Erfgoeddrager: Lizz

‘We hebben toen mijn konijn opgegeten.’

Wilma Bloemen woont met haar ouders, jongere broertje en zusje in de Parsifalstraat. Een dag voor haar zesde verjaardag breekt de oorlog uit. Haar feestje gaat niet door en dat vindt ze heel erg. Wilma begrijpt niet echt wat de oorlog betekent. Als haar wordt uitgelegd dat mensen met elkaar vechten wilt ze gaan kijken. Hoewel ze er toen niet veel van begreep, heeft ze veel herinneringen aan de oorlog.

Wat is het spannendste dat u heeft meegemaakt?
De tankgracht was vlakbij ons huis en daarachter was ‘Sperrgebiet’. Daar mocht je niet komen. De tankgracht was gevuld met water, het leek op een kanaal. Ik ben een keer met een vriendinnetje stiekem met een bootje de tankgracht over gestoken om in Kijkduin bloemen te plukken. Dat was levensgevaarlijk want er lagen mijnen verstopt. Op een gegeven ogenblik hoorden we een Duitser aankomen en toen hebben we ons verstopt in de bosjes. Hij heeft ons gelukkig niet gezien. Als ik nu in Kijkduin ben, zie ik nog wel eens het bosje waar ik achter heb gezeten. En dan moet ik daar altijd weer aan denken.

Wat at u tijdens de Hongerwinter?
We hadden echt bijna niks te eten. Ik heb peentjes gepikt omdat we zo een honger hadden. Normaal zou ik dat nooit hebben gedaan. Bij de gaarkeuken was ik altijd blij als ik de pannen mocht uitlikken. We aten ook  tulpenbollen, die smaakten een beetje naar tamme kastanjes. Ook hadden we suikerbieten. Daar maakten we bijvoorbeeld ‘klopklop’ van door het sap op te kloppen. Dat was een lekkernij. Verder was er bij ons in de Parsifalstraat een stuk braakliggend land, waar we kleine volkstuintjes van hadden gemaakt. Dus groenten hadden we nog wel. Maar geen vlees en brood.
Als ik dat liedje ‘Flappie’ hoor moet ik altijd weer denken aan kerst 1944. We hebben toen mijn konijn opgegeten. Op het moment dat we hem opaten wist ik niet dat het mijn konijn was, dus we hebben er echt van gesmuld. Maar de volgende dag was hij verdwenen. Mijn moeder heeft later van het huidje nog warme wanten gemaakt.
Voor de bevrijding werd er voedsel uit vliegtuigen gedropt. Eerst was ik bang voor die laagvliegende toestellen, maar mijn ouders wisten dat ze met voedsel kwamen. In die pakketten zaten ook grote blikken met kaakjes. Die blikken gebruikten we later om bootjes van te maken. Als ze leeg waren kon je ze aan elkaar vastmaken en erop gaan zitten.

Hoe was het voor u na de bevrijding?
Na de oorlog ben ik, omdat ik erg ondervoed was, met de trein op kindertransport naar Zwitserland gezet. Dit werd geregeld door het Rode Kruis. De treinreis duurde 2,5 dag. De kleinste kinderen werden in het bagagerek gelegd om te slapen. In Basel werden we onderzocht door artsen. Ik zou naar een pleeggezin gaan, maar omdat ik te ondervoed was, moest ik eerst een maand naar een kindertehuis om daar aan te sterken. Daarna heb ik nog drie maanden in een pleeggezin gezeten. Dat waren kennissen van mijn vader. Dit was in het dorpje Regensdorf, vlakbij Zürich. Ik werd daar zo verschrikkelijk verwend, dat ik niet meer terug wou. Ik kreeg heel veel eten en heel veel snoep. En elke week werd ik op de weegschaal gezet om te kijken of ik aangekomen was.

Social Media


Meer zien van onze programma's en op de hoogte blijven van het laatste nieuws?
Volg ons op social media:

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

+31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892