Erfgoeddrager: Teun

‘We dachten dat het vuurwerk was, voor de lol, voor de mooiigheid’

Peter Buddemeijer was vier jaar toen de oorlog begon. Over die periode heeft hij een boek geschreven. Dat en veel foto’s laat hij zien aan Yara, Teun, Bart en Lonneke van basisschool De Troubadour. Meneer Buddemeijer heeft mooie herinneringen aan zijn jeugd. Behalve dan aan de oorlog. Dat was verschrikkelijk en hij hoopt dat niemand van de kinderen dat ooit mee zal maken.

Hoe merkte u dat het oorlog was?
‘Ik merkte pas echt dat het oorlog was toen ik op mijn zesde, dat was in 1942, naar school ging. We hadden daar hele leuke boekjes, maar op een dag zei de meester dat ze er niet meer waren. “Ze zijn weg. Allemaal uit het kastje gehaald”. Die boekjes mochten niet meer van de Duitsers, omdat er foto’s en plaatjes van het koninklijk huis in stonden. En dat mocht niet van die heren. Heren tussen aanhalings- en sluittekens…
Mijn moeder stuurde ons altijd extra laat naar school, zodat we zo kort mogelijk onderweg waren en zo minder kans hadden dat er iets onderweg zou gebeuren. Als we over de helft van de route waren en het luchtalarm ging, dan moesten we snel door naar school. Daar lagen we dan onder de schoolbanken tot het alarm voorbij was.
Omdat we op het laatst geen schoenen genoeg hadden, deelde ik die met mijn broer. Leer was er niet meer, we droegen klompen. ’s Morgens kon hij dan naar school en ‘s middags ik. De week erna wisselden we.  Als een kind viel, brak wel eens het bovenste stuk van de klomp af, de kap heette dat. De meester had ijzeren bandjes, met pinnetjes eruit gestanst, die hij dan met een hamer eroverheen kon slaan om de kap weer vast te maken.’

Kende u ook Joodse mensen in de oorlog?
‘We mochten niet op straat spelen van mijn ouders, dus speelden we op zolder. Op een dag, in november, zat de deur naar zolder op slot. “Er zitten zwarte pieten boven, wel een stuk of vier vijf. Jullie mogen daar niet meer spelen,” zei mijn moeder. Dat geloofden we. Na de oorlog vertelde ze ons dat er een Joods echtpaar zat ondergedoken. Godschalk heetten ze. Als de Duitsers merkten dat je mensen verborgen had, schoten ze je dood. Mijn vader was nergens bang van, maar mijn moeder was heel bang. We dachten dat de buurman bij de NSB zat en ze was bang dat we verraden zouden worden. Toen heeft mijn vader hen op een nacht op de fiets naar een boerderij gebracht. Toen de oorlog voorbij was, kwamen ze mijn ouders bedanken voor alles.’

Wat herinnert u zich van het Sinterklaasbombardement?
‘Op Sinterklaasdag, dat was toen 6 december, hadden mijn ouders een mooi tafelkleed met een rood lint eroverheen op tafel gelegd, met cadeaus erop. Mijn broertje en ik zongen in de ochtend een sinterklaasliedje en we openden ons cadeau, een toverlantaarn. We waren er heel blij mee. Er stonden ook twee bloempotten met cyclamen op tafel. Er lag een briefje bij ‘voor oma’. Nadat we met de toverlantaarn gespeeld hadden, besloot mijn vader dat we op de fiets naar oma in de Hoogstraat zouden gaan. Mijn broertje voorop met een pot, ik achterop. Bij de spoorwegovergang moesten we wachten. Opeens kwamen er vanaf de kant van het PSV-stadion een heleboel vliegtuigen aan. Ze vlogen verschrikkelijk laag, je kon de piloten zien zitten, en het was een geweldig lawaai. Er werden bommen op de Philipsfabrieken gegooid, omdat daar van alles voor de Duitsers werd gemaakt, en ook op rest van de Emmasingel en de Demer kwamen ze terecht. De mensen die voor de spoorbomen stonden, sloegen door de luchtdruk tegen de grond. Iedereen vluchtte daarna weg. Het bleken geen gewone bommen, maar brandbommen, met fosfor erin. Dat gaat al branden als je eraan komt.
Wij vluchtten met een heleboel mensen het huis van een dokter in. De deur hadden ze ingetrapt. Maar er kwam veel rook binnen. Mensen trapten de ruiten van de behandelkamer om de tuin in te vluchten. Daar konden we weer ademhalen. Ze probeerden de brandende fosfor uit te stampen, maar dat ging daardoor nog harder branden. We zijn over de muur geklommen en naar huis gelopen. Wat we toen zagen was verschrikkelijk. De voordeur stond open en mijn moeder en zusje waren weg… We vonden hen gelukkig bij de buren. Door de luchtdruk bij het ontploffen van de bommen was het slot uit de deur geslagen en zo was de voordeur opengesprongen.’

Hoe voelde u zich toen de oorlog afgelopen was?
‘Ach jongen, prachtig was dat. We hadden anderhalve dag lol, al die militairen en al die biscuits die ze uitdeelden. Maar toen, 19 september, op de tweede Bevrijdingsdag… We stonden de hele dag aan de Boschdijk naar die Amerikanen en Engelsen te zwaaien en te schooien. ‘s Avonds om een uur of zes, zeven, toen het donker was, zagen we allemaal lichtkogels boven Eindhoven. Wij dachten dat het vuurwerk was, voor de lol, voor de mooiigheid. Maar het was geen vuurwerk. De Duitsers gingen de Eindhovenaren eens eventjes afstraffen. Heel Eindhoven stond vol militaire auto’s, vol benzine dus. Ook bij ons voor de deur stonden Engelse auto’s, schuin tegen de stoep aan met zo’n tank erachter waar wel 4000 liter benzine inzat. We waren als de dood dat er een bom op zo’n tank zou vallen. We zijn toen de schuilkelder ingegaan. De volgende dag ontvluchtten bijna alle mensen Eindhoven. Met paard en wagen mochten we meerijden met de schillenboer uit onze straat. We zijn toen naar de omgeving van Aalst en Waalre gereden en hebben daar in een koeienstal geslapen. We hadden gelukkig dekens meegenomen. Daar zijn we drie dagen gebleven. Toen bleek dat de Duitsers niet meer terugkwamen, zijn we weer naar huis gegaan.’

 

           

Erfgoeddrager: Teun

‘Als mijn vader Wilhelmina hoorde, kreeg hij kippenvel’

Truus van de Maat is een opgewekte, moderne vrouw, geboren in 1926. Anouar, Teun, Tanya-Marie en Jana van basisschool De Troubadour kunnen met haar over alles praten. Vriendjes, uitgaan, kleding, politiek en natuurlijk ook de oorlog. Die begon toen ze veertien was.

Hoe was de oorlog voor u?
‘Het was geen leuke tijd. Het moest buiten pikdonker zijn en je moest op tijd binnen zijn. Je kon wel naar de bioscoop, maar daar draaiden alleen maar Duitse films; propagandafilms vol reclame over de Duitsers, hun militairen en hoever die in de verschillende landen al gekomen waren. En veel variatie in eten was er niet. Er was geen vlees, geen groente. Ik heb heel veel aardappels gegeten. Je moest ook uren in de rij staan om iets te bemachtigen. En er was, wat ze toen zo noemden, zwarte handel. Er waren altijd mensen die ergens aan konden komen en die lieten je dan bijvoorbeeld voor iets dat een kwartje kostte twee gulden betalen. Voor van alles hadden ze namaak. Je had namaakkoffie en namaakthee. Dat waren van die vieze tabletjes, dan werd het oranje water. Als ik er nou aan denk, het was heel vies. Ik kreeg in die tijd ook geen nieuwe kleren. Lastig als je veertien bent en groeit. Ik kreeg de afdankertjes van mijn zusters Annie en Nellie. Dat was niet leuk. En we hadden het koud. We hadden een keuken met een kolenfornuis. Dat was de enige plek waar het warm was. Dan zaten we met z’n zessen – mijn ouders en wij kinderen – ‘s avonds in dat kleine keukentje, want op een andere plek ook nog stoken dat kon niet.’

Kende u Joodse mensen in de oorlog?
‘Vroeger had je in de Rechtestraat een bioscoop, Chicago genaamd. De vader van een Joodse vriend van ons was de eigenaar. Op een dag was die vriend weg. We hoorden dat hij was opgepakt door de Duitsers en naar een concentratiekamp was gebracht. Hij was toen zeventien en is nooit meer teruggekomen.’

Luisterden jullie naar Radio Oranje?
‘Ja, mijn vader was heel fanatiek. Die had de radio niet ingeleverd. Wilhelmina zat in Engeland en dan sprak ze via de radio heel plechtig: “Landgenoten…” En dan had mijn vader gewoon kippenvel. Die was daar zo van onder de indruk. Maar ja, het moest stiekem. Op een avond werd er op de deur gebonsd: “Aufmachen, aufmachen, polizei!” Mijn vader rende, in zijn onderbroek, met die radio onder zijn arm de tuin in en verborg zich onder een struik. Mijn moeder deed de deur open en het hele huis werd doorzocht. Maar ze keken niet in de tuin. Dat was heel spannend. Als ze je oppakten kon het je je leven kosten.’

Wat vond u het ergst in de oorlog?
De angst voor bombardementen. Ik heb er drie of vier meegemaakt en dat was angstig. Vooral de vliegende bommen, dat was zo eng. Die vlogen over en daar zat geen bemanning in. Het was een soort raket, V1 genaamd, en die werd naar een doel gestuurd, meestal naar de Philipsfabrieken. Die gingen dan door de lucht en dat ging van ‘tsjch, tsjch, tsjch, tsjch, tsjch’. Als ze stil waren dan duurde dat nog acht seconden en dan plofte ie uiteen. En dan moet je maar afwachten waar. Op een nacht ging er eentje over en ik maar tellen. Tot acht en toen was het even stil, maar toen ging hij weer verder. Ik dacht echt ‘nu is het gebeurd’.

De Duitsers zochten ’s nachts het luchtruim af met schijnwerpers. Een keer zag ik door het toiletraampje zo’n lichtbundel en daarin een parachutist. Het was net zo’n plaatje. Tegenwoordig zie je ze niet meer, maar toen ik kind was had je allemaal van die heilige plaatjes vanuit de hemel, met Maria of zo. Alsof het een verschijning was. Zo zag die jongen in die lichtbundel er ook uit. En ik dacht: ‘Och, die arme jongen, die is het haasje, die kan geen kant uit’. Ze schoten hem neer. Het was heel erg beangstigend.’

           

Erfgoeddrager: Teun

‘Te voet is mijn vader naar Nederland gekomen’

Na een fietstochtje met regen en tegenwind komen Nick, Bor, Siemerd en Teun van de Weidevogel in Ransdorp aan in het mooie en gezellige huis van Anneke Koehof. Ze worden warm onthaald met chocomel en koekjes. Mevrouw Koehof vertelt over het leven van haar tante Roos, een zus van haar vader. Ze begint met het voorlezen van het verhaal zoals haar tante het haar – pas op hoge leeftijd – heeft verteld. Na afloop zijn de kinderen onder de indruk van het verhaal over Hollandia Kattenburg, en hoe dapper tante Roos is geweest om te proberen de gezinnen te waarschuwen. 

De promotie van tante Roos (uit het verslag)

‘Ik werkte tijdens de oorlog bij textielfabriek Hollandia Kattenburg aan de Valkenweg in Amsterdam-Noord. De helft van de medewerkers was Joods. De leiding van het bedrijf was al vervangen door niet-Joodse mensen en later werd het bedrijf geplaatst onder een Duitse bewindvoerder. Op 11 november 1942 werden er 367 Joodse medewerkers weggevoerd vanuit de fabriek. Het was heel naar om dat mee te maken. Veel vrienden en vriendinnen waren Joods. We mochten niet weg. Pas in de avond konden we de fabriek verlaten, maar toen was het al te laat om iedereen te waarschuwen. Het was echt heel gemeen. Al die gezinnen waren toen al weggevoerd naar Duitse concentratiekampen. Toen dachten we nog dat het werkkampen waren. Er zijn maar 5 of 6 mensen teruggekomen. Het was heel moeilijk daarna weer aan het werk te gaan. Later ben ik cheffin geworden, dat zou nooit gebeurd zijn als de Joodse werknemers niet waren opgehaald. Het was een promotie met een rouwrand.’ 

Hoe was het leven van uw tante in de oorlog?
‘De oorlog heeft haar jeugd verpest. Uitgaan, dansen en andere leuke dingen waren er niet meer tijdens de oorlog. En je moest heel erg opletten met wat je deed en zei. Je wist nooit wie je kon vertrouwen. Stiekem luisterden ze wel naar Radio Oranje. De broer van mijn tante zat in het verzet. Dat moest allemaal in het geheim, heel weinig mensen wisten het. En meteen na de oorlog kwamen er uit zijn kelder heel veel wapens voor het verzet. Dat wisten zelfs zijn vrouw en kinderen niet.’

Wat gebeurde er met uw eigen vader in de oorlog?
‘Hij wilde niet voor de Duitsers werken en zat ondergedoken. Toch werd hij opgepakt en in 1942 naar kamp Amersfoort gebracht. Vervolgens brachten ze hem naar kamp Vught en uiteindelijk naar een Duits strafwerkkamp. Daar is hij samen met een vriend gevlucht door uit een bus te ontsnappen. En te voet is hij weer naar Nederland gekomen. Ik weet er maar heel weinig van. Later werd er nauwelijks weinig over de oorlog gesproken. In ons gezin waren veel spanningen. Mijn moeder was in 1943 bij mijn geboorte overleden en mijn vader zat dus in een kamp. Mijn broer ging bij Tante Roos wonen, maar ik kon daar niet terecht, er was niet genoeg eten. Ik kwam bij de melkboer terecht en daar had ik het goed hoor! Ik heb hartstikke geluk gehad.’

         

Erfgoeddrager: Teun

‘Elk huis in Bergen werd volgepropt, je mocht geen nee zeggen’

Met de lift zoeven Mex, Hugo, Teun en Caesar van de Matthieu Wiegmanschool in Bergen naar de luxe loft van Roel en Wies Kuiper. Schalen met koekjes staan al klaar. Roel woonde tijdens de oorlog aan de Oude Bergerweg 41, Wies in Amsterdam.

Hoe begon de oorlog voor u?
Roel: ‘10 mei 1940 was een prachtige, stralende dag. Er klonk een enorm geronk, mensen riepen uit de ramen naar elkaar: “Wat is er aan de hand!” Iemand riep: “Het is oorlog!” Ik keek door mijn slaapkamerraam en zag een Duitse piloot in een vliegtuig met een leren kapje op. Hij scheerde over de daken en zwaaide naar me. Hij maakte een scherpe bocht en liet zijn eerste bommen op het vliegveld vallen. Dat staat nog steeds op mijn netvlies. Ik zou 11 mei mijn verjaardag vieren en mijn oma had mij een fiets beloofd; mijn allereerste fiets. Maar dat ging niet door omdat het oorlog was. Ik was een heel sip jongetje toen. De brief die mijn oma toen schreef heb ik nog altijd bewaard.’

Wat deden uw ouders in de oorlog?
Roel: ‘Mijn vader was opgeroepen om als soldaat het vliegveld van Bergen te verdedigen. We moesten daarom tijdens de mobilisatie weg uit Amsterdam, naar Bergen. Hij was slager van beroep en verzorgde het eten voor de soldaten.
Toen het vliegveld gebombardeerd werd om vijf uur ‘s morgens vluchtten de soldaten in hun lange onderbroeken het dorp in, weg van het vliegveld. Mijn vader had een soldatenboekje met achterin een hanger met een penning. Die penning kon je in het midden doorbreken en erop stonden tweemaal al je gegevens, waaronder je naam. Soldaten hadden die penning altijd om. Als je dood was, dan braken ze de penning doormidden en ging de ene helft mee de kist in en de andere helft naar het archief. Het soldatenboekje van mijn vader met zijn penning heb ik altijd bewaard.’

Hoe was de evacuatie naar Bergen aan het begin van de oorlog?
Roel: ‘Achter de Utrechtse Heuvelrug was de waterlinie. Die liep van het IJsselmeer tot aan de rivieren. Aan het begin van de oorlog zetten de Nederlanders de sluizen daar open en werd dat deel onder water gezet, zodat de Duitsers er niet langs konden met hun tanks. De mensen die daar woonden moesten onverwachts evacueren. Ze kregen vijf minuten om wat spullen in een kussensloop te proppen en werden met spoed weggebracht naar verschillende plaatsen in Nederland, waaronder Bergen. Iedereen in Bergen – ook de pensions en hotels – moest mensen opnemen in huis. Zo kwamen er 5600 mensen hiernaartoe, naar een plaatsje waar er normaal vierduizend woonden. Voor onze deur stopte een bus vol mensen. Wij kregen een mevrouw met een kindje. Ieder huis in Bergen werd volgepropt; je mocht geen nee zeggen. Ik moest mijn kamer afstaan. Dat vond ik fijn, want dan kon ik weer bij mijn ouders liggen.’

Hoe was de Hongerwinter voor jullie?
Wies: ‘Het was 1944 en ik was acht jaar. In Amsterdam – wij woonden in Zuid –  was geen eten meer en mijn vader had ook niets meer om te ruilen voor eten. We waren aangewezen op de gaarkeuken, waar je aardappelschillensoep kreeg. Moet je je voorstellen hoe dat smaakt als je acht bent. Ontzettend smerig. Ik werd steeds magerder en had hele dunne armpjes en beentjes.’
Roel: ‘Mijn ouders hadden familie in Friesland, daar was eten genoeg. Elke week stuurde mijn grootmoeder een klein pakketje met roggebrood en één keer per maand kwam er een kist met zogenaamd boeken. In werkelijkheid zaten er aardappelen, wekvlees, groente en drankjes in. De man die dat bracht, kreeg een beetje van dat eten mee naar huis. Op een dag kwam de kist leeg aan. Ze waren er kennelijk achtergekomen dat er eten in zat.’

Had u onderduikers in huis?
Wies: ‘De Joodse mensen in mijn buurt in Amsterdam-Zuid zijn allemaal meegenomen door de Duitsers. Ook vriendinnetjes, die ik nooit meer terug heb gezien. Dat was heel erg. Ik heb daar veel angsten aan over gehouden. Joodse mensen werden op zolders verborgen. Tijdens razzia’s kwamen de Duitsers en dan riepen ze: “Aufmachen!” Dan sloegen ze met hun geweren op de deur en moest je opendoen. Ze spitten het hele huis door op zoek naar Joden. De winter van 1944 was een hele koude en er was niks om te stoken. Ik lag vaak in bed, daar bleef je warm. Als de soldaten het huis doorzochten, porden ze met geweren in je matras en trokken je dekens eraf. Ook daar heb ik nu nog wel eens nare gedachten van.’

Erfgoeddrager: Teun

‘Die rubberen banden, zonder lucht erin – dat ging van boinkeboink, dat voelde je wel!’

Het is maandagmiddag 25 maart 2019. Het begint te hagelen en Boris, Hazel, Teun en Sara van de Van den Brinkschool rennen naar het huis van meneer Jansen. Ze moeten even op adem komen en bellen dan aan. Meneer Jansen heeft een paaslolly en wat te drinken klaar staan. Hij was bijna 10 toen de oorlog begon en woonde met vier broers en zijn vader en moeder op de Van Uvenweg.

Had u hobby’s in de oorlog?
‘Jazeker, lekker voetballen op straat en kattenkwaad uithalen, net als jullie ook wel eens doen vermoed ik.  En af en toe voor het verzet een bericht ergens naartoe brengen. Ik liep namelijk, als jonge jongen niet zo in het oog van de Duitsers.’

Wat voelde u tijdens de oorlog?
‘Eigenlijk voelde ik maar weinig. Wij hadden hier in Wageningen na de eerste evacuatie, toen de oorlog er eenmaal was, weinig problemen. Ik ging naar de Buurtse school en mijn ouders bemoeiden zich ook niet zoveel met het verzet of andere zaken die met de oorlog te maken hadden. Wij mochten er ook niets over zeggen thuis. Het enige bijzondere dat wij meemaakten, waren de evacuaties. Verder vond ik het niet leuk dat we om acht uur ’s avonds al binnen met de lichten uit moesten zitten van de Duitsers. De Nederlandse Waffen-SS was eigenlijk nog gemener, want daar ging men vrijwillig bij. En er waren ook wel hele aardige Duitsers bij. Die moesten vanwege de dienstplicht nu eenmaal meedoen. Maar als je tien jaar bent en het is oorlog, zijn er ook een heleboel dingen waar je niet oplet omdat ze je niet persoonlijk raken.’

Heeft u gekke dingen gegeten tijdens de oorlog?
‘Rode bietjes met suikerbiet en bloembollen van de gaarkeuken bijvoorbeeld. Ook verzamelde ik prei en kool in de omgeving en mijn moeder sneed dat dan allemaal in kleine stukjes. Dat kookte ze tot groentesoep met wat roggemeel om te binden en een stuk liksteen (voor de koeien) voor het zout.’

Wat herinnert u zich nog van de evacuaties?
‘Ik herinner me vooral de tweede evacuatie in 1944. Toen zijn we met het hele gezin en een kruiwagen via Veenendaal, Leersum en Zeist in Maarssen bij een oude tuinbaas terechtgekomen. Mijn oudste broer ging al snel naar Duitsland om te werken. Samen met mijn vader ging ik op zoek naar eten, met een karretje en op fietsen met massieve banden van rubber, zonder lucht erin. Dat ging van boinkeboink, dat voelde je wel! Onderweg zagen we dode mensen uit het Westen op handkarren liggen. De eerste keer vonden we in Staphorst rogge in ruil voor kaplaarzen. De tweede keer haalden we voedsel bij onze familie in Raalte op de boerderij. Terug in Maarssen met het eten, net voor kerst, waren mijn moeder en drie broers al vertrokken naar Friesland! Dat was nooit gebeurd met die mobieltjes van nu. Het voedsel hebben we netjes achtergelaten bij die twee oude mensjes, die tuinlui. Mijn vader heeft toen wel vijf dagen rondgefietst voordat hij mijn moeder in Joure weer vond. Ik ging alleen op de fiets naar mijn familie in Raalte. Daar werden we bevrijd op 9 april en daarna ben ik met de fiets naar Maarssen gereden, heb ik het karretje opgehaald en ben ik terug naar Wageningen gegaan.’

                

 

Erfgoeddrager: Teun

‘Na toestemming van de burgemeester konden we eindelijk naar huis’

Met de rollator erbij als stoel voor een van de interviewers, vertelt Anton Overpelt met duidelijk veel plezier en een goed geheugen over de periode 1940-1945. ‘Ik had het goed, kwam niks tekort’, zegt hij tegen Laura, Teun, Jeamin, Makar van basisschool Et Bruut in Zaandam. Wat de boventoon voert in zijn verhalen is zijn acceptatie van hoe de dingen gaan in het leven en een optimistische, bijna dankbare kijk daarop. Dat zal hem hebben geholpen om die zware jaren, als tiener te werk gesteld in het buitenland, toch redelijk goed door te komen.


Hoe zag uw leven eruit toen de oorlog begon?

‘Ik was sinds mijn 14e al aan het werk. Bij kruidenier Simon de Wit op de Westzijde in Zaandam pakte ik levensmiddelen in, brandde koffie en mengde thee. Op een dag kwam er per post een oproep van het Arbeidsbureau dat ik me moest melden voor de ‘Arbeitseinsatz’ in Duitsland. Net als van veel andere jonge Nederlandse mannen werd er van me geeist dat ik voor de Nazi-Duitsers ging werken. Mijn vader bracht me naar het treinstation waar het afscheid van hem heel verdrietig en zwaar was. Gelukkig was ik met mijn vier goede vrienden; Jan, Cor, Gerard en Ben. De treinen waren er slecht aan toe, heel oncomfortabel. We reisden ermee naar Straatsburg, een Franse, door de Nazi-Duitsers bezette stad. Daar kregen we houten barakken als huis aangewezen.’


Hoe was uw dagelijks leven in Straatsburg en later Freiburg?

‘Het was eigenlijk best prima. We hadden nauwelijks met de Duitse bezetter te maken. De metaalfabriek waar ik te werk was gesteld, werd nog gewoon draaiende gehouden door de Fransen. We werden betaald in geld, kregen goed te eten (onder andere bij een Nederlandse hotelbaas), gingen naar de film en konden brieven schrijven met de familie in Nederland. Op die brieven werd wel censuur toegepast, dan liep er een grote blauwe inktstreep door de tekst. Zo ook in de brieven naar en van Truus. Zij werd in de oorlog mijn vriendinnetje. Voordat ik naar Duitsland vertrok, hadden we elkaar twee keer ontmoet. Eenmaal in Straatsburg, besloot ons vriendengroepje dat we de meisjes die we thuis kenden en van wie het adres wisten, gingen schrijven. En van Truus dacht ik het adres nog te weten, maar de brief kwam terecht bij de groenteboer met dezelfe achternaam als Truus. De groenteboer heeft toen uitgezocht om welk meisje het ging en hem alsnog bij haar bezorgd. Twee jaar lang elke maand een brief…De liefde groeide.’


Hoe was het werk?

‘In de fabriek werd metaal bewerkt. Een Franse baas in de fabriek zag dat ik brildragend was en vond dat gevaarlijk bij de ovens. Ik werd op de locomotief, buiten op het fabrieksterrein, aan het werk gezet. Dat was een prima baan. In de barak waar we woonden, hadden we een landkaart hangen waarop we aangaven waar de geallieerden waren, hoe ver ze al waren opgerukt. De Nazi-Duitsers hebben die landkaart verwijderd. Toen we ons aanmeldden bij de lokale voetbalclub, werd ons lidmaatschap geweigerd omdat we de Hitlergroet niet wilden brengen.’

Hoe eindigde de periode in Duitsland?
‘De laatste 1,5 jaar werkte ik in Freiburg, in een spinnerij waar stof werd gemaakt voor kleding. Freiburg werd bevrijd door de Frans-Marokkanen. We waren er heel blij mee. Na toestemming van de burgemeester van Freiburg konden we eindelijk naar huis.’

 

 

Erfgoeddrager: Teun

‘Toen is mijn vader opgepakt en vermoord’

De moeder van Yvonne van der Zwaard was een Duitse en haar vader was een Nederlander en joods. Nynke, Teun en Reyer van de Rosa Boekdrukkerschool gaan met de bus bij Yvonne op bezoek om haar hierover van alles te vragen.

Wat is uw eerste herinnering van de oorlog?
‘Dat we naar school moesten met een pannetje en een lepel en dat we dan met de hele klas naar de gaarkeuken gingen lopen in de Balboastraat. Daar kregen we dan aardappelschillensoep, het zag eruit als slootwater met schillen, echt heel vies. Moeder bakte ook taart van suikerbieten, echt heel zoet en dat bleef in je keel hangen, bah! En het brood dat je met bonnen kon halen was ook heel smerig, je kon het haast niet doorslikken. Het eerste dat ik na de oorlog rook was het Zweedse wit-brood, dat was nog lekkerder dan een taartje.’

Heeft u ook spullen geruild voor brood?
‘In 1944 was ik 6 jaar en omdat mijn moeder Duits was en nogal met een accent sprak – dat hoorde ik niet, maar anderen wel – had het geen zin om met mijn moeder te gaan. De buren deden dat voor ons. Mijn vader had tot 1942 als stoffeninkoper gewerkt voor Gerzon. Hij kwam daardoor voor de oorlog vaak in Duitsland en zag wat er daar gebeurde. Daarom had hij balen stof en scheermesjes gehamsterd aan het begin van de oorlog, dat werd dan geruild. Bij de Wiegbrug lag een keer een Duitse boot met boomstammen, daar ben ik met mijn zus opgeklommen en toen hebben we een boomstam gepikt en mee naar huis genomen. Dat is de enige keer in mijn leven geweest dat ik iets heb gepikt.’

Uw vader was joods, moest hij dan niet onderduiken?
‘Mijn moeder was niet joods, ze waren dus ‘gemengd gehuwd’, dat maakte mij en mijn zusje half-joods en het betekende dat mijn vader en mijn zusje en ik niet werden opgepakt. Mijn vader liet af en toe joden bij ons onderduiken. Hij had een schuilplaats gemaakt op zolder onder het plafond en de joodse buren van 1 hoog sprongen bij een razzia ook van het balkon en verstopten zich in ons huis. De NSB-buurman van nummer 43 heeft mijn vader verraden en toen is mijn vader opgepakt en vermoord. Ook de joodse buren en de rest van mijn joodse familie zijn allemaal opgepakt en vermoord. Pas in 1952 kregen we officieel te horen dat mijn vader dood was en pas drie jaar geleden hebben we gehoord wat er nou eigenlijk echt met hem gebeurd is.’

Hoe voelde het toen u bevrijd werd?
‘Er was feest in alle straten. Er waren ook wedstrijden op straat tussen de verschillende straten en iedereen was vrolijk. Mijn moeder was al zo’n tien jaar voor de oorlog in Nederland komen wonen, maar toch werd ze verschrikkelijk uitgescholden. De NSB-buurman is na de oorlog opgepakt en heeft in een kamp gevangen gezeten. Het was wel heel moeilijk om geen familie te hebben.’

Social Media


Meer zien van onze programma's en op de hoogte blijven van het laatste nieuws?
Volg ons op social media:

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

+31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892