Erfgoeddrager: Floris

‘Wa binne sy? Wie zijn dat? Vroeg ik in het Fries. Het waren mijn ouders.’

Het tweede deel van het interview.

 

 

Hoe bent u gaan onderduiken?
“De Duitsers kregen door waar de Joden woonden. Dat moest je zelf opgeven bij de Bevolkingsadministratie. Alle Joden moesten zich melden. Als je je niet ging melden, werd je opgepakt.  In mei 1943 hoorden wij dat er weer een razzia op komst was en zijn wij ‘s nachts het huis uit geslopen. Al onze spullen, banken en tafels, hadden we bij onze buren neergezet.  Het was ’s avonds altijd pikdonker maar juist die avond was het volle maan. Ik werd uit bed gehaald door de buurvrouw en toen naar de Graanstraat gebracht. Er waren allemaal van die overdekte portieken daar. Wij zijn van portiek naar portiek geslopen. En dat is gelukt. Eerst kwam ik, toen mijn moeder. Mijn moeder had een Jodenster op, want dat moest. Toen ze binnenkwam op het adres aan de Graanstraat liep er een man op haar af en trok de ster van haar af. Hij zei: ‘Die heb je niet meer nodig!'”

Wat deed u toen u ondergedoken zat?
“Ik  zat in Friesland. In het gezin was een jongen van mijn leeftijd, daarom was ik daar naartoe gebracht. Ik kon alles doen. Ik was daar niet als Joods kind ondergedoken. Ik kwam zogenaamd uit Rotterdam. Rotterdam was gebombardeerd en er waren veel kinderen die vluchteling waren. Ik nam gewoon deel aan het gezin. Ik ging mee naar de gereformeerde kerk en ik draaide mee op de boerderij. Ik verzorgde de dieren, er werden lammetjes geboren, dat was geweldig leuk en interessant. We hadden genoeg te eten: aardappels, kool en soms werd er een varken geslacht. Het dier werd in stukken gesneden en alle delen van het dier werden gebruikt.”

Hoe was het om onder te duiken?
“Het vervelendste was dat ik uit het gewone leven werd weggehaald en iets anders moest doen. Eerst miste ik mijn familie, maar al snel had ik het idee dat het nodig was. Dat het moest. Toen heb ik de knop omgedraaid. Ik dacht: ‘Niet zeuren, maar door.’ Het moeilijkste was de onzekerheid. Twee en een half jaar wist ik niets van mijn ouders. Mijn broer was met mijn moeder samen ondergedoken. Mijn vader was zeeman. In 1939 vertrok hij mee met de vloot naar Amerika. Mijn moeder en broer werden op hun onderduikadres gepakt en mij konden ze niet vinden. Zij zijn in Westerbork terecht gekomen. Omdat mijn vader zeeman was, konden zij uitgewisseld worden als Amerikanen. Ze zijn als vluchteling terechtgekomen in een interneringskamp in Noord- Afrika.”

Zaten er meer mensen ondergedoken waar u zat?
“De schuur en het huis zaten aan elkaar vast. In de schuur was een hooiberg. In een kast was een ruimte uitgehakt waar je je kon verstoppen. Er zaten meer mensen ondergedoken. Ook een jongen waar een van mijn pleegzussen verliefd op was, hij zat daar omdat hij niet in Duitsland wilde werken. Tijdens een huiszoekingen werden ze gesnapt door een Duitse patrouille, ik zag alles vanuit de bedstee. Mijn pleegmoeder werd toen ondervraagd. Ze had net koekjes gebakken. De officier nam alleen een koekje als zij eerst een koekje nam. Gelukkig zijn de onderduiker en het meisje niet gepakt. Later zijn ze getrouwd.”

Hoe heeft u de bevrijding meegemaakt en hereniging met de familie?
“Ik zat in Friesland en daar was de bevrijding in april. Dat heb ik intensief meegemaakt. Van mijn ouders wist ik toen niets, ze moesten me zoeken en het duurde wel even voor ik opgespoord was. In September 1945 gingen we naar de kapper. Er leek iets in de lucht te hangen. Toen we thuis kwamen, zaten daar een meneeer en mevrouw. “Wa binne sy?” vroeg ik. ‘Wie zijn dat?’ In het Fries. Het bleken mijn ouders te zijn. Mijn broer kwam later. Toen we bij ons huis kwamen, bleek het te zijn ingepikt door andere mensen. Toen mochten we in een ander huis waar een foute familie had gewoond.”

foto’s: Marieke Baljé

Erfgoeddrager: Floris

‘Die Duitsers stonden daar maar. Wij zijn gewoon doorgelopen.’

Ferd Böcker woont in de oorlog als 10-jarige jongen aan het Wielewaalplein. Naast indrukwekkende verhalen heeft Ferd ook mappen met oude officiële documenten, munten, bonnen, uitzettingsbevelen en zelfs radiomateriaal om zijn verhalen te ondersteunen.

Hoe heeft u het begin van de oorlog ervaren?
Het begon hier op 10 mei 1940 ’s ochtends al rond een uur of 5. Ik herinner mij prachtig weer, een strak blauwe lucht en het geronk van vliegtuigen. Als je uit het raam keek zag je niet alleen de vliegtuigen, maar ook kleine zwarte wolkjes in de lucht. Dat waren ontploffingen van de luchtdoelgranaten die op de vliegtuigen werden afgevuurd. Ik heb zelf nooit gezien dat er raak werd geschoten, maar er zijn er wel een paar neergehaald, zo hoorde ik later. Het luchtdoelgeschut was het enige dat goed voorbereid was in Den Haag. Achter onze buurt stonden allemaal mensen op de duinen te kijken, die vonden dat machtig mooi, maar ze wisten niet hoe gevaarlijk dat was. Mijn ouders vonden dat in ieder geval te gevaarlijk. Wij moesten met gegronde natte papierstroken, de ramen beplakken. Dit was tegen de glassplinters die rond zouden vliegen bij een bominslag.

Bent u weleens aangehouden door Duitse soldaten?
Het gekke is, als kind jonger dan 15 jaar oud hoefde ik me weinig zorgen te maken. We zijn altijd langs Duitse agenten heen gegaan. Samen met een vriend gingen we dan plekken bezoeken waarvan ik achteraf pas denk “dat was niet handig”. Zo zijn we een keertje over het joodse kerkhof geslopen vlak bij het Vredespaleis. Daar konden we namelijk zien dat Huize Kleykamp in brand stond. De ondergrondse had bij de Britten een gericht bombardement aangevraagd. In deze villa had de Duitse bezetter namelijk het centrale bevolkingsregister ondergebracht. Samen zijn we ook vesting Scheveningen ingegaan, wat was afgesloten in februari 1945. Op de Scheveningseweg stonden zwaar bewapende Duitse wachtposten. Omdat we hadden gehoord dat kinderen jonger dan 15 jaar misschien wel doorgang kregen zijn we toch gegaan. Die Duitsers stonden daar maar, wij zijn gewoon doorgelopen. Dat was voor het eerst in drie jaar dat ik de zee weer zag.

Wat is de ergste herinnering die u heeft?
Dat zijn de V2-raketten die in 1944 en 1945 werden afgeschoten. Die krengen werden niet ver hier vandaan gelanceerd. Onder andere bij het Gemeentemuseum vuurden ze die af. Telkens werden ze vanaf een andere locatie afgeschoten. De Engelsen en Amerikanen probeerden ze wel aan te vallen, maar die mobiele installaties werden steeds verplaatst. De lanceringen van V2-raketten mislukten herhaaldelijk. Op nieuwjaarsdag 1945 hebben we er één op afstand zien mis gaan. Die schoot omhoog zoals je ook bij moderne lanceringen ziet, alleen week hij af, slingerde en viel zomaar op een huizenblok bij de Indigostraat en Kamperfoeliestraat. Toen ik op de Waldeck Pyrmontkade in de tuin bezig was zag ik er heel dichtbij één langs komen. Een donderend geluid en ik schat dat die vliegende sigaar, want daar leken ze nog het meest op, na honderd meter begon te zwiepen en daarna kantelde. Toen zat ik wel in de piepzak, ik deed het bijna in mijn broek. Die sloeg uiteindelijk in op de Westduinweg.

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

Christine: +31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892