Erfgoeddrager: Youssra

‘Mijn zus was verliefd op onze Joodse buurjongen’

Op de fiets gaan Kristan Finn en Youssra van de Twiskeschool naar het Duindoornplein in Amsterdam-Noord. Aan dit prachtige pleintje woont Riet de Groot al heel haar leven. Tijdens de oorlog woonde ze twee deuren verderop. Als iemand iets over de oorlog in deze buurt kan vertellen, is het wel mevrouw De Groot.

Hoe oud was u toen de oorlog begon?
‘Ik was 7 jaar, had een broertje van 4 en mijn zus was 12 jaar. Ook al was ik jong, ik weet me nog veel te herinneren. Het was een verschrikkelijke tijd. Door de bombardementen op Noord lagen veel plekken onder het puin. En het was gevaarlijk om op straat te lopen. Ik zwom vaak in het Floraparkbad, dat nu het Noorderparkbad heet. Destijds zwommen jongens en meisjes nog gescheiden, maar nu niet meer. Wij moesten vaak het bad uit omdat het luchtalarm afging en dan schuilden we in een schuilkelder bij de Dr. Kuiperschool, bij het Mosveld.’

Heeft u ook honger gehad?
‘In de Hongerwinter was er een gaarkeuken waar je voedsel kon halen. Je mocht maar één bord eten per persoon. We hadden zoveel honger dat we soms met een lepeltje de lege pannen in doken om de restjes van de bodem te schrapen. Eigenlijk mag de buurman dit niet weten, maar we hadden zo’n honger dat we de kat van de buren hebben opgegeten.Sindsdien gooi ik nooit, echt nooit, eten weg. Zelfs oud brood geef ik liever aan de eendjes dan dat ik het weggooi.’

Waar denkt u nog vaak aan?
‘In ons huis was een man ondergedoken die, toen de Duitsers kwamen, net op tijd kon wegkomen. Dat lukte omdat we een teken, een soort code, hadden afgesproken bij gevaar, waardoor hij op tijd wist te ontsnappen. Hij sprong uit het raam en rende door de achtertuin en de tuinen erachter weg. Mijn zus was verliefd op de overbuurjongen, een Joodse jongen. Ze praatten met elkaar vanaf de balkons. Op een dag was er een razzia. Die jongen was zo in paniek dat hij van de eerste verdieping naar beneden sprong. Daardoor brak hij zijn beide benen. Hij is opgepakt en meegenomen. We hebben hem nooit meer teruggezien. Wat ik ook niet zal vergeten is dat we alle bomen kapten en overal hout vandaan probeerden te halen om de houtkachel mee te stoken. In de winter leefden we met zijn allen in de keuken rondom de houtkachel zodat we maar één ruimte hoefden te verwarmen. Ik denk dat mensen nu meer op zichzelf zijn. Toen hielp iedereen elkaar en leefden we erg met elkaar mee. Maar ook in die tijd waren er mensen die slechte bedoelingen hadden, zoals de keer dat een vies mannetje aan mijn benen zat toen ik in de rij stond voor de gaarkeuken. Ik ben weggerend en durfde het niet aan mijn moeder te vertellen.’

Erfgoeddrager: Youssra

‘Het regende granaatscherven’

John Geelof was pas 4 jaar oud toen de oorlog begon, maar wist nog ontzettend veel te vertellen. Tycho, Youssra en Zaki van basisschool De Klimop bezochten hem in zijn huis. Hij had een PowerPointpresentatie voor ze gemaakt en hij had ook veel spullen van vroeger om te laten zien, zoals bonnenboekjes waar de mensen eten op moesten halen, verzetskranten en een granaatscherf. De kinderen vonden dat bijzonder.

Hoe komt u aan deze granaatscherf?
‘Hier in Noord is een aantal bombardementen geweest. De geallieerden wilden de Fokker-fabriek bij de Papaverweg verwoesten. De Duitsers zaten natuurlijk niet geduldig te wachten tot de Amerikaanse of Engelse vliegtuigen klaar waren met bommen werpen, nee die schoten meteen terug met granaten. Zo zijn er een paar scherven bij ons in de tuin terechtgekomen. We mochten dan ook niet buiten zijn, want het regende granaatscherven. Als kleine jongetjes zochten wij daarna altijd naar de grootste scherven. Ik had een hele grote, die is helaas kwijtgeraakt, gelukkig heb ik deze kleinere nog.’

Hoe wist u dat de oorlog was begonnen?
‘Een paar jaar voor de oorlog werd mijn vader opgeroepen voor het Nederlands leger. Eén keer in de maand mocht hij een paar uur naar huis. Dat was natuurlijk heel vervelend voor ons. Aan het begin van de oorlog is mijn vader overgeplaatst naar een vliegveld hier in Amsterdam-Noord. Dat vliegveld bestaat nu niet meer, nu staan daar huizen. Het was een klein vliegveldje, bedoeld voor zweefvliegtuigjes. Ik kan mij nog goed herinneren dat er midden in de nacht bij ons heel hard op de deur werd gebonsd. Mijn moeder zei nog: “Daar zijn de Duitsers, ik doe niet open.” Wij hadden een voordeur met glas aan de bovenkant en als ik op de trap stond, zag ik de grote donkere helmen van de mannen aan onze deur. Wat bleek, stond mijn vader daar met twee soldaten. Hij was net overgeplaatst naar het vliegveldje en kwam een paar uurtjes thuis slapen. Beneden hij had zijn spullen neergelegd, waaronder zijn pistool. Net toen hij beneden kwam, was ik een dingetje met een touwtje eraan goed aan het bestuderen. Toen kreeg ik een klap voor mijn kop. Bleek het een handgranaat te zijn. Ja wist ik veel, ik was 4 jaar.’


Hoe komt u aan de verzetskranten?

‘Tijdens de oorlog zat mijn vader in het verzet. Hij schreef voor de geheime krant Paraat. Ook smokkelde hij wel eens wapens. Zo stond hij een keer in de tram met een tas vol wapens toen de Duitsers de tram stopten en de mensen kwamen controleren. Hij dacht: “Nou ben ik er geweest met mijn tas vol wapens.” Gelukkig sprak hij een aardig woordje Duits. Hij zei tegen de soldaten dat het schandalig was dat de tram werd gestopt. Hij vertelde dat hij onderweg was naar het hoofdkantoor van de Duitse legerleiding en zo zou hij nooit op tijd komen. “Je houdt mij hier op in de tram!”, zei hij. De Duitsers trapten erin en lieten hem zonder te controleren gaan. Daar was mijn vader mooi op het nippertje ontsnapt.’

           

Social Media


Meer zien van onze programma's en op de hoogte blijven van het laatste nieuws?
Volg ons op social media:

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

+31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892