadden niet genoeg te eten en konden niet naar school. Mijn ouders hebben de jongens les gegeven. Mijn moeder maakte tekeningen waar ze de betekenis onder zette. Zo konden ze toch een beetje normaal leven. In Theresienstadt hadden ze geluk. Daar kreeg mijn familie zelfs een eigen kamer. Andere mensen hebben veel minder geluk gehad.’

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

Christine: +31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892