Erfgoeddrager: Mauro

‘Bij alle hobbels deed mijn buik pijn’

Carel Wiemers had het leuker gevonden als hij Nora, Donovan en Mauro persoonlijk had kunnen ontmoeten. Nu moet het interview met de kinderen van de Dongeschool via Skype vanwege de coronacrisis. Maar meneer Wiemers is wel blij met mails die de kinderen hem hebben gestuurd. ‘Wat jullie nu meemaken in de coronatijd is niet leuk’, zegt hij. ‘Maar ik wil jullie meegeven dat je in vergelijking met de oorlogstijd nu wel alles nog kunt kopen. Het had veel slechter kunnen zijn.’

Hoe oud was u toen de oorlog begon?
‘Ik was pas drie jaar toen de oorlog begon en ik woonde in Amsterdam, in de Vechtstraat. Later in de oorlog ging ik naar een boerderij op de Veluwe. Mijn ouders wilden dat graag omdat daar voldoende voedsel was. Ik heb er een hele fijne tijd gehad. Het was een hele lieve familie. Op school in Amsterdam had ik veel vriendjes, maar omdat ik op en neer ging naar de Veluwe was het moeilijk om vriendjes te behouden. Ik had niet echt een vaste plek. We speelden met van allerlei dingen. Alles was schaars, maar we waren creatief. We konden niet naar een speelgoedwinkel dus maakte ik een voetbal van een krant met een touw eromheen. En met een oude fietswiel en een tak speelden wij. Er was amper iets te koop.’

Waar ging u naar school toen u in de Vechtstraat woonde?
‘Wanneer ik in Amsterdam was, ging ik naar school in de IJsselstraat. In de winter was het erg koud. De school had geen verwarming en ik moest een dikke winterjas aan, wollen muts op en handschoenen aan. Het vroor soms wel tot -10 en dan mochten we naar huis. Een keer ging het luchtalarm af en moesten we een portiek in. Daar zaten we wel twee uur terwijl we op school hoorden te zitten. Later in de oorlog pikten de Duitsers onze scholen in. Door al deze voorvallen heb ik weinig scholing gehad. Naar school gaan was dus eigenlijk rampzalig.’

Ben u wel eens ziek geweest in de oorlog?
‘Aan het einde van de oorlog, in 1944, kreeg ik een blindedarmontsteking. Ik moest naar het Onze Lieve Vrouwegasthuis met paard en wagen omdat de Duitsers de ambulances hadden ingepikt. Ik zat op die wagen met pijn in mijn buik en bij alle hobbels deed het me pijn. In het OLVG werd ik geopereerd en ik mocht twee weken lang niemand zien. We kregen daar twee droge boterhammen per dag. In een briefje aan mijn ouders schreef ik dat het goed met me ging, maar dat ik maar twee droge boterhammen kreeg. De zuster zei dat ik dat beter kon weggummen omdat mijn ouders anders bezorgd zouden zijn.’

Heeft u nare dingen gezien in de oorlog?
‘Op een keer toen ik in Amsterdam was, hoorden mijn broer en ik lawaai buiten. Het was midden in de nacht. We keken stiekem door de gordijnen naar buiten en zagen Duitsers die aan de overkant van de straat aanbelden. Ze haalden mannen uit huis en namen ze mee, later zijn deze mannen geëxecuteerd. Ik vond het heel angstig om te zien. De Duitsers gebruikten de boerderij waar ik woonde als ziekenhuis voor gewonde Duitsers. Soms zelfs met ontbrekende ledematen. We mochten daar niet naar kijken, maar dat deden wij natuurlijk toch. Het was heel akelig om te zien. Ik was ook eens op weg naar mijn pianoles, maar ik was iets te laat. Toen ik aankwam, zag ik dat de Duitsers mijn Joodse lerares en haar moeder meenamen. Ik zag hoe haar moeder, een vrouw van 80 jaar die moeilijk ter been was, zo van de trap werd gesleurd. Het was afschuwelijk om te zien. Dat kun je toch niet voorstellen… Mensen werden behandeld als oud vuil.’

Erfgoeddrager: Mauro

‘We zijn echt allemaal gelijk hoor!’

Jessica Dikmoet is in de jaren vijftig op Curaçao geboren. Ze heeft afwisselend gewoond en gewerkt op Curaçao, Sint Maarten, in Suriname en in Nederland. Aan Alyssa, Elliot, Olivia, Mauro en Elizabeth van de Open Schoolgemeenschap Bijlmer vertelt ze over haar jeugd en hoe ze er nu op terugkijkt.

Hoe was uw jeugd?
‘Ik heb een hele leuke jeugd gehad met mijn vader en moeder en twee zusjes. We speelden veel buiten, dat was heel avontuurlijk. Curaçao is een eiland dus we zwommen veel in de zee. We maakten van boomstammen vlotjes om op te drijven. Mijn vader werkte bij de politie in Koninkrijksdienst. Hij was in dienst van Nederland en werd steeds overgeplaatst naar andere delen van het koninkrijk. Ik had het geluk dat ik door zijn werk het koninkrijk al jong heb leren kennen. Ik vond verhuizen een avontuur, maar iedere keer moest ik vrienden achterlaten. We konden ook maar een beperkt aantal spullen meenemen; dat was niet leuk. Op mijn vijfde gingen we naar Nederland. Ik zag dat mensen heel arm waren. Dat vond ik heel erg. Ik had een ander, rijk beeld van Nederland.’

Hoe was het op school?
‘Sint Maarten was een klein eiland en dus zat ik op een klein schooltje. Ik kwam daar op mijn zevende in een klas met alle kinderen van het eiland en alle leeftijden bij elkaar, in twee klassen. Ik was wel een bijdehandje. Dat kwam door mijn ouders, want zij zeiden altijd dat je niet zomaar iets moet aannemen. Je moet nadenken over wat je ergens van vindt. Je eigen mening vormen. Wat me opviel op school was dat de witte kinderen allemaal vooraan zaten, de bruine kinderen erachter en de donkerste kinderen achteraan. Ik vond het heel erg en dacht: wat is dit voor raars? Een klein zwart meisje dat helemaal achterin de klas zat, kon helemaal niet goed zien wat er op het bord geschreven werd. Wij pendelden veel en ik had in Nederland geleerd dat je mondig mocht zijn. Ik was op Sint Maarten heel brutaal voor die tijd en zei dat ik het niet eerlijk vond en vroeg waarom dat zo was. De juf zei: “Ja, dat is zo.” Er kwam geen antwoord op.’

Wat leerde u over Nederland?
‘Niet echt veel. We waren meer bezig met de tafels en leren lezen en schrijven. Ik leerde dat het een koninkrijk was, het land waar we bij hoorden, over het Koningshuis. Het rijke land waar alles veel mooier, rijker en geweldiger was dan bij ons. In Suriname heb ik leren lezen en schrijven en op Curaçao kreeg ik verhalen over Afrika te horen. Ik hoorde dat Afrika een hele rijke cultuur had, dat er trotse mensen woonden. Dat boeide me. In mijn jeugd zag ik Afrika meer als het beloofde land. In Nederland had ik armoede gezien dus Nederland was het niet, maar Afrika! Het opvallendste aan die tijd, mijn jeugd, is dat de macht zo ingericht was dat hoe lichter je was hoe meer kansen je had. Als je donker was, moest je veel meer doen om te bewijzen dat je ook kon wat de andere mensen die het voor het zeggen hadden konden. Dat vind ik nog steeds belachelijk en stom. Ik begrijp niet dat mensen zo denken.We zijn echt allemaal gelijk, hoor. De een kan iets beter dan de ander, nou ja. Hartstikke fijn. Als je die krachten bundelt, nou, dan kunnen we hartstikke veel hoor.
Ik vond altijd al dat je op basis van gelijkwaardigheid met elkaar om moet gaan en dat verschillen fijn zijn. Stel je voor dat we allemaal hetzelfde waren, dan zou het erg saai zijn.  Daarom ben ik de journalistiek in gegaan; bij uitstek een beroep waarbij je geïnteresseerd moet zijn in meningen van zoveel mogelijk mensen. Meningen die je tegen elkaar af moet zetten en dan kijken hoe we met elkaar in gesprek kunnen gaan.’

         

Erfgoeddrager: Mauro

‘Dat ik het heb overleefd is een wonder’

Koos Bonke is een echte Haarlemmer. Hij groeide op in de Amsterdamse buurt en het interview is daar vlakbij, in een mooi oud huis aan het Spaarne. Mauro, Gijs en Boris luisteren aandachtig naar zijn verhaal en bekijken zijn fotoboeken over de Hongerwinter en de bombardementen in Haarlem. ‘Tijdens de bevrijding kreeg mijn zus een reep chocolade van de Canadezen. Ze at ‘m helemaal op! Ik mocht aan het papiertje ruiken…’

Hoe oud was u toen de oorlog uitbrak en wat deed u in die tijd?
‘Ik was vier jaar en ik woonde met mijn zes jaar oudere zus en mijn ouders in de Vooruitgangstraat. Mijn vader was tewerkgesteld in Duitsland vanwege de ‘Arbeitseinsatz’, dus we waren meestal met z’n drieën. Ik ging naar de Broederschool aan het Teylerplein. Daar hadden ze gaskachels dus de school bleef open en het was er lekker warm. ‘s Avonds in bed hoorde ik de Engelse vliegtuigen overkomen. Ze gingen naar het Ruhrgebied in Duitsland. Op de heenweg maakten ze een zwaar ronkend geluid, want dan hadden ze bommen aan boord. Een uur of vier later kwamen ze terug en maakten ze een veel lichter geluid omdat ze de bommen hadden gedropt.’

Wanneer was het bombardement op de Amsterdamse buurt en wat weet u daar nog van?
‘Het was in 1943. Mijn moeder en mijn zus waren naar de kerk, om te bidden voor vrede denk ik… Ik was thuis en lag in bed. Opeens was er een enorme klap, de wekker viel van het nachtkastje. Mijn moeder had gezegd: “Als er iets gebeurd, blijf in bed liggen!” Dus dat deed ik. Toen mijn moeder en zus thuiskwamen, moest ik snel meekomen. Mijn zus zei dat je buiten bijna niets kon zien door de stofwolken. Er waren twee huizen in de straat helemaal weg. Wij hadden nog geluk, want bij ons was alleen een raam stuk. Er zijn 86 mensen omgekomen bij het bombardement. Dat ik het heb overleefd is een wonder.

Er lag een ‘blindganger’ in de straat, dat is een bom die nog niet was afgegaan. Dat was gevaarlijk en dus moesten we naar het huis van een oom en tante in de buurt. Overal op straat waren kleine brandjes die waren ontstaan door ontplofte kachels. In de Van Zeggelenstraat zag ik hoe het dak van een huis was opgetild door de luchtdruk van de ontploffing. Het lag op straat. Aan de Zomervaart zat een man met zijn arm in het water. Hij had fosfor op zijn arm gekregen, van een fosforbom, een brandbom. Fosfor blijft branden als er zuurstof bij komt, dus elke keer als die man zijn arm uit het water haalde begon die weer te branden. Ik weet niet hoe het met hem is afgelopen, want we moesten verder… ‘

Wat kreeg u te eten in de oorlog en hoe was het voor u in de Hongerwinter?
‘Na het bombardement mocht mijn vader naar huis komen. Hij had Duits brood meegenomen, van dat zure brood! Ik had honger maar vond het niet lekker. Mijn moeder kookte suikerbieten op een heel klein noodkacheltje, een vuurduiveltje heette dat ook wel. Ik moest houtjes hakken voor het kacheltje. Mijn zus mocht een boom halen in de Haarlemmerhout. Die heeft ze met een touw er omheen helemaal mee naar huis gesleept. Om het eten warm te houden had mijn vader een hooikist gemaakt. Je zette het pannetje in het hooi en dan bleef het eten lekker warm.

De Hongerwinter was de laatste winter van de oorlog. Het zuiden van Nederland was al bevrijd, maar de Duitsers probeerden het noorden uit te hongeren. Ik moest ik eten halen bij de gaarkeuken in de Broederschool. Daar hadden ze waterige soep in hele grote pannen: gamellen. Je moest een pannetje meenemen en voedselbonnen. Soms kende ik een broeder van school en dan kreeg ik iets extra’s. Dan leverde ik drie bonnen in en kreeg ik toch 4 scheppen uit de pan!’

 

 

Erfgoeddrager: Mauro

‘Buitenspelen en kattenkwaad’

De Hongaars-Joodse Anki was nog jong tijdens de oorlog en hield zich samen met haar zusje het liefst bezig met buitenspelen en kattenkwaad uithalen. Ze woonde in de Rivierenbuurt met haar zusje Kati en ouders Miklos en Henrietta Tauber. Mevrouw Tauber kon heel goed vertellen over haar oorlogsherinneringen in de Rivierenbuurt, ze speelde heel veel buiten. Tijdens de oorlog moest het gezin naar Hongarije teruggaan waar ze de oorlog maar net hebben overleefd.

Moest u een jodenster dragen?
Door het bondgenootschap tussen Hongarije en Duitsland hoefden wij onze jodenster niet te dragen. Maar mijn zusje Kati en ik deden dat toch, om onze ouders te pesten. Echt gevaarlijk, als ik er achteraf over nadenk. Wij haalden samen wel meer kattenkwaad uit, de Deurloostraat was voor ons een paradijs. We gingen belletje trekken, hondenpoep op deurklinken smeren, of touwtje springen met een heel lang touw en dan lieten we niemand door. Er woonde een Duits kind bij ons in de straat, die lieten we in ieder geval nooit meer doorlopen. Erg hè?”

Was u niet bang?
“Ik wist wel dat we weg gehaald konden worden, maar begreep het verder niet helemaal. Op een gegeven moment moesten alle Joodse kinderen naar een joodse school. Ik ook. Kinderen uit mijn klas verdwenen, steeds meer tafeltjes bleven leeg. Op school hoorde ik dat de kinderen die verdwenen op ‘Kamp Westerbork’ waren. Daar wilde ik ook wel heen, want ik dacht dat het een vakantiekamp was of zo.

Toen verdween ook mijn beste vriendinnetje, Kitty. Kitty van Esso. Ze werd zeven jaar.”

Bent u ooit weggevoerd naar een kamp?
“Eén keer hebben de Nazi’s ons toch uit ons huis gehaald en naar een gymnastiekzaal gebracht in de Gerrit van der Veenstraat (toen Euterpestraat). Heel veel mensen stonden daar: klaar voor vertrek, ze deden hun hoedjes op, hun jassen aan.. Maar mijn moeder niet, zij knoopte een gesprek aan met één van de Duitsers die de leiding had. En ze vertelde hem voluit over haar broer die aan het Oostfront voor Duitsland had gevochten en een been verloren had. Het was één groot fantasieverhaal. Maar toen iedereen werd opgehaald, kwam die Duitser naar ons toe om te vertellen dat wij niet mee hoefden.”

Benieuwd geworden naar de foto's van Annemie Wolff? Kijk op de website: http://stichtingwolff.nl/

Leerlingen van de Anne Frankschool interviewden via skype Anki Flores Tauber

Social Media


Meer zien van onze programma's en op de hoogte blijven van het laatste nieuws?
Volg ons op social media:

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

+31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892