Erfgoeddrager: Manvi

‘Ik plakte een foto van een knappe actrice in mijn persoonsbewijs’

Rika Bobeldijk was elf jaar toen de oorlog begon, woonde toen aan de Bilderdijkstraat en was ongeveer net zo oud als Melisa en Manvi. De leerlingen van de Visserschool bezoeken haar thuis in Buitenveldert, waar de herinneringen uit haar tienerjaren een goed beeld van de oorlogsjaren voor een tiener geven.

Hoe merkte u dat het oorlog was?
‘Op straat zag je allemaal mensen in groepjes bijeen, mensen waren in paniek. Huilend rende ik naar huis, waar ik hoorde dat het oorlog was. Als je bijna twaalf bent, realiseer je je dan niet wat er echt aan de hand is. Mijn hele tienertijd, de leukste tijd van je leven, viel precies in de oorlog… De eerst tijd was het vrij rustig. Ik zat nog gewoon op balletles, je kon nog zwemmen. Maar telkens kwam er wat bij; op een gegeven moment mocht je ’s avonds ook niet meer op straat. Bij de bioscoop aan de Bellamystraat gingen we stiekem dansen. Op accordeonmuziek, dus niet heel swingend.
Ik vond het allemaal eng. Vlakbij huis werd het WG-terrein, waar de officieren in barakken zaten, gebombardeerd. Dan hoorde je een fluitend geluid en dan ging er iets gebeuren, maar wat? Waar zou het vallen? Mijn oudere broer greep mij en mijn vriendinnetje in onze nek en duwde ons onder tafel. Dat had natuurlijk geen zin, maar je moest schuilen. Gelukkig was het hier in vergelijking met Rotterdam een stuk rustiger met bombardementen. Er was er nog een bij de Fokkerfabriek in Noord, op een zondag. Mijn broer werkte daar, maar niet die dag. En een week ervoor had ik nog op zondag grondgymnastiek daar gedaan. Ik heb er geen trauma aan over gehouden.’

Kende u NSB’ers?
‘Ik zat op de kweekschool voor detailhandel, aan de andere kant van het Vondelpark. Vier leraren waren bij de NSB, waaronder de juffrouw Duits. Die taal spreek ik trouwens vloeiend door haar. De leraren droegen een NSB-speldje. Ze waren heel streng ook. Als je straf kreeg, sloegen ze je met een liniaal. Het teken van de NSB was een driehoek. Een leerling, kind van de aardrijkskundeleraar, dacht een grapje uit te kunnen halen en tekende een driehoek op het bord. De leraar tekende een driehoek eroverheen, waardoor het een ster werd zoals Joden die moesten dragen. Maar dat leek ook op het symbool van het aardappelmeelmerk Scholten. Wij zeiden dat het dat was. Dat soort momenten; er was een soort spanning in de klas. En op straat natuurlijk. Onderweg naar school heb ik razzia’s gezien. Die werden gewoon door Nederlanders uitgevoerd. Wij moesten dan blijven staan en kijken, dat was verplicht. Dan zag je hoe kinderen van hun ouders werden gescheiden, en vrouwen van de mannen. Dat verdriet van die moeders. Dat was vreselijk zielig.’

Wat at u in de oorlog?
‘Iedereen kreeg een persoonsbewijs; daarmee kon je op het postkantoor bonkaarten halen. Met bonnen kon je eten kopen. Het eten dat er was, was te veel om te sterven en te weinig om in leven van te blijven, zeiden we. Net genoeg dus. Iedereen ging ‘de boer op’. Mijn ouders op de tandem, ik op mijn fiets en dan gingen we bij de boeren op het veld losse granen rapen. Mijn moeder deed dat in de koffiemolen en dan kon je er brood van maken. Van suikerbieten maakte ze stroop. Er waren gelukkig veel aardige boeren, maar ja, er kwamen zoveel mensen naar hen toe voor eten. Er was weinig. Op school kreeg je wat, maar dat was vies, waterig en met schillen. De slager had een vette kat. Die is ook opgegeten. Wij hadden een konijntje. Ik zie hem nog zo zitten in de keuken, met dat snuitje. Niemand van ons kon hem doodmaken. Uiteindelijk heeft de poelier dat gedaan. Maar ik heb het niet gegeten. Ik kon het niet. Licht had je ook niet in die tijd. Je had een knijpkat, een zaklantaarn waar je in moest knijpen, en een fosforspeldje op. Op straat zag je daaraan dat er iemand liep.
Over dat persoonsbewijs gesproken. Ik was een tiener en vond mijn pasfoto niet mooi. Dus had ik er een plaatje van de actrice Deanne Durbin overheen geplakt. Maar toen werd ik een keer opgepakt, omdat ik tijdens een luchtalarm doorliep. Op het politiebureau waren ze heel boos dat ik niet mijn eigen foto erin had staan.’

Hoe was de Bevrijding voor u?
‘Mijn buurjongen, die later mijn man zou worden, en zijn drie broers vervalsten in de oorlog bonkaarten en hielpen Joodse mensen. Ze overleefden de oorlog, maar hun vader is tijdens het bevrijdingsfeest op 7 mei 1945 op de Dam doodgeschoten door Duitse soldaten. Terwijl de oorlog dus al voorbij was. Dat deden die soldaten uit wraak of uit angst, want ze zaten daar natuurlijk omringd door feestende mensen. De feesten gingen daarna wel door. Grappig was dat iedereen opeens spullen had; radio’s, fototoestellen, kleding kwam allemaal weer tevoorschijn. Mensen dansten op straat, er was weer muziek. Er waren straatfeesten met prijzen voor wie het mooist verkleed was. Mijn vriendin en twee vrienden en ik gingen in Japanse kostuums feestvieren op de Bilderdijkstraat. Wij wonnen de eerste prijs, een fruitmand. Die was aan de achterkant helemaal leeg gegeten door kinderen. Dat begrepen we wel. Mijn vader noemde me in die tijd een vlinder, omdat ik van feest naar feest fladderde.  Ik was zeventien, het kon eindelijk weer.’

         

Social Media


Meer zien van onze programma's en op de hoogte blijven van het laatste nieuws?
Volg ons op social media:

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

+31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892