Erfgoeddrager: Suus

‘Mijn vader vervoerde op zijn bakfiets wapens’

Yenna, Suus en Thijs van basisschool ‘t Hunnighouwersgat reden met de moeder van Yenna naar zorgcentrum De Stilen in West-Terschelling. Daar werden ze heel hartelijk ontvangen door Edy van Sijp (1937). Eerst wat lekkers en iets te drinken voordat ze losbarstten met hun vragen. Mevrouw Van Sijp woonde tijdens de oorlog in Amsterdam. Haar vader en moeder hadden een kruidenierszaak in Kattenburgstraat in Oost.

Hoe verliep de oorlog voor u?
‘In Amsterdam hadden we vooral tegen het einde van de oorlog haast geen eten. Mijn zus en ik hebben nog geprobeerd om met een karretje eten te halen bij de boeren rond Amsterdam. De sfeer was naar en grimmig, de Duitsers waren heel streng, Omdat de situatie steeds slechter werd, zijn mijn zusje en ik door buurtschipper Bosch naar Terschelling gebracht. Samen met nog zo’n vijftig kinderen zaten we op de boot. De andere kinderen werden bij pleeggezinnen ondergebracht, maar wij hadden veel familie op Terschelling en gingen bij een tante wonen. We namen wel iets vervelends mee uit Amsterdam… De hoofden van mij en mijn zusje zaten onder de luizen en binnen korte tijd had iedereen van het gezin luizen. Het heeft mijn tante heel wat uren kammen gekost om ze te verwijderen.’

Kende u mensen die in het verzet zaten?
‘Mijn vader zat in het verzet, de ondergrondse noemden ze dat. Met zijn kruideniersbakfiets vervoerde hij wapens naar de kerk. Hij zette mij in de bakfiets zodat hij niet zo snel zou worden aangehouden. Mijn vader kreeg ook de bonnen die de ondergrondse van de Duitsers had gestolen. Bonnen voor melk, aardappelen en brood. Omdat er haast geen eten was, ging alles op de bon. Deze bonnen werden uitgeknipt en op vellen geplakt zodat elk gezin een vel had met bonnen voor eten. Op een dag kreeg mijn vader een klant die veel dezelfde bonnen had. Dat kon nooit. Hij nam haar mee naar achteren en zei: “Jij hebt Joodse onderduikers in huis”. De vrouw werd lijkbleek. Mijn vader vertelde haar dat ze voor hem niet bang hoefde te zijn, maar dat ze nooit meer met zoveel bonnen moest rondlopen. Straks stond er een NSB’er in de winkel en zou ze worden verraden… Vanaf die dag gooide mijn vader elke avond stiekem eten in de tuin. Dan hoefde die vrouw niet meer overdag met al dat eten over straat.’

Wat heeft het meeste indruk gemaakt op u?
‘Het verhaal over onze buren. Zij hadden een fourniturenwinkel. Mijn vader had ze al een paar keer gevraagd of zij misschien iets hadden waarmee hij schoenen kon maken voor ons. Maar ze antwoordden telkens dat ze niets hadden voor ons. Ik heb toen maar schoenen van klossen hout gemaakt, met bandjes van een leren tas. Vanwege gevaar van bombardementen hadden de Duitsers de buren gezegd dat ze hun huis moesten verlaten. Toen ze vertrokken waren, ben ik stiekem in hun huis gaan kijken. Op de vliering vond ik allemaal spullen: luiers, kinderkleren, sokken, gordijnen en nog heel veel meer. Al die spullen bewaarden ze voor na de oorlog, voor de zwarte handel. Mijn ouders hebben nog diezelfde avond alles naar ons huis verhuisd. Na de oorlog had half Kattenburg nieuwe vitrage want die deelde mijn vader uit. Ook heeft hij een vrouw die een kindje kreeg, een uitzet gegeven voor de baby.’

 

Erfgoeddrager: Suus

‘Toen werd ik met terugwerkende kracht heel boos’

Lous Steenhuis wordt op de Twiskeschool ontvangen in de directiekamer. Ze heeft een oud koffertje bij zich. Matthias, Nikita, Ryan en Suus zitten al klaar. Dan gaat het koffertje open. Lous Steenhuis hangt een klein jurkje op en haalt er een stapeltje gelamineerde foto’s en een kleine pop uit. Dan kondigt ze aan dat ze graag met een sprookje wil beginnen.

Het sprookje gaat over een kleine prinses en haar knuffeltje Mies, die nare dingen in de oorlog meemaakt. Ze is nog maar drie jaar en komt onder andere in de gevangenis terecht. Ze begrijpt als driejarige niet precies wat er allemaal gebeurt. Het prinsesje komt eerst in kamp Westerbork en na verloop van tijd moet ze met vijftig andere kinderen op de trein naar Bergen-Belsen. Daarna worden ze naar Theresienstadt getransporteerd. Uiteindelijk wordt ze bevrijd door Russische soldaten en moet ze nog een tijdje in Zwitserland verblijven voordat ze terug mag naar haar moeder, die na al die tijd een vreemde voor haar is geworden.

De kinderen vragen gedetailleerd naar haar ervaringen, maar mevrouw Steenhuis vertelt dat ze als driejarige weinig herinneringen heeft. Er zijn twee vragen die de kinderen het meest bijblijven…

Heeft u contact gehouden met de andere kinderen met wie u in al die kampen zat?
‘Twintig jaar geleden heeft iemand van de groep alle kinderen proberen op te sporen. 48 kinderen zijn teruggevonden. Sinds enige tijd komen wij één keer per jaar samen, op 13 september, de dag dat wij uit Westerbork zijn vertrokken. We zijn ook een jaar of vijf geleden samen naar Israël geweest. Oorspronkelijk waren we met 51 onbekende kinderen, maar een baby van 9 maanden is tijdens de treinreis overleden. Later vertelde een meneer ons dat die baby zijn zusje is geweest.’

Voordat u in de kampen terechtkwam, zat u ondergedoken in Amsterdam. Daar bent u verraden door een ander Joods meisje dat samen met u zat ondergedoken. Bent u boos op haar?
‘In de eerste instantie niet. Niet zo heel lang geleden kwam ik erachter dat het meisje dat mij verraden had, mijn leeftijd had. Uit een interview met notabene mijn eigen moeder bleek het meisje 18 jaar te zijn geweest. Toen werd ik wel met terugwerkende kracht heel boos. Ik heb haar verder nooit gekend en daarna ook niet meer gezien.’

         

Social Media


Meer zien van onze programma's en op de hoogte blijven van het laatste nieuws?
Volg ons op social media:

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

+31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892