Erfgoeddrager: Thijs

‘Alles bij ons thuis werd ondersteboven gehaald, maar ze vonden niets’

De zussen Jeanette en Mieke Reinders woonden tijdens de oorlog aan de Jan van Scorelkade in Alkmaar. Hun vader zat bij het verzet en dat vonden ze toen heel gewoon. Hij heeft dappere dingen gedaan, maar toen wisten ze dat niet. Nu vertellen ze wat ze weten aan Jason, Bradley en Thijs van de 1e Montessorischool. Onder andere over de verschrikkelijke tijd toen hun vader was opgepakt en over hoe ze de buurt in de oorlog beleefden.

Wat deed jullie vader in de oorlog?
Mieke: ‘Hij werkte op het postkantoor. Daar had hij een speciale stempel om paspoorten te vervalsen. Op een gegeven moment werd hij gewaarschuwd door de ondergrondse; ze zeiden dat hij snel alle stempels die hij had kwijt moest raken. En toen kwamen de Duitsers. Alles bij ons thuis werd ondersteboven gehaald, maar ze vonden niets. Omdat degene die hem verraden had zeker wist dat hij die stempels had, werd hij toch opgepakt. Hij werd op de trein naar Amsterdam gezet. Daar kwam hij met zeven mensen in een cel die voor twee bedoeld was.
Toen mijn vaders assistente, die met een Duitser getrouwd was, terugkwam van vakantie, vroeg ze ons wat er was gebeurd. Vervolgens is ze naar Amsterdam gegaan om hem te zoeken. Toen bleek dat hij al naar Duitsland was overgebracht. Mijn moeder wilde naar hem toe, maar wist niet hoe. De assistente stelde voor om samen te gaan. Eenmaal daar heeft zij verteld dat hij geen stempels om paspoorten te vervalsen had. Daardoor, en omdat haar man Duits was, lieten zij vader vrij. Kort daarna werd zij zelf in Alkmaar opgepakt, omdat zij onze vader had geholpen. Toen is mijn vader heel boos geworden en naar de gevangenis in Alkmaar gegaan. Door zijn verhaal over haar goede daden is ze vrijgelaten. Ze heeft mij daarna een ringetje gegeven, als symbool voor vrijheid. Dat was mijn eerste ringetje. Ik heb het nooit meer afgedaan.’

Wanneer wisten jullie dat jullie vader in het verzet zat?
Jeanette:Eigenlijk ging het niet om erachter komen, het was gewoon zo, dat was ons leven. Maar als kind wisten we echt zeker dat er iets was toen hij terugkwam uit de gevangenis. Hij zag er zo toegetakeld uit. We schrokken ervan. Vader was tijdens het verhoor door de Gestapo zo zenuwachtig dat hij veel op de houten knoop van zijn jasje beet; dan wist je dus al wel dat hij iets deed wat gevaarlijk was.  Dat knoopje hebben we nog. Miekes dochter Wendelmoed heeft er een hanger van laten maken. Met prikkeldraad eromheen en een vredesduifje in het midden als teken van vrijheid. Zo heeft ze opa altijd bij zich.’

Luisterden jullie naar de radio in de oorlog?
Mieke:Mijn vader luisterde naar de radio. Die verstopte hij in een luik, onder het zeilen vloerdek, naast de kachel. Als de radio in het stopcontact moest, hing mijn moeder er een rok overheen zodat het niet meer goed te zien was. De radio werd altijd best wel warm en dat vond onze kat een fijne plek om te gaan liggen. Voor ons handig, want dan was de radio nog beter bedekt! Later zijn we gestopt met het luisteren naar de radio, want we hoorden dat de Duitsers een manier hadden om te weten te komen dat mensen naar de radio luisterden.’

Was het een leuke buurt waar jullie woonden?
Jeanette:Ja, maar tijdens de oorlog was het dus ook beangstigend. Achter ons huis was bijvoorbeeld een huisje met krijgsgevangenen. En onze buurman is tijdens de oorlog naar Duitsland gegaan om te werken en heeft het niet overleefd. Een paar deuren verder in onze straat zat ook een NSB’er die na de oorlog is opgepakt. Volgens vader ging dat niet echt op een nette manier.’

        

Erfgoeddrager: Thijs

‘Volgens het Surinaamse voetbalteam was ik geen Surinamer’

De 74-jarige Erick Gast woonde de eerste tien jaar van zijn leven in Paramaribo. Daar ging hij naar een strenge katholieke school met Nederlandse nonnen en paters. Op zijn tiende verjaardag vertrok hij samen met zijn broer naar Amsterdam met de boot. Aan Gwen, Thijs en Matis van het Montessori Lyceum Amsterdam vertelt hij over zijn leven.

Hoe was het om in Suriname op te groeien?
‘Het was een leuke tijd. Met vriendjes ging ik vaak zwemmen en voetballen. Ik zat op een betaalde, katholieke school, waar we les kregen van Nederlandse nonnen en paters uit Nederlandse boeken. We moesten de Waddeneilanden opratelen en de Nederlandse geschiedenis leren. Een Surinaamse lerares vertelde ons soms stiekem over de slavernij; dat mocht eigenlijk niet. Als kind stond je er niet bij stil dat Suriname een kolonie was. Het was een vrij strenge school. Je droeg een uniform en dat moest pico bello zijn. Je nagels werden elke dag bekeken en als je een zwart randje had, kreeg je een harde tik op je vingers. Had je een vlek op je kleding, dan moest je een uur op je knieën zitten. Nee, het was niet mals. Met vriendjes op straat sprak ik Surinaams, maar thuis en op school waren we verplicht Nederlands te praten. Dat was wel handig toen ik naar Amsterdam kwam.’

Vond u de stap van Suriname naar Nederland groot?
‘Nee, de overgang was heel makkelijk. Het was niet heel anders dan in Suriname. Ik vertrok op mijn tiende verjaardag met de boot; de reis duurde zeventien dagen. Mijn broer en ik waren de enige twee kinderen aan boord. We gingen bij mijn vader, stiefmoeder en stiefvader aan de Mauvestraat wonen. Toen we aankwamen, werden we zingend ontvangen met het liedje ‘Bruine bonen met rijst’. Dat was heel leuk, want dat liedje kenden we uit Suriname. Mijn ouders waren gescheiden en mijn vader was naar Amsterdam gekomen om werk te zoeken als filmprogrammeur in de bioscoop, wat hij in Suriname ook had gedaan. Maar bij Tuschinski mocht hij alleen in zo’n apenpakkie voor de deur staan. Daar begon ie niet aan. Toen heeft hij een cursus als lasser gedaan en kon hij bij de NDSM-werf aan de slag. Daarna heeft hij ons over laten komen. Hij woonde met mijn stiefvader en -moeder in de Mauvestraat. Zij had dus twee mannen; haar eigen man was in de oorlog gecastreerd en toen kwam ze mijn vader tegen. Heel bijzonder, maar we hadden het prima samen. Wij woonden goed, maar in die tijd was het in De Pijp armoe troef. We waren de enige gekleurden in Zuid in de jaren vijftig, dus als ik met mijn broer kattenkwaad uithaalde, wisten ze ons altijd wel te vinden. Ik ging naar het Montessori Lyceum aan de Karel du Jardinstraat, maar dat was een vrij racistische school. Er zaten allemaal kinderen van elitaire mensen als advocaten en artsen op. De kinderen mochten alles zeggen en de leraren zeiden er niets van. Als iemand gemeen tegen me deed, had mijn stiefmoeder gezegd, moest ik hem in elkaar slaan. Dus dat deed ik. Op een dag kwam ze naar school om de lerares flink onder handen te nemen. Daarna ben ik naar de Oranjeschool in de Tolstraat gegaan; dat was een toffe school. Ik heb verder nog maar één keer racisme meegemaakt. Ik voetbalde met de blanke jongens bij Neerlandia. De tegenpartij, een Surinaams voetbalelftal, schold me uit omdat ik volgens hen geen Surinamer was.

Bent u nog weleens terug geweest in Suriname?
‘Nee. Suriname zegt me nog weinig, ik heb daar niets meer te zoeken. Ik had het mijn vader ook beloofd Die zei: “Mensen daar kunnen je niet verdragen, omdat je het zo goed hebt in Nederland.” En dat had ik. Hier heeft iedereen me altijd goed geholpen. Na twee jaar als automonteur, solliciteerde ik bij Peek & Cloppenburg als kledingmaker. Overdag werken en ‘s avonds naar school, zes jaar lang. Ik heb drie kleermakerijen in de Gerard Doustraat gehad. Ook maakte ik kleding voor theater- en televisieproducties. Ik ben er nog dagelijks mee bezig; momenteel ontwerp ik schoenen. Ik heb veel te danken ook aan de voetbalclub Arsenal, waar ik tot mijn 68e gespeeld heb. Gedragsnormen en discipline werden me daar bijgebracht. Ik ben nog steeds aan de club verbonden, het is mijn lust en mijn leven. Ik heb een goed leven hier. Ik heb drie vriendinnen, een Nederlandse, een Surinaamse en een Noorse. Al 25 jaar ga ik naar Noorwegen op vakantie. Dat land is zo top, met zulke behulpzame mensen. Als ik een miljoen win, zou ik er meteen gaan wonen. Maar Nederland is ook prachtig hoor.’

           

Erfgoeddrager: Thijs

‘Als kind ben je bang en je voelt ook dat je ouders bang zijn’

Ans Steenman beleefde als klein kind de oorlog en heeft nog veel materiaal bewaard. Wende, Liselotte, Roemer en Thijs van de Bos en Vaartschool mochten de spullen inzien.

Wat kan u zich van de oorlog herinneren?
‘De oorlog was een nare, angstige tijd. Ik herinner me het luchtalarm, mijn moeder was in paniek. Mijn moeder had een kinderwagen voor mijn broertje. Op de bodem zat een vak voor luiers. Daar bewaarde ze alle waardevolle papieren. Als we moesten vluchten zat daar alles in.
Aan de overkant woonde mevrouw Kerkhof, een oude dame. Ik heb gezien dat ze werd opgehaald met een overvalwagen. Er werden nog anderen uit haar huis meegenomen, onderduikers of familie. Ze hebben de oorlog niet overleefd.

Ik heb nog het vervalste identiteitsbewijs van mijn vader. Mijn vader is geboren in 1907, maar als je goed kijkt zie je dat er nu staat 1897. Dat heeft zijn broer gedaan. Die vervalste papieren. Hierdoor leek mijn vader op papier ouder en zou hij niet opgepakt worden bij de razzia’s.’

Heeft u iets spannends meegemaakt?
‘Een keer stond mijn moeder te kletsen met een buurvrouw. We stonden bij het Bullehofje. Er kwamen Duitse soldaten aan. Ze zeiden tegen mijn moeder: ‘Uw man is nog niet jarig’. Heel stoer zei mijn moeder dat haar man veel te oud was om in Duitsland te werken. ‘Dat zullen we nog wel zien’. De soldaat ging voorop naar ons huis. Met de schrik in de benen ging mijn moeder naar huis, met mij aan de hand.
Intussen zag mijn vader thuis door het raam alleen de buurvrouw staan. Hij dacht: ‘Daar ga ik een grap mee uithalen’. Hij pakte een wandelstok en zette een oud brilletje op. Hij was al kaal. Hij had een stoppelbaard omdat hij geen zeep had om zich te scheren. De Duitse soldaat belde aan en mijn vader deed als een oud mannetje de deur open. De soldaat keek hem aan en zei, ‘Er ist zu alt’en weg was hij! Wat waren we opgelucht!’

Hoe was voor u de hongerwinter?
‘Ik herinner me het verduisteren van de ramen met zwart papier. We vierden Oud en Nieuw met een restje waxinelichtje. We hadden het koud en lagen onder de dekens met onze jassen erop. We aten suikerbieten en tulpenbollen, die vond ik vies. We gingen naar de gaarkeuken op de Herenvest en bij de Franciscusschool.
Twee keer per week gingen we naar de Haarlemmermeer. We ruilden lakens voor tarwe en brood. Eén keer hadden we een zak tarwe dichtgeknoopt op tafel gezet. ‘s Nachts hadden de muizen eraan geknaagd… Zo erg! Via de kerk kreeg mijn moeder een zwart rouwkleed. Daar maakte ze voor mij een matrozenpakje van. De stof was hard en het zat niet lekker.’

Hoe heeft u de bevrijding gevierd?
‘Ik herinner me de voedseldropping. Dat Zweedse wittebrood was nog lekkerder dan taart. We hosten door de straten in rokjes van rood, wit, blauw crêpepapier. We deden spelletjes en er was muziek op straat. Op de Lange Herenvest zagen we de Canadezen. Maar op de Verwulft zag ik hoe een meisje werd kaalgeknipt en ze met rode menie een hakenkruis op haar hoofd maakten.’

 

Erfgoeddrager: Thijs

‘Mijn vader vervoerde op zijn bakfiets wapens’

Yenna, Suus en Thijs van basisschool ‘t Hunnighouwersgat reden met de moeder van Yenna naar zorgcentrum De Stilen in West-Terschelling. Daar werden ze heel hartelijk ontvangen door Edy van Sijp (1937). Eerst wat lekkers en iets te drinken voordat ze losbarstten met hun vragen. Mevrouw Van Sijp woonde tijdens de oorlog in Amsterdam. Haar vader en moeder hadden een kruidenierszaak in Kattenburgstraat in Oost.

Hoe verliep de oorlog voor u?
‘In Amsterdam hadden we vooral tegen het einde van de oorlog haast geen eten. Mijn zus en ik hebben nog geprobeerd om met een karretje eten te halen bij de boeren rond Amsterdam. De sfeer was naar en grimmig, de Duitsers waren heel streng, Omdat de situatie steeds slechter werd, zijn mijn zusje en ik door buurtschipper Bosch naar Terschelling gebracht. Samen met nog zo’n vijftig kinderen zaten we op de boot. De andere kinderen werden bij pleeggezinnen ondergebracht, maar wij hadden veel familie op Terschelling en gingen bij een tante wonen. We namen wel iets vervelends mee uit Amsterdam… De hoofden van mij en mijn zusje zaten onder de luizen en binnen korte tijd had iedereen van het gezin luizen. Het heeft mijn tante heel wat uren kammen gekost om ze te verwijderen.’

Kende u mensen die in het verzet zaten?
‘Mijn vader zat in het verzet, de ondergrondse noemden ze dat. Met zijn kruideniersbakfiets vervoerde hij wapens naar de kerk. Hij zette mij in de bakfiets zodat hij niet zo snel zou worden aangehouden. Mijn vader kreeg ook de bonnen die de ondergrondse van de Duitsers had gestolen. Bonnen voor melk, aardappelen en brood. Omdat er haast geen eten was, ging alles op de bon. Deze bonnen werden uitgeknipt en op vellen geplakt zodat elk gezin een vel had met bonnen voor eten. Op een dag kreeg mijn vader een klant die veel dezelfde bonnen had. Dat kon nooit. Hij nam haar mee naar achteren en zei: “Jij hebt Joodse onderduikers in huis”. De vrouw werd lijkbleek. Mijn vader vertelde haar dat ze voor hem niet bang hoefde te zijn, maar dat ze nooit meer met zoveel bonnen moest rondlopen. Straks stond er een NSB’er in de winkel en zou ze worden verraden… Vanaf die dag gooide mijn vader elke avond stiekem eten in de tuin. Dan hoefde die vrouw niet meer overdag met al dat eten over straat.’

Wat heeft het meeste indruk gemaakt op u?
‘Het verhaal over onze buren. Zij hadden een fourniturenwinkel. Mijn vader had ze al een paar keer gevraagd of zij misschien iets hadden waarmee hij schoenen kon maken voor ons. Maar ze antwoordden telkens dat ze niets hadden voor ons. Ik heb toen maar schoenen van klossen hout gemaakt, met bandjes van een leren tas. Vanwege gevaar van bombardementen hadden de Duitsers de buren gezegd dat ze hun huis moesten verlaten. Toen ze vertrokken waren, ben ik stiekem in hun huis gaan kijken. Op de vliering vond ik allemaal spullen: luiers, kinderkleren, sokken, gordijnen en nog heel veel meer. Al die spullen bewaarden ze voor na de oorlog, voor de zwarte handel. Mijn ouders hebben nog diezelfde avond alles naar ons huis verhuisd. Na de oorlog had half Kattenburg nieuwe vitrage want die deelde mijn vader uit. Ook heeft hij een vrouw die een kindje kreeg, een uitzet gegeven voor de baby.’

 

Erfgoeddrager: Thijs

‘Er was niet zo veel te hobbyen in de oorlog’

Na haar introductieles op school over de twee evacuaties die Wageningen heeft meegemaakt, gaan Cristina, Thijs, Damian en Noor op bezoek bij Mia Wigman. Eenmaal boven in het Belmonte zien ze het mooie uitzicht. Mevrouw Wigman vertelt dat je bij helder weer zelfs Duitsland kan zien. Dan is het tijd voor het interview: ‘Jongens, je gaat je gang maar. Ik ben vandaag het slachtoffer. Spannend, hartstikke spannend.’

Heeft u na de oorlog nog een hondje gehad?
‘Meteen na de bevrijding niet, toen was er helemaal geen hondenvoer. Toen dat er wel weer was, heb ik natuurlijk altijd een hond gehad, maar nu niet meer want een hond hoort niet op een flat, een hond moet kunnen rennen.’

Hoe was de hygiëne in de oorlog?
‘Nou, in 1939 was hygiëne natuurlijk überhaupt anders dan nu. ’s Avonds deed je je plas op een po en daar deed niemand raar over. Tijdens de oorlog waren we heel zuinig met alles. Als we restjes zeep hadden, knoopte je een netje van touw en dan stopte je de restjes daarin. Die zuinigheid heb ik nooit meer afgeleerd. Uiteindelijk was er echt geen zeep meer.Toen gebruikten we klei om onze handen te wassen en ook om onze schoenen te poetsen.’

Had u ook een hobby tijdens de oorlog?
‘Padvinderij, melk halen op mijn fiets en schoenen poetsen. Er was niet zo veel te hobbyen. We moesten vooral veel meehelpen. Ik tekende en schilderde ook al graag. Ik weet nog goed dat we in 1944 Sinterklaas vierden met gedichten en gekke dingen. De Slag om Arnhem was al voorbij en de Duitsers waren hier nog wel de baas maar aan de overkant niet meer. Als cadeautje voor mijn vader had ik al in oktober een van zijn sigaren achterovergedrukt en ingepakt. Als jongste kreeg ik een nieuw schetsboek, geen idee hoe ze daaraan kwamen. Ik krijg het er nog steeds warm als ik eraan terugdenk.’

Als u het kon, wat zou u aan de wereld verbeteren?
‘Jeetje wat een dikke vragen hebben jullie. Verbeter de wereld begin bij jezelf en niet pesten. Denk goed over jezelf na, of de dingen die je doet ook kloppen. Waarom gooien mensen een blikje op de grond? Kieper het maar van je af! Andere mensen, vrijwilligers moeten het weer gaan opruimen. Kijk naar het jeugdjournaal en kijk wat daar fout gaat, de discriminatie; ik weet het allemaal en die ander heeft het fout. Dat is niet zo. Iedereen heeft zijn eigen gelijk en daar moet je goed naar kijken. Je mag soms wel stout zijn, maar niet gemeen, dat is ontzettend belangrijk.’

             

Social Media


Meer zien van onze programma's en op de hoogte blijven van het laatste nieuws?
Volg ons op social media:

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

+31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892