Erfgoeddrager: Kerim

‘In Egypte kregen we weer vers water, daar kan ik nog steeds van dromen’

Eamila, Hailey, Kerim en Luz van basisschool Philipsdorp rijden met de auto naar de Parkbuurt in het oude Eindhoven. Bij de voordeur worden ze al opgewacht door Henk van Gijn, die hen meteen hun namen vraagt. Hij nodigt ze uit om mee te gaan naar de tuinkamer, waar ze uitkijken op de tuin en de eekhoorntjes die daar vrolijk rondrennen.

Meneer Van Gijn kwam in 1958, op achtjarige leeftijd, met de boot uit Indonesië aan in Nederland. Zijn ouders waren Nederlands, maar vanwege het werk van zijn vader is hij geboren en opgegroeid in Indonesië. Later woonde hij samen met zijn broertjes en zusje nog een tijd in Iran.

Waarom gingen jullie weg uit Indonesië?
‘Weten jullie wat etnisch is? Dat betekent dat je aan iemand kunt zien dat die uit een bepaald land komt of een bepaald uiterlijk heeft. In Indonesië werden na de oorlog duizenden mensen met een bepaald uiterlijk vervolgd en vermoord. Deze mensen woonden daar al honderden jaren. Daarom gingen wij terug naar Nederland.

Maar ook in Nederland worden mensen soms ongelijk behandeld. Ik heb lesgegeven aan meiden, maar dat werd door de omgeving en de cultuur niet altijd toegestaan. Toch was mijn rol prachtig, want de meiden wilden heel graag leren. Sommigen haalden in drie jaar een havo-diploma. Ze zó goed konden ze leren.

Weten jullie wanneer vrouwen voor de belastingen gelijk werden gesteld aan mannen? Dat was pas in 1988. Ik kon daar heel boos over worden, vooral over hoe sommige mannelijke collega’s vrouwen behandelden.’

Hoe was het om vanuit Indonesië naar Nederland te komen?
‘Ik was 8 jaar toen ik uit Indonesië kwam om naar Nederland te gaan. We zaten een maand op de boot. We waren het laatste vluchtelingenschip.

We hadden een kinderspeeldek. Er was een kinderjuffrouw, maar die lette niet altijd goed op. Soms wil je ook een beetje ondeugend doen en klommen wij over het hek. Samen met een vriendje heb ik alles bekeken, van voor tot achter op het schip, de schoorsteen, de hondenhokken, de machinekamer. We hebben heerlijk gespeeld op de boot.

Soms raakte het water op en kregen we heel smerig water. In Egypte kregen we weer vers water, daar kan ik nog steeds van dromen, mmm zo lekker.

Er gingen ook oudere mensen dood. We keken door de spleten in het doek dat speciaal voor de kinderen was opgehangen, zodat we eigenlijk niet konden zien wat er gebeurde. De kist schoof de zee in, bleef dan even dobberen op het water. Eerst moest die zinken en dan ging de scheepsmotor weer aan. Dat maak je dan mee. Het was best avontuurlijk allemaal.’

Hoe was de reis uit Iran?
‘Mijn vader bouwde scholen in Iran en daarom woonden we daar ook een tijd. Toen we weer teruggingen naar Nederland, ging mijn moeder met mijn zusje en jongste broer met het vliegtuig. Mijn vader vond het leuk om met de andere kinderen met de auto van Iran naar Nederland te reizen. Hij sprak Perzisch en kreeg een visum om door Arabische landen te reizen; hij wilde die graag zien.

We waren met z’n vieren. Ik en mijn broers waren 12, 10 en 8 jaar oud. De reis duurde zes weken. We reden door Irak, Jordanië en Israël. In Syrië zaten we een tijd vast; daar was het toen al onrustig. Daarna gingen we verder door Turkije, Griekenland en Joegoslavië en nog een stuk door Europa naar Nederland. Later in mijn leven begreep ik pas echt hoe waardevol het is om in Europa vrij te mogen reizen.’

Wat mist u uit Iran?
‘Ik mis de uitzichten, de wijde vergezichten. Mijn moeder had een brommer en daarmee ging ik naar de woestijn. Ik was 11 jaar. Daar was helemaal niemand, alleen zand, zand, zand. Op een keer kwam ik zomaar op een stuk asfalt terecht. Ik was per ongeluk op het vliegveld uitgekomen en er kwam een vliegtuig aan. Gelukkig was het een klein vliegtuig. De piloot en ik zagen elkaar. Hij stopte en zei: ‘Steek jij maar over’.

In Nederland mis ik die vrijheid van Iran. Hier zijn veel regels. Dat komt omdat we zo dicht op elkaar wonen. Maar in Nederland zijn er weer andere vrijheden, zoals de vrijheid van denken en spreken. Heel belangrijk.’

Welke sporen heeft het wonen in andere landen nagelaten in uw leven?
‘Niet bang zijn. Ik werkte net bij Philips. Een nieuw ontworpen machine moest naar Amerika. Collega’s werden gevraagd: ‘Wil jij mee naar Chicago om de machine te installeren?’ Ze zeiden ‘liever niet’ of verzonnen allerlei smoesjes.

Toen vroegen ze mij: ‘Wil jij, Henk?’ Ik werkte daar nog maar net. In mijn hart zei ik meteen ja, maar ik hield me rustig en zei dat ik het even met mijn vrouw moest overleggen. En ik ben natuurlijk gegaan! Ik merk dat veel mensen bang zijn om ergens anders naartoe te gaan.

Mijn broer zegt altijd: ‘Een glimlach is in elk land hetzelfde. En voetbal ook.’

Erfgoeddrager: Kerim

‘Op dat briefje bij de radiozaak stond dat we bevrijd waren’

In het sfeervolle huis van Marius Romijn (1938) nemen Mirthe, Shira, Kerim plaats aan tafel. Hun klasgenootje Jacob was helaas ziek tijdens het interview. Het huis aan de Parkstraat 2 was vroeger deel van de apotheek waar hij met zijn vader, moeder, twee zussen en broertje woonde. Hij heeft al verschillende foto’s en een oude Volkskrant neergelegd uit de oorlog en kan direct beginnen met vertellen.

Wat vond u het engst in de oorlog?

Er was altijd gevaar. Toen ik vijf of zes was en met mijn grote zus naar school liep, kon het luchtalarm afgaan. Als er bijvoorbeeld bommenwerpers overkwamen, of andere vliegtuigen. Onze ouders hadden gezegd: ‘Als jullie op weg zijn naar school en het luchtalarm gaat af, dan moeten jullie gewoon bij het eerste het beste huis aanbellen en vragen of jullie even op de gang mogen staan’. Dat kwam wel eens voor. Na vijf of tien minuten wachten hoorde je die sirenes weer, maar nu in een andere toon. Dat betekende ‘einde luchtalarm’ en konden we weer de straat op.

Wat deed u toen Nederland bevrijd werd op 5 mei?

Zolang de oorlog duurde was het verboden om na acht uur ’s avonds nog op straat te zijn. Want als de Duitse soldaten kwamen, konden ze zo schieten als je na die tijd nog op straat was. En als er bijvoorbeeld een dokter naar iemand toe moest, dan moest hij op de fiets (want voor de auto was geen benzine) met een witte vlag met ‘Arts’ erop, want anders kon ook hij beschoten worden. Het was erg onzeker wanneer we nou bevrijd zouden worden. Een radio mochten we niet meer hebben. Maar bij de oude radiozaak (daar luisterden ze kennelijk stiekem toch naar de radio) hing op 5 mei een briefje aan de deur. Er stonden allemaal mensen omheen. ‘O,’ zei mijn vader, ‘Ik ga even kijken wat er aan de hand is.’ Op dat briefje stond inderdaad dat we bevrijd waren. Toen kwamen er allemaal mensen op straat die met elkaar begonnen praten. Er stond een man bij die dwarsfluit speelde, Marius Ruising heette hij, die ging hier op het plein spelen. Iedereen luisterde ernaar en danste rond van blijdschap. We speelden tot ’s avonds laat buiten, en het was nog licht ook. Dat was ongeveer het fijnste wat er was.

Had u genoeg te eten in de oorlog?

We hadden vaak erge honger. Ik was in de laatste winter maar één centimeter gegroeid. Maar gelukkig kwamen er helemaal aan het einde van de oorlog, en ook nog vlak daarna, vliegtuigen die eten naar beneden wierpen in blikken, de zogenaamde voedseldroppings. Dat eten werd allemaal uitgedeeld ‘op de bon’. In de oorlog was het al het eten op de bon gegaan om het zo eerlijk mogelijk te verdelen onder de bevolking. Ik weet nog dat wij op een bepaalde bon drie blikjes bacon kregen. Ik zie ze nog staan, van die hoge blikjes. Het was een soort ingemaakt, doorregen spek. Het was echt het allerlekkerste dat ik ooit in mijn hele leven gegeten heb.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

Christine: +31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892