Erfgoeddrager: Viggo

‘Mijn vader dook dan onder in Durgerdam’

Gré Arkenbout was 8 jaar toen de oorlog uitbrak. Ze woonde toen nog in de Indische buurt, maar nu woont ze in een knus huis aan de Lijzijde in Amsterdam-Noord. Maartje, Nethanja, Tim en Viggo van de Twiskeschool hebben zich erg goed voorbereid op het interview. Alle vragen zijn uitgeschreven en de rollen verdeeld: twee ‘hoofd-interviewers’ en twee ‘doorvragers’.

Hoe kwam u erachter dat de oorlog begon?
‘Nou, er waren al wel tekenen. We waren vaak bij mijn vier grootouders in Durgerdam, in landelijk Noord. En al wist ik niet precies waar ze met elkaar over praatten, ik begreep wel dat het met de oorlog te maken had. Op de dag dat de oorlog uitbrak, stond de radio aan. Dat was geen radio zoals je die nu hebt, je had toen de draadomroep met drie stations waar je naar kon luisteren. Het was ’s ochtend heel erg vroeg en ik hoorde op de draadomroep praten over vijandelijke vliegtuigen. Nou, dat klonk heel luguber. Ik kan me de woorden niet precies meer herinneren, maar ik weet wel dat mijn vader bij de tafel stond. Hij was nog niet aangekleed. En mijn moeder huilde. Dat maakte een vreselijke indruk op mij. En dan is het oorlog.’

Wanneer was u het meest bang in de oorlog?
‘’s Nachts als je vliegtuigen hoorde, dan was je wel een beetje bang. Als het luchtalarm afging bijvoorbeeld, dat was erg spannend, dat weet ik nog goed. Ook was ik een keer toevallig met mijn vader op de fiets in Noord op de Meeuwenlaan. Daar stond vroeger een apotheek. We waren er net langsgereden op weg naar mijn grootouders in Durgerdam. En toen zijn die bommen daar gevallen. En dat is wel heel eng als je daar net voorbij bent gefietst.’

Kon u uw verjaardag vieren in de oorlog?
‘Hmm ja… ik ben op een moeilijke dag jarig, op 26 februari jarig. En misschien weten jullie van de Februaristaking, dat gebeurde min of meer op 25 en 26 februari. Toen reden er door onze straat motoren met zijspan, met Duitse militairen erin en geweren. Dat is iets wat je nooit vergeet. Ze reden rondjes door de wijk, terwijl wij binnen zaten voor mijn verjaardag.’

Hoe kwam u erachter dat de bezetting voorbij was?
‘Dat hoorde je natuurlijk wel. Ik liep met mijn vader over de pont. Mijn vader had een colbertje aan en met aan de binnenkant twee vlaggetjes: rood, wit en blauw. Die kon je nog niet op doen want het was toen nog niet officieel vrede. Maar iedereen hoopte dat die wel heel gauw zou komen. En later, het was op diezelfde dag, kon mijn vader die vlaggetjes wel op doen. Dat herinner ik me nog heel goed.’

Bent u of zijn familieleden van u in gevaar geweest?
‘Eigenlijk was er altijd gevaar. Mijn vader is twee keer bang geweest voor razzia’s. Hij ging dan onderduiken bij mijn grootmoeder. Die hadden in Durgerdam een boerderij met een hooiberg waarin hij zich kon verstoppen. Ik denk dat hij daar dan wel twee of drie nachten bleef. Het was ook gevaarlijk omdat je altijd over de pont moest, waar altijd controle was. De Duitsers namen graag je eten in. Mijn grootouders hadden een paar koeien, dus we beschikten over melk, wat uitzonderlijk was in die tijd. Mijn moeder had een grote jas waar ze zakken in had gestikt. Zij liep dan helemaal van Oost over de pont naar Durgerdam in Noord. Er was in die tijd geen vervoer meer, dus de ponten lagen tegen elkaar zodat je er overheen kon lopen. Mijn moeder had vier flessen melk in haar jas verborgen. En zo kwam ze weer lopend over de pont terug, met nog een tasje in haar hand waar nog een paar andere dingen in zaten uit de tuin. Daar keken de Duitsers wel naar, maar toch lieten ze haar doorlopen. Mijn vader werd wel gecontroleerd. In Durgerdam hadden ze een kalf geslacht en mijn vader kwam met wat vlees in zijn fietstas bij de pont, op een fiets met massieve banden. Hij had zijn fietstassen met loof van bietjes gecamoufleerd. Toch werd hij aangehouden. “Nou ben ik erbij”, dacht ie. Op de vraag wat er in zijn fietstassen zat zei hij eerlijk: “Een half kalf!” Ze dachten dat hij een grapje maakte en hij mocht doorlopen.’

 

Erfgoeddrager: Viggo

‘Vader bleef maar doortrappen’

Koen, Viggo en Kees van basisschool De Weidevogel wonen alle drie in Durgerdam op de dijk. Daar woont ook al 55 jaar Waling van Wijngaarden. Dat is meteen al leuk: een buurman interviewen! Tijdens de oorlog was meneer Van Wijngaarden wel jong, maar sommige dingen herinnert hij zich nog goed. Hij woonde in die tijd in de Indische buurt. Dat was nog een vrij nieuwe buurt, vlakbij een park en bij het water.

Had u het door dat het oorlog was?
‘Nou, dat kan haast niet want ik was nog zo jong. Maar ik kan me nog heel flauw herinneren dat ik vliegtuiggeronk hoorde en ook het schieten. Het was een beetje eng allemaal. Ik heb later van mijn broers gehoord dat bij ons thuis in de keuken altijd een tas met broodjes en kleding klaarstond. Dat was voor als er een bom op het huis zou vallen, dan konden we meteen weg. Maar dat is gelukkig nooit gebeurd.’

Woonde er ook NSB’ ers bij u in de buurt?
‘Bij sommige buren hingen posters voor het raam, en vlaggen met hakenkruisen. Die waren van de NSB. Naast ons woonde een NSB-familie. Met hun zoon speelde ik wel. Pietje Goudriaan heette ‘ie. Het was geen onaardige jongen, hoor. Hij liep aldoor in een zwart uniform want hij zat bij de Jeugdstorm. Ik had weleens een beetje ruzie met hem. Aan de achterkant van onze huizen hadden we een balkon en als ik weer eens kwaad op hem was, riep hij over die balkons: “Wat is er Waling, wat is er?” En dan riep ik terug: “Dat zwarte pak dat je aan hebt, dat stinkt. Dat vind ik een vies uniform. En jullie hebben een rot Hitler-vlag.” Dat zei ik en ging weer naar binnen. Ik reageerde mijn boosheid een beetje op hem af.’

Werden er ook mensen die u kende door de Duitsers afgevoerd?
‘Dat gebeurde meestal ’s nachts. Op de hoek van onze straat zat een drukkerij, Rotgans heetten die mensen. Ze hadden zoons met wie ik wel eens speelde. Die mensen waren ineens afgevoerd. Alles wat van waarde was in die drukkerij hebben ze toen geroofd.’

U hebt tijdens de oorlog ook nog in Wierden gewoond. Hoe kwam u daar terecht?
‘Op een gegeven moment ging het een stuk slechter in Nederland. We hadden niet meer zoveel te eten. De christelijke school waar ik op zat, de Derde Elthetoschool, regelde dat je kon worden geplaatst bij een gastgezin in de provincie om aan te sterken. Zo kwamen wij terecht bij de familie Ter Haar uit Wierden, dat is in Overijssel. Alleen moest je er zelf zien te komen. Eerst bracht mijn vader mijn oudere zus erheen, op de fiets. En begin 1943 gingen ook ik en mijn broer Hessel naar Wierden. Wij waren inmiddels 5 en 6 jaar oud. We gingen op de fiets bij mijn vader, die was oersterk, één voorop en één achterop. Mijn moeder had als proviand, pannenkoeken gebakken en water mee gegeven. Onderweg zagen we overal Duitse soldaten, bij het luchtafweergeschut, bij bruggen en rivieren…het was voor ons een avontuur. Onderweg vielen we in slaap, maar vader bleef maar doortrappen. Onvermoeibaar leek het. Na een paar dagen kwamen we aan in Wierden, op de Almelose Straatweg, het nummer ben ik vergeten. Daar werden we hartelijk ontvangen door de boerenfamilie Ter Haar. De vader van het gezin noemde ik opa. Hun twee zonen, Jan en Henk, waren een stuk ouder dan ik. Op de boerderij woonde ook dochter Dine en haar man Mans, en natuurlijk mijn eigen zus Gerrie. Opa werkte op de boerderij aan de overkant als boerenknecht. Ik werd liefdevol opgenomen in de familie, maar had aan het begin wel vreselijke heimwee. Ik had daar gelukkig wel veel vriendjes en ging ook gewoon naar school. Graag speelde ik bij op de boerderij aan de overkant. Het was een fijne tijd. Mijn broer Hessel zat bij de familie Lozeman die ook in Wierden woonde, maar dan helemaal aan de andere kant van het dorp. Ik zag hem niet vaak. Wel drie jaar heb ik bij die familie gewoond. Ik heb ook altijd contact met ze gehouden.’

Bent u ooit gevlucht voor de Duitsers?
‘In april 1945, ik was intussen 7 jaar en zat nog altijd bij de familie Ter Haar, stond ik met Henk voor het huis. We voelden dat er wat broeide. Opeens stopte een Duitse legerwagen bij ons en stapten er Duitse soldaten uit. Ze begonnen in de voortuin schuttersputten te graven. Dat deden ze ook bij de andere woningen aan de overkant. Het huis stond midden in het frontgebied. De Wehrmacht bezette de voorkant van de woning, dat was een soort erker, en plaatste er mitrailleurs. Wij moesten drie dagen en nachten een schuilkelder in. Die schuilkelder was in de wekkelder, die lag een paar meter onder de grond. Vroeger hadden de mensen nog geen koelkasten, en daarom stopten ze de groente en fruit in wekpotten en zetten die dan luchtdicht in de wekkelder. Zo konden ze in de winter ook groente en fruit eten. Van die kelder had de familie Ter Haar een schuilkelder gemaakt. Om de kelder lagen nog zakken zand als kogelvangers. Ik heb doodsangsten uitgestaan. We schuilden daar met vijf personen, ook de buren zaten er met z’n drieën. Er werd zwaar geschut in stelling gebracht, hoorde ik opa zeggen. Je kon stiekem kijken, maar eigenlijk mocht dat niet. Toen begon het… De hel brak los. Mitrailleurvuur uit het voorhuis en langs de Rijkstraatweg. Nog hoor ik de kogels fluiten en inslaan. Ik heb doodsangsten uitgestaan. Tijdens een frontpauze wilde de buurman even naar zijn huis. Opa raadde het hem nog af, maar hij ging toch. Buiten ontplofte er een mortiergranaat. De buurman was op slag dood.’

         

Social Media


Meer zien van onze programma's en op de hoogte blijven van het laatste nieuws?
Volg ons op social media:

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

+31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892