Erfgoeddrager: Sander

‘Als je tegensprak, kreeg je klappen’

Roos, Rosa, Sander en Izeja van het VOX College in Amsterdam-Noord hebben veel zin in het interview met Pauline Pauw. Ze woont op de elfde etage van een grote flat. Ze woont nog zelfstandig terwijl ze al 91 jaar oud is. De kinderen weten dat ze een beetje doof is en dat er dus luid en duidelijk moet worden gepraat. Dat is best lastig, maar geduldig herhalen ze hun vragen. Mevrouw Pauw wijst in de atlas aan dat ze op Sumatra is geboren. Ze is half Chinees en daarom hoefde ze tijdens de Japanse bezetting van Indonesië, in 1942, niet een kamp in.

Hoe was het leven in de oorlog?
‘In de oorlog was er niet veel eten, we hadden bonnen om voedsel te kopen. Daar kochten we dan wat rijst van. Maar er was nooit veel. Daarom werd er ook gesmokkeld. Sommige vrouwen stopten het smokkelwaar in een slendang, een draagdoek voor je baby. Op een ochtend liep een jonge moeder met haar baby in een slendang. Maar een Japanse militair vertrouwde het niet en stak met zijn bajonet zo door die slendang heen. Het bloed spoot eruit want er zat een kind in. Dat was het eerste vergrijp dat ik me herinner.’

Was u vaak bang in de oorlog?
‘In 1942 brak de oorlog uit. Ik was toen 14 jaar, net zo oud als jullie. Natuurlijk was ik bang want bevelen moesten worden opgevolgd. En als je tegensprak, kreeg je zo klappen in je gezicht. De vader van mijn vriendin, die hartstikke doof was, ging eens naar de markt om boodschappen te doen. Hij liep langs een post, dichtbij waar wij woonden. Een Japanse soldaat sprak hem aan maar dat hoorde hij natuurlijk niet. Toen kreeg hij plots van links en rechts klappen in zijn gezicht. Hij was heel verbaasd want hij dacht dat hij niets fout had gedaan. Thuis vertelde hij wat er was gebeurd. Vanaf dat moment wist iedereen: als je een post passeert, stap dan af, maak een diepe buiging en doe wat er wordt gevraagd. Als meisje durfde ik niet de straat op te gaan. Dan liep je de kans om concubine of troostmeisje te worden voor de Japanse soldaten. Dat dit gebeurde, was algemeen bekend. Je zag ook geen meisjes op straat. Om mij hiertegen te beschermen, heeft mijn vader mij ingeschreven bij een maatschappij waar ik vlas moest spinnen op een spinnenwiel. Daar maakten ze touw van voor de scheepvaart.

Hoe verliep de oorlog verder?
‘Er was een hoop muiterij. Op een dag ging mijn vader op de fiets kijken wat er aan de hand was in de winkelstraat verderop. Alles was overhoop gehaald. Mijn vader waarschuwde iedereen die hij tegenkwam: ga daar niet heen, het is gevaarlijk. Maar de Japanners hebben er toch nog drie mensen gedood. Onschuldige mensen die gewoon kwamen kijken. En hun hoofden hebben ze op een bankje voor die winkel gelegd. Als waarschuwing aan de bevolking. Mijn moeder hoorde via-via dat de eigenaar van lunchbar Tip Top was opgepakt. Waarom weet ik niet, misschien heulde hij wel met de vijand. Iedereen hoopte dat ie weer werd vrijgelaten. Dat werd hij ook, maar hoe… Zijn tong was afgesneden. Hij is kort daarna doodgegaan. Die lunchbar Tip Top bestaat geloof ik nog altijd. Na de oorlog heb ik mijn studie Rechten afgemaakt en ben ik naar Nederland gekomen. In Indonesië betaalden ze niet zo goed. Ik was een jaar of 20 en kwam helemaal alleen met de boot.’

 

Erfgoeddrager: Sander

‘Je kon in de oorlog ook niet zoveel goed doen als kind’

Sander, Jesse en Valentijn van de Twiskeschool mochten John Geelof uit Amsterdam-Noord interviewen over zijn oorlogsherinneringen aan Tuindorp-Oostzaan. Meneer Geelof heeft 42 jaar voor de klas gestaan en dat was wel te merken want hij had een hele PowerPoint presentatie voorbereid voor de drie jongens. Dat was natuurlijk reuze interessant. Hij had ook nog allerlei dingen laten zien, zoals voedselbonnen en een granaatscherf.

Wat merkte u van de oorlog?
“Toen de oorlog begon, was ik vierenhalf jaar. Je merkte af en toe van de oorlog helemaal niks. Af en toe ook wel hoor, dan schoten de Duitsers met kanonnen op de vliegtuigen en dan kwamen de scherven naar beneden, dat was heel gevaarlijk. En met het grote bombardement in Noord, in juli 1943, zat ik bij kapper Okkers op het Mercuriusplein. Die had een hele grote bochel op zijn rug. De kinderen die geknipt werden, zaten allemaal op een bankje en de mannen op een stoel. Opeens gingen de sirenes loeien. Alle kinderen moesten onder de trap gaan zitten, maar ik was heel lang dus ik moest bij de mannen blijven zitten. Kapper Okkers had een helm hangen en die zette hij op en ging toen kijken of hij kon helpen. Het geluid van het vallen van de bommen was verschrikkelijk. Het leek wel of de wereld verging.”

Wat deed u bij een luchtalarm?
“Als het luchtalarm afging, mocht ik nooit bij het raam gaan staan van mijn ouders. Maar ik was best wel eigenwijs. Op een dag stond ik uit het raam te kijken en zag een vliegtuig aankomen vanuit Oostzaan. Het vliegtuig was geraakt en kwam brandend heel laag over vliegen. Bij de Meteorenweg raakte hij nog wat schoorstenen, ik zag hem nog wat optrekken en uiteindelijk is ie bij de Kometensingel, bij de volkstuintjes, naar beneden gestort. De piloot heeft dus eigenlijk de mensen daar gered door nog even op te trekken. Hij is er wel zelf bij om het leven gekomen, maar als het vliegtuig daar op die bebouwing was gestort, dan waren er tientallen doden gevallen. Ik kreeg te horen dat ik dat nooit meer mocht doen, maar ik was nou net trots dat ik dat had gezien. Je kon in de oorlog ook niet zoveel goed doen als kind…”

Wat deed uw vader bij het verzet?
“Mijn vader deed eigenlijk twee dingen. Hij zat bij de schrijvende pers van de ondergrondse beweging. Hij heeft dus geholpen om die krantjes in elkaar te zetten, anderen zorgden voor het drukken ervan. En hij zat bij het gewapende verzet. Hij smokkelde wapens. Ik ben daar als jongetje ook een keer bij geweest. Mijn vader moest wapens brengen van Amsterdam naar Haarlem, daar zat ook een verzetsgroep. Mijn vader dacht dat als hij zijn zoon meenam, het allemaal niet zo in de gaten zou lopen. Dus hij had een tas met revolvers mee, die we moesten afgeven aan de verzetsgroep in Haarlem. Vanaf het station in Haarlem gingen we naar een restaurant waar alleen maar Duitsers zaten, daar zou niemand ons zoeken. Mijn vader had bedacht dat ik naar de wc moest en dan zou ik de wapens op de wc overhandigen. Maar ik moest helemaal niet naar de wc. Toen is mijn vader naar de wc gegaan, ik bleef alleen in het restaurant achter tussen allemaal lachende Duitsers. Ik verstond natuurlijk niks van wat ze tegen me zeiden, maar was wel een beetje bang. Ik wist helemaal niet wat mijn vader deed. Later heeft mijn vader gezegd dat het eigenlijk heel dom van hem geweest is. Ik had natuurlijk helemaal geen bescherming en door mijn gedrag had ik de hele boel daar kunnen verraden en dan was de verzetsgroep van Haarlem opgerold. Gelukkig is het goed afgelopen.”

Social Media


Meer zien van onze programma's en op de hoogte blijven van het laatste nieuws?
Volg ons op social media:

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

+31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892