Erfgoeddrager: Francesco

‘Ik dacht: ik ga een paar jaar naar het buitenland en dan word ik rijk!’

Francesco, Noah, Zoe en Claire van basisschool Philipsdorp in Eindhoven mogen mee in de auto naar Angelines Castro om haar te interviewen. Mevrouw Castro is geboren in een klein dorpje vlakbij León in Spanje. Zij kreeg een relatie met een jongen die naar Nederland ging voor werk. Toen hij een vast contract kreeg, trouwden ze en ging ze op 19-jarige leeftijd ook naar Nederland. Het interview verloopt voorspoedig, de kinderen vragen veel door, vooral over de Spaanse munt, de peseta, die mevrouw Castro ook laat zien. Aan het einde van het interview krijgen de kinderen allemaal nog iets lekkers.

Hoe was het eigenlijk om in Spanje te wonen?
‘Leuk, maar keihard werken. Mijn vader was een boer, dus wij moesten op het land werken. Nu heb je daar machines voor, maar wij deden het met de hand. We hadden suikerbieten, boontjes en aardappels. Er was een groothandel, die nam het allemaal mee. We aten er zelf ook een beetje van. We hadden twee koeien, daar dronken we de melk van, wat over was verkochten we weer.

Ons pap had een café, dat hielden we ‘s avonds bij. Er kwamen dan mannen kaarten of een bakje koffie drinken. We hadden ook een tv, er was alleen een televisie in het café. Als er stierenvechten waren of een voetbalwedstrijd, kwam het hele dorp kijken.

We moesten ook naar school, van 9 tot 1 en dan van 3 tot 5. Als ik terugkwam van school, moest ik de vaat doen. Kwam ik te laat thuis dan kreeg ik straf, dan mocht ik bijvoorbeeld niet naar buiten. Tot 14 jaar was school verplicht, daarna ben ik ook van school afgegaan om te werken.

Mijn moeder kocht koekjes voor ons winkeltje, in een doos van drie kilo. Die mocht ik niet opeten, want die waren om te verkopen. Als mijn moeder een dutje deed, ging ik stiekem naar het winkeltje en at ik snel een paar koekjes. Maar ons mam was slim! Ik kon het alleen doen als de doos nog vol zat, anders had ze het door.’

Hoe kwam u hier?
‘Phillips ging mensen halen in Spanje. Mijn man kwam daarom in Nederland, maar hij moest eerst een vast contract krijgen anders kon hij zijn vrouw niet meenemen. Hij is 1,5 jaar alleen geweest in Nederland, toen kreeg hij een vast contract. Hij is naar Spanje gegaan en toen zijn we getrouwd en ik kwam met hem mee. Het was een grote bruiloft van twee dagen, zo ging dat in Spanje. We zijn 28 december getrouwd en 6 januari waren we samen in Nederland. De eerste keer zijn we met de trein gekomen, van Spanje naar Frankrijk en verder naar Nederland. Maar we zijn later ook nog wel eens met de bus gegaan en met het vliegtuig en sinds mijn man een rijbewijs heeft komen we met de auto.’

Hoe was het om weg te gaan?
‘De eerste keer dat ik naar Nederland ging, vond ik het niet zo eng. Toen hoefde ik niets te doen, alleen het huishouden. Het was net alsof ik vakantie had. Toen begon ik bij Phillips te werken, maar dat was ook niet zwaar. Ik dacht: ik ga een paar jaar naar het buitenland en dan word ik rijk! Ons mam had wel verdriet.

Toen ik voor het eerst weer in de vakantie naar Spanje kwam en daarna weer terug moest, was ik verdrietig. Ik was daarvoor ook nooit weggeweest. De eerste jaren zijn ook best moeilijk geweest, maar als je jong bent kun je de hele wereld aan.

We hadden vroeger nog geen telefoon om naar huis te bellen. Alles moest met brieven. Het kon wel tien dagen duren voordat die aankwamen. Mijn vader had mij een brief gestuurd in september. Toen de brief bij mij aankwam, was mijn vader al gestorven. Toen we thuis kwamen van de begravenis lag daar die brief. Die heb ik heel lang bewaard. Ons mam kon niet schrijven, ik kreeg alleen brieven van mijn vader. Mijn moeder is nooit naar school geweest, zij is toen ze 10 was bij rijke mensen gaan werken.’

Waar woonde u toen u hier kwam?
‘Ik heb eerst in Woensel gewoond. We konden daar huren van mensen die ik nog nooit had ontmoet. Toch hebben we het goed getroffen bij hen. Wij hebben nog steeds contact. Als zij in het weekend bij iemand op visite gingen, dan mochten wij mee, want we kenden nog niemand. Daarna hebben we op Strijp een huurhuis gekregen van Phillips. Daar hebben we tot 1987 gewoond. Daarna hebben we ons eigen huis gekocht.’

Was het moeilijk met de taalbarrière?
‘Ja, het was heel moeilijk. Ik kwam hier in januari en in maart ben ik bij Phillips begonnen, maar ik verstond helemaal niets. We hadden wel een tolk, maar die bleef maar een half uurtje en dan was hij weer weg. Gelukkig heb je hier overal goede mensen, en met handen en voeten kom je een heel eind. Toen ik bij Philips begon, volgde ik daar een cursus Nederlands, daar ben ik drie jaar gebleven. Ik heb tegen mijn man gezegd: als ik hier de taal niet leer, dan ben ik weg.

In het begin durfde ik niet te praten. Ik dacht dat mensen me zouden uitlachen.Toen zei een collega tegen mij, praat maar tegen mij. Wat als ik het niet goed zeg?, vroeg ik. Dan zeg je het maar twee keer, zei hij, zo moet je het leren. De buurvrouw hielp mij ook. Ik kan nu Nederlands praten en lezen, maar schrijven vind ik nog steeds moeilijk. Met mijn telefoon gaat het wel.

Door Phillips waren er veel Spaanse mensen in Eindhoven. We hadden hier een Spaans centrum. We gingen daar in het weekend allemaal naar toe. Ik kende hier niemand en zo begon ik mensen voor het eerst een beetje te leren kennen.’

Was het uurloon goed?
‘Het eerste loon wat ik heb gekregen weet ik nog goed, dat was 560 gulden. Dat was voor die tijd een heel redelijk loon. Toen ik op het land werkte kon mijn loon onzeker zijn. In Nederland was ik iedere maand zeker van loon. Dat vond ik heel fijn. Ik kon in de supermarkt altijd kopen wat ik wilde.

We hadden niet veel in Spanje. In het eerste jaar dat ik in Nederland was, kocht ik alles wanneer ik in de winkel was. Ik vond frikandellen ook heel lekker. Ik ben het eerste jaar 8 kilo aangekomen. Het was echt vakantie. ‘Is dat jullie Angelines?’, vroegen de mensen toen ik terug was in Spanje.’

Mist u Spanje?
‘Spanje is mijn land. Mijn familie zat daar. Toen ik voor het eerst naar Nederland ging waren ons pap en ons mam in Spanje, en de moeder van mijn man ook nog. Inmiddels leven die niet meer. We waren vroeger met zes man thuis, maar ik heb alleen nog meer één broer en één zus over. Nu heb ik hier 3 kinderen en 2 kleinkinderen, als ik nu naar Spanje zou gaan zou ik die missen. Ik heb zelfs een kleinkindje op komst! Mijn kleinkinderen komen iedere week eten. Dan kook ik. We waren eigenlijk van plan terug te gaan naar Spanje als we met pensioen waren, maar ik heb nu mijn kinderen hier en mijn kleinkinderen. Dus ik ga niet meer weg. In de zomer gaan we nog wel naar de familie.’

Erfgoeddrager: Francesco

‘Bij de grenspaal spraken we met mijn Duitse oma’

Ilse van Bakel was vier jaar toen de oorlog begon. Ze woonde toen met haar ouders en vier broers – twee oudere en twee jongere – op hetzelfde adres als waar ze nu woont. Twee broers overleden door de oorlog. Haar opa en oma waren Duits en ook haar opa kwam om in de oorlog, in het Duitse leger. Aan Francesco, Quin, Jade en Marwa van basisschool De Troubadour in Eindhoven vertelt ze haar herinneringen.

Hoe kwam u aan eten?
‘Mijn moeder haalde rogge bij de boeren, die dat helemaal niet mochten verkopen of ruilen van de Duitsers. Ze had een soort gordel voor onder haar kleren gemaakt, met allemaal vakjes erin. Daar kon ze de rogge indoen en dan zag niemand dat ze dat bij zich had. Je leek wel wat dikker, maar met een jas eroverheen viel dat niet op. Ze heeft onder andere de kinderwagen die ze niet meer nodig had geruild voor eten. We hoefden zo geen honger te lijden. Mijn drie jaar oudere broer ging een keer met haar mee. Een boerin haalde speciaal voor hem een beker melk. Hij zei tegen mijn moeder dat die melk niet lekker was. Daarna werd hij heel erg ziek – ze wisten niet wat er aan de hand was – en is hij overleden. “Fred komt niet meer terug,” zei mijn moeder toen ze uit het ziekenhuis terugkwam. Dat was natuurlijk heel triest. Jaren later hebben ze dat uitgezocht en toen kwamen ze erachter dat die boer en boerin allebei tyfusdragers waren. Dat krijg je als je onder slechte omstandigheden leeft.’

Bent u nog meer familie kwijtgeraakt door de oorlog?
‘Mijn andere broer, Walter, overleed na de oorlog door een granaat. Die had hij met een vriendje op het vliegveld Welschap gevonden en op zijn kamer gelegd. Toen hij op een dag huiswerk maakte met een vriendje, ging hij ermee spelen. De granaat viel, hij wilde ‘m oprapen en toen is ie in zijn gezicht ontploft. Bij het vriendje was zijn hele hak eraf geslagen. Mijn broer is overleden. Heel triest. De oorlog was al lang voorbij.’

U had Duitse grootouders, hoe was dat?
‘We hebben de hele oorlog geen contact gehad met mijn moeders familie in Duitsland. Direct erna zijn we ergens in Limburg bij een grenspaal gaan staan. Wij mochten niet de grens over naar Duitsland en mijn grootmoeder niet naar Nederland. We hebben toen bij die paal staan praten. Ik kende mijn oma nauwelijks meer want we hadden haar de hele oorlog niet gezien. Later mocht je onder de slagboom door en mocht je in een cafeetje een uur wat drinken met elkaar.’

Wat was het heftigste bombardement in Eindhoven?
‘Ik herinner me dat we hier in het halletje bij de voordeur stonden te schuilen. De voordeur moest openblijven bij een bombardement, want als er een bom viel dan kreeg je een bepaalde luchtdruk waardoor de deur uit zijn voegen getrokken kon worden. Het vliegveld werd een keer gebombardeerd met brandend fosfor. We zagen een rood gordijn van dat spul over de velden langstrekken. Dat was heel griezelig. Eén bom is hier in de zijstraat gevallen, in de gang bij de achterburen. De bewoner daar zat net op de wc. Hij kon er niet uit omdat de bom niet was ontploft. Bij de minste of geringste beweging kon die toch nog ontploffen. De brandweer heeft die man heel voorzichtig bevrijd. Wij moesten daarvoor allemaal het huis uit.’

           

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

Christine: +31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892