Erfgoeddrager: Robin

‘Voor de Duitsers was mijn vader dan Herr Kapitan’

Marten Wijbenga komt zelf naar basisschool Het Wespennest in Amsterdam-Noord. De bel na de pauze is zojuist gegaan en Sophie, Rick, Robin en Bas zijn ook maar net op tijd om hem welkom te heten. Aan het einde van het interview willen ze nog weten wat in de oorlog het meeste indruk op meneer Wijbenga heeft gemaakt. Dat je telkens weer op allerlei creatieve manieren op zoek moest naar eten, is zijn antwoord.

Wat is het spannendste dat u in de oorlog heeft meegemaakt?
‘In 1943 vlogen er op een dag vliegtuigen over onze buurt. Wij woonden aan de Meeuwenlaan, daar waar nu een grote supermarkt is. Mijn twee oudere zussen stonden op het stenen plaatsje achter ons huis te kijken naar al die vliegtuigen boven hun hoofd. Tot mijn vader naar buiten kwam en zag dat er bommen naar beneden vielen. Snel is iedereen gaan schuilen. Mijn ouders en zussen gingen op de wc zitten. Dat was het stevigste deel van het huis. Mij hadden ze in een klein kastje in de gang gezet, ik was pas 3 jaar en dus nog klein. Ons huis is niet getroffen, maar diverse straten en huizen om ons heen wel. In Noord zijn toen meer dan 220 doden gevallen. Veel woningen waren kapot. Ik kan nog steeds aanwijzen welke huizen dat zijn. In de Van der Pekstraat zie je bijvoorbeeld dat sommige nog twee rijen gele steentjes hebben, IJselsteentjes, die zijn van voor de oorlog. De andere huizen zijn na de oorlog herbouwd, maar dan zonder die typische steentjes. Na het bombardement was mijn moeder erg bang geworden. We zijn daarom een paar weken op onze zeilboot gaan wonen in Harderwijk. Mijn moeder kwam daar vandaan en haar broer, die kapitein was, had onze zeilboot naar Harderwijk gesleept. Zo kon ze even van de schrik bijkomen.’

Uw vader was schipper op de pont. Hoe was dat in de oorlog?
‘Mijn vader heeft van 1928 tot 1963 op de pont gevaren. In de oorlog kreeg hij als schipper een ‘ausweis’ omdat hij in ploegendiensten ook wel in de avond moest werken. Het betekende dat hij na 8 uur nog over straat mocht, terwijl dat voor anderen verboden was. In de avond ging hij dan ook wel eens langs boeren, naar Landsmeer of Ransdorp, om eten te ritselen. Als de Duitsers hem aanhielden, liet hij zijn ausweis zien. Hij deed ook zijn uniform aan want de Duitsers waren gek op uniformen. Voor Amsterdammers was hij gewoon een pontschipper, maar voor de Duitsers was hij dan ‘herr Kapitan’ en mocht hij door. Een ander voordeel van zijn werk was dat hij in de Hongerwinter kolen kon smokkelen van zijn werk. Hij voer op een stoompont dus die ging op kolen. In die winter werden alle ponten als een brug aan elkaar vastgelegd omdat er te weinig kolen waren. Maar in de bunkers lag nog wel wat voorraad. Die kolen gaf hij dan aan de bakker op de Nieuwendammerdijk zodat die brood kon bakken.’

Hoe was de bevrijding?
‘Dat was feest: iedereen ging de straat op! Er kwamen optochten, dansfestijnen en de straten en fietsen werden versierd. Maar er werd ook nog geschoten. Ik heb later gehoord dat ik daarbij ben geweest. Mijn ouders waren op de Dam, met mij in de kinderwagen. Ze liepen net bij de Bijenkorf toen de schietpartij daar vlakbij begon. Ze zijn snel bij de Reguliersbreestraat in een ijssalon gaan schuilen. Eigenlijk was het de schuld van de Binnenlandse Strijdkrachten, die opgeleid, of meer half-opgeleid, waren om de boel te bewaken. Op de hoek van de Kalverstraat zaten nog Duitse officieren, en tussen deze twee groepen ontstond een ruzie, met die schietpartij als gevolg. Volgens mij was dat allemaal niet nodig geweest, waren die Binnenlandse Strijdkrachten een beetje agressief bezig… Ook daar zijn doden gevallen.’

Erfgoeddrager: Robin

‘Meine Junge, zei hij, en liet wat eten voor me achter’

Joop Martensen had tijdens de oorlog zo zijn adresjes om eten te halen. Een Duitse administratief medewerker bij de Kamer van Koophandel vond zijn blonde krullenkop wel leuk en bewaarde wat voor hem. Aan Robin, Maurits en Camiel van de 1e Montessorischool in Alkmaar vertelt hij onder andere over de angstige momenten en het incident met de melkbus.

Hoe was het voor u toen de oorlog begon?
‘Aan het begin van de oorlog marcheerden de Duitsers door de straten. Dat deden ze helemaal tegelijk. Fascinerend vond ik dat. En ze zongen tweestemmig, dat was prachtig! Voorop liep het muziekkorps die Duitse marsmuziek speelde. Ik marcheerde als vijfjarige erachteraan en omdat ik zanger wilde worden, zong ik luidkeels mee. Ik had als kind op dat moment geen idee en vond het geweldig!’

Was u bang in de oorlog?
‘Ik herinner me twee hele angstige momenten. Die keer dat mijn vader en ik samen met een handelaar een boom gingen omzagen in het bos. Toen we klaar waren, kwamen er gewapende Duitsers aan. We werden gearresteerd. Het hout moesten we laten liggen. Toen was ik wel heel bang.
En een keer toen ik acht was. Ik ging ik naar de remise van de locomotieven. Daar lagen bergen vetkolen. We hadden thuis geen hout meer om de kachel te stoken en die vetkolen waren perfect! Ik klom over het hek en stopte allemaal kolen in een jutezak. Hij zat zo vol dat ik hem niet meer kon verslepen. Toen kwam er een spoorwegmannetje aan die me hielp. Hij zette de jutezak op de fiets en we liepen via steegjes naar mijn huis. Later besefte ik dat hij met zijn leven had gespeeld door mij te helpen. Want het was 1944, de Duitsers voelden zich al in het nauw gedreven en deden wat ze wilden. Als hij was gepakt hadden ze hem zeker doodgeschoten.’

Wat zijn uw herinneringen aan uw persoonsbewijs?
‘Mijn persoonsbewijs herinnert me aan de keren dat het nummer erin in de krant stond om met bonnen eten te halen. In een lange rij wachtte je dan op een schamele maaltijd. Iedere dag werden er andere nummers gepubliceerd. Het herinnert me er ook aan hoe weinig eten er was. Er was bijna niets. Als drinken had je alleen water uit de kraan. Op een dag kwam de melkboer met zijn ventkar langs. Hij had zijn sleutel in een van de kranen van een melkbus laten zitten. Ik dacht: kassie! Ik hield mijn mond onder de melkkraan, maar kreeg ‘m niet meer dicht; ik stikte zowat in de melk.
Eten werd op een gegeven moment zo schaars dat ik met mijn oudste zusje in de betere wijken moest bedelen om een stukje brood. Hier en daar kregen we wel eens wat. We zagen mensen uitgehongerd op straat liggen, hun kinderen zoekend naar eten. Iedereen had honger. Ik vond gelukkig verschillende adresjes waar ik restjes eten kon halen. Bij de Kamer van Koophandel zaten Duitse mensen, die het administratieve werk deden.  Er was daar een hele lieve Duitser, die wel gewapend rondliep, maar verder niet met de oorlog bezig was. Hij vond mij, met mijn blonde krullen, wel leuk. “Meine Junge,” zei hij en dan liet hij altijd wat eten achter in een gamel, een dubbelwandige ketel waarin het eten heet blijft. Op een gamel had hij dan een kruisje gezet met krijt, en daar zat dan een prakje eten in. Dat mocht ik eruit halen en mee naar huis nemen.’

         

Erfgoeddrager: Robin

‘Heidie heido heida, heidie heido heida, heidie heido, heidahahahahahahaha’

Robin, Jael en Stijn lopen vanaf hun school – De Troubadour – naar het huis van Gerard van Iersel. De kunstenaar heeft veel eigen werk aan de muur hangen en mooie foto’s, waaronder een zwartwit portret van hem en zijn vijf kinderen.  Ook zij zijn kunstenaar geworden. Meneer van Iersel kan mooi vertellen over de tijd dat hij als kind aan de Stratumsedijk woonde met zijn vijf broers en zussen. Op zijn vijfde brak de oorlog uit.

Hoe merkte u dat het oorlog was?
‘Het begin van de oorlog was spannend. Nieuws kreeg je toen alleen via de radio. Dan zei mijn vader: “Nou jongens, in Duitsland gaat het allemaal niet zo best en in Engeland ook niet.” En toen kwamen de Duitsers Nederland binnen en bombardeerden ze Rotterdam. Ik snapte niet goed wat er aan de hand was. Mijn ouders beschermden ons ook. Zeiden dat het wel goed zou komen. Maar ja, ieder dag ging de sirene. Dan ging je naar binnen, onder de tafel zitten, want je wist nooit wat er zou gebeuren. Mijn vader was horlogemaker en was bang dat het grote etalageraam zou barsten als er een bom viel. We hebben toen dat hele raam met plakband beplakt, zodat alles tenminste aan elkaar zou blijven hangen als het zou barsten. Zo kwam ik er langzaam achter dat het oorlog was. In de winkel kwamen ook Duitse soldaten om hun horloge te laten maken. Dat waren jongens van een jaar of achttien, negentien. Vaak hele lieve jongens, die het ook niet leuk vonden om soldaat te zijn. Mijn vader hielp ze gewoon, als mens, niet als soldaat. Ik zag ze van achter de toonbank. Ze hadden een uniform met van alles erop en eraan, met een helm op of zo’n barretje. Met geheime voorraad in de winkel had mijn vader ook nog wat om te ruilen voor eten bij de boeren. Een wekker of een klok in ruil voor ham of kaas. Ik was veel te mager, maar zo hield hij ons in leven.
Ik herinner me ook het marcheren van de Duitse soldaten vanaf de kazerne aan de Oirschotsedijk in een lange kolonne naar het zwembad aan de Stratumsedijk. Tjoem tjoem tjoem tjoem, klonk dat. Ze zongen ‘Heidie heido heida, heidie heido heida, heidie heido, heidahahahahahahaha’. Wij kinderen waren nieuwsgierig. Je zag hoe ze per drie hun geweren met de punt tegen elkaar zetten, zodat ze bleven staan. Hoe er soldaten rondliepen om alles te bewaken. Er waren er altijd een paar die niet gingen zwemmen, of niet konden zwemmen, dat kan ook. Ook haalden ze mensen uit huizen; dat was niet leuk. Dat zijn van die dingen die ik me heel goed herinner, heel goed.’

Welk bombardement is u het meest bijgebleven?
‘Ik denk die op de binnenstad. Ik zag de bommen vallen, daarna al die branden. En dan dat lawaai. Je hoorde de vliegtuigen aankomen en dan ‘BOEM’! Dat vond ik heel erg. De hele binnenstad was weg. De winkels waar je kort ervoor boodschappen had gedaan, allemaal weg, in puin.
Philips werd ook gebombardeerd. Wat nu de Witte Dame is, was toen een Philipsfabriek. Duitsers stonden er met hun geweren en luchtgeschut opgesteld en ‘s avonds zag je de lange, witte lichtbundels van de schijnwerpers. Dan hoorde je een vliegtuig, zag je opeens het licht erop schijnen en dan werd die ‘PIEUW’ neergeschoten. Iedere avond weer.
Ook het Sinterklaasbombardement, op de Philipsfabrieken, konden we vanaf huis zien. Toen we in de verte de hele stad in brand zagen staan, zijn we ons huis uit gevlucht. We zijn achterom het magazijn van de meubelzaak naast ons binnengerend. Ik weet nog goed dat ik in een grote kast ben gaan zitten en de deurtjes heb dichtgegaan. Mijn ouders zaten ook ergens in dat magazijn, in een kast of onder een tafel of waar dan ook. Je ging maar ergens zitten waar je dacht dat het veilig was.’

Kende u mensen die bij het verzet zaten?
‘Mijn broer zat bij het verzet. Hij was bij een hulpdienst voor hulp aan gewonden en gesneuvelden. Bij bombardementen ging hij met een groep jongens helpen. Dan had hij een witte overal aan en een speciale helm op. Hij was wel dapper. Hij was twintig en had in Duitsland moeten werken in de staalfabrieken, maar dat wilde hij niet. Hij dook onder en ging bij een boer werken. Mijn ouders maakten zich altijd veel zorgen over hem en wisten niet hoe het met hem ging. Op een dag kregen ze bericht dat hij gevangen zat in de Achterhoek. Hij heeft kunnen ontsnappen en is tijdens zijn vlucht op een landmijn gelopen. Daarbij raakte hij zwaargewond. Mijn ouders waren verdrietig, maar konden omdat het geheim was niet zeggen wat er gebeurd was. Hij bleek in een ziekenhuis in Nijmegen te liggen; zijn lijf vol met scherven. Toen ie thuiskwam, zat zijn lichaam helemaal in het verband. Als een witte pop kwam hij binnen.’

Hoe was het na de oorlog?
‘Vlak na de oorlog kwam de hulp voor kinderen die ondervoed waren op gang. De schoolarts keek mij na en zag dat ik te mager was. Toen werd ik naar een vakantiekolonie in Bunden, bij Maastricht, gestuurd. Zes weken bleef ik daar in een nonnenklooster. Spannend was dat. Gingen we eens ergens naartoe, met een bus vol jongens en meisjes. Na zes weken was ik nog te licht en mocht ik nog zes weken blijven voor ik weer naar huis ging.’

         

Erfgoeddrager: Robin

‘Destijds vond ik het normaal dat we bedienden hadden’

Mevrouw Randy de Bruijne-Van Polanen Patel (1946) laat ons binnen in haar gezellige woning aan de Zaan, die rijk versierd is met onder andere Chinees – en Japans keramiek. De leerlingen van het Zaanlands Lyceum, Noa, Robin, Eileen en Josefien krijgen heerlijke Indonesische spekkoek geserveerd.

Hoe heeft u uw jeugd beleefd?

‘Mijn jeugd in Indonesië tot aan mijn negende was vooral erg leuk, met veel uitstapjes, school, ballet en piano. Ik ben opgegroeid in Bandung bij mijn grootouders van vaders kant. Mijn ouders gingen scheiden toen ik vier was. Dat was wel een onrustige tijd, verdrietig ook, maar in die tijd durfde je dat niet uit te spreken. Al snel raakten mijn broertje en ik gewend aan onze grootouders. We waren daar al heel vaak, dus je wist niet beter. Mijn grootouders kregen voogdij over ons, waarschijnlijk omdat mijn moeder geen bestaansmiddelen had. Zij ging toen naar Nederland. Mijn vader hertrouwde en wij kregen nog een halfbroertje, dat maakte alles heel definitief. Mijn grootouders waren heel streng, ouderwets, maar we zijn tegelijkertijd ook erg verwend, we mochten veel en hebben veel gekregen. We hadden ook een huis in de bergen. We werden ontzettend Nederlands opgevoed, bijvoorbeeld met uitgebreid Sinterklaas vieren. Toen wij naar Nederland gingen, een maand op de boot, moesten wij heel erg wennen, vooral aan de kou. We zijn ook erg ziek geweest. Na een paar jaar verhuisden we alweer. De keuze viel op Suriname, omdat daar ook Nederlandse scholen waren. Gelukkig waren we daar na een half jaar gewend. In Suriname hebben we veel van het binnenland gezien door het werk van mijn opa als geodeet, landmeetkundige. De mooiste watervallen heb ik daar gezien.’

Waarom was het gevaarlijk in Indonesië om naar buiten te gaan?

‘Veel familieleden zaten tijdens de Japanse bezetting in kampen, we hadden immers ook Nederlands bloed. Ook na de bezetting was het nog een tijd heel erg onrustig, vooral in Bandung. Daar was destijds een Japans garnizoen. De Indonesische bevolking wilde onafhankelijkheid, vocht tegen het KNIL-leger. Je bleef altijd thuis. Het was niet gewoon om zo maar naar buiten te gaan. Naar een vriendin werd je altijd gebracht.’

Hoe vond u het dat er bedienden waren?

‘Toen was dat heel normaal. Ik dacht daar niet over na. Het was zoals het was. Als je het nu bekijkt, veranderen je ideeën daarover. Het was ook niet helemaal slecht, want de mensen die bedienden hadden waren ook verantwoordelijk voor hen. De oudste bediende, die heel lang bij ons was, kreeg later spullen mee om een handeltje te beginnen. Het werd een beetje familie, ze woonden bij ons thuis.’ 

Was het liefde op het eerste gezicht met uw man in Suriname?

‘Mijn man werkte aan de universiteit en moest veldwerk doen. Ik zat in de eindexamenklas van de HBS. Ik leerde mijn man kennen op een feestje. Ik kon heel goed met hem praten, dat was heel fijn. Er was een heel ouderwets spelletje met een pot met papiertjes waarop je naam stond. Als je er allebei werd uitgetrokken, moest je met elkaar dansen. Ik ben in Suriname getrouwd. In 1966 gingen we naar Nederland. Ik heb intussen twee dochters en vier kleinkinderen. Mijn twee kleindochters hebben op het Zaanlands Lyceum gezeten. Zelf heb ik Chinees en Japans gestudeerd. Ik reis vaak en importeer voor een vriendin aardewerk voor haar winkel. Mijn favoriete land is China, omdat ik daar veel van geleerd heb tijdens mijn studie. Voor ontspanning is het Bali, want Java is niet meer zo ontspannen.’

Erfgoeddrager: Robin

‘Toen werd ik teruggestuurd naar Nieuw Nigerie om voor mijn zieke oma te zorgen.’

De leerlingen Dion, Julius, Robin en Ho Tin interviewden Marion Perk in haar gezellige huisje in het centrum van Zaandam. Marion vertelde de leerlingen hoe zij het vond in Suriname, maar dat ze toch liever in Nederland woont.

Hoe was uw schooltijd in Suriname?

‘Ik ben geboren in Nieuw Nigerie en was de oudste van acht kinderen. Toen mijn vader een baan in Paramaribo kreeg, gingen we verhuizen. Ik zat toen in groep vier van de basisschool.  Mijn oma bleef achter, maar werd ziek. Toen werd ik teruggestuurd naar Nieuw Nigerie om voor mijn zieke oma te zorgen. Dat duurde twee jaar. Al die tijd kon ik niet naar school, dat vond ik jammer. Toen ik terugkwam, werd ik teruggezet in groep vier. Ik was toen twee jaar ouder dan de anderen uit mijn klas. Op de scholen werd er veel over Nederland behandeld, maar niet over Suriname. Onze vaderlandse geschiedenis ging bijvoorbeeld niet over Suriname, maar over Nederland.’

Had u een goede band met uw ouders en de rest van het gezin?

‘Ik vond het leuk om in een groot gezin op te groeien, daardoor had ik altijd wel iemand om mee te spelen. Omdat ik de oudste van de kinderen was, had ik een eigen kamer. Ik had een goede band met mijn ouders. Ze waren wel streng en omdat ik het oudste kind van de familie was, werd ik het strengst opgevoed. Als kinderen werden we niet vrij opgevoed, daarmee bedoel ik dat er als er bijvoorbeeld bezoek van volwassenen kwam, dan mochten wij als kinderen daar niet bij zijn. Vooral mijn vader was heel streng. Toen ik naar Nederland verhuisde, bleef mijn vader in Suriname. Ik durfde toen meer tegen hem te zeggen en ik schreef hem ook dat ik heel dankbaar was dat hij mij goed opgevoed had. Ondanks de afstand raakten we meer verbonden met elkaar. Een keer zag hij schoenen in een winkel die ik sowieso leuk zou vinden, dacht hij. Dus schreef hij me een brief of ik die schoenen wilde. Op mijn dertigste verjaardag kwam hij ook naar Nederland.’

Wat deed u voor werk in Nederland?

‘Ik ging naar Nederland omdat mijn verloofde hier ging studeren. Ik was nog niet getrouwd in Suriname, omdat mijn grootvader vond dat een man eerst een huis en een goede baan moest hebben. Ik trouwde dus pas in Nederland. Ik woonde eerst op kamers, maar op mijn trouwdag gingen mijn kameraden al mijn spullen ophalen. Hier in Nederland werkte ik als onderwijzeres. Ik had een hele grote groep kinderen op het niveau van groep 3. Er zaten kinderen van tien jaar oud tussen, die nog niet konden lezen en schrijven. Ik vond het heel leuk om hen les te geven. Daarnaast heb ik veel vrijwilligerswerk gedaan, en heb er zelfs vorige maand een lintje voor gekregen. Ik was heel verrast, maar ben er best trots op.’

Hebt u spijt van uw verhuizing naar Nederland?

‘Ik woonde eerst zes jaar lang in Amsterdam, dus ik ken daar elke uithoek van de stad. Ik had daar veel buren, dus als ik eten nodig had dat ergens anders niet verkrijgbaar was vroeg ik het gewoon aan hen. Maar ik vind het veel fijner in Zaandam. Het is er rustiger. En nee, ik heb geen spijt van mijn verhuizing naar Nederland. Zes jaar geleden ging ik terug naar Suriname. Ik vond het daar erg leuk, omdat ik daar nog veel vriendinnen heb van school, maar al na drie weken wilde ik al naar huis. In mijn eigen bed slapen.’

 

Erfgoeddrager: Robin

‘Twee jongens die vluchtten, werden doodgeschoten’

Brecht, Robin en Anna van de Michaëlschool in Leeuwarden lopen naar de kamer van mevrouw Popma. Ze is er niet. Blijkt ze nog even gezellig in de gezamenlijke huiskamer te zitten, achter een vers kopje koffie. Even later zit ze dan toch in haar eigen stoel, in haar eigen kamer. Klaar voor het interview.

Wat voor spelletjes deed u in de oorlog?
‘Kaatsenballen, knikkeren, hoelahoepen, mozaïeken… kijk dat staat daar in het kastje. Met die poppen in de kast speelde ik vroeger. Het ziet er heel anders uit dan bij jullie nu, hè? De kleertjes maakten we zelf. Mijn kleinkinderen spelen er nu mee als ze op bezoek komen. Daarnaast deden wij veel aan handwerken, breien.’

Kende u ook Joden?
‘Ik kende ze niet, maar ze zaten wel ondergedoken in het dorp. Een keer kwam er een razzia van de Duitsers. De onderduikers waren al gevlucht in het hooi in het land. Toen kwamen de Duitsers en die staken met een bajonet zo in het hooi, en pakten de onderduikers op. Twee jongens die vluchtten, zijn doodgeschoten. Hadden ze nou maar gewoon gewandeld, dan was er niks gebeurd. Twee jonge Joodse jongens van een jaar of 18…’

Heeft u ook iets meegekregen wat u eigenlijk liever niet had willen zien?
‘Toen ik eens naar school fietste, zag ik dat een Engels vliegtuig werd neergeschoten door de Duitsers. Nu nog zie ik de piloot aan de parachute hangen. Die piloot is opgepakt.’

Wat was het mooiste na de bevrijding?
‘Dat ik ‘s avonds niet meer vanaf 8 uur binnen hoefde te blijven en dat ik weer echt vrij was. Niet die druk van de Duitsers.’

    

 

Erfgoeddrager: Robin

‘In mijn beste Duits zei ik dat mijn persoonsbewijs was kwijtgeraakt tijdens de evacuatie’

Op de maandagochtend van het bezoek regent het heel hard. Naomi, Robin, Ole en Marit van de Van den Brinkschool in Wageningen zijn blij dat ze lekker droog bij meneer Cor Zeldenrust zitten. Er is nog een mevrouw op bezoek, mevrouw Diederiksen. Zij luistert graag naar zijn verhalen over de oorlog en vindt het ook heel leuk dat de kinderen er zijn.

Wat was uw eerste gevoel toen de oorlog begon?
‘Het was spannend! Ik was 13 jaar en dan hou je wel van avontuur. Ik dacht dus niet meteen aan de gevaren, meer aan het avontuur. Maar ik heb ook wel eens in mijn bed liggen trillen van angst, hoor, als ik dichtbij de bombardementen hoorde. Je kan wel doen alsof je een hele flinke jongen bent…’

Maar vanbinnen ben je dan echt doodsbang
‘Ja, precies. Toen die V1 raket in 1943 het Rode dorp in was gevlogen, bijvoorbeeld. Daar was ik toevallig heel dichtbij. Door die explosie kwamen bij ons de ruiten zo naar binnen knallen. Gelukkig hadden we daar verduisteringspapier opzitten om de scherven tegen te houden, anders had er wel bloed gevloeid.’

Wat mocht u niet meer doen toen het oorlog was?
‘In het begin kon je gewoon alles doen. Maar op een gegeven moment mochten bepaalde dingen niet meer. Je mocht niet in de krant schrijven wat je zelf wilde. Je mocht niet schrijven wat de waarheid was als je iets had meegemaakt. Je mocht alleen maar goeie dingen over de Duitsers vertellen. Alles werd gecontroleerd. Je wist niet wat je ervan geloven kon. Uiteindelijk moesten we ook onze radio inleveren. Af en toe dwarrelden er krantjes naar beneden. Die werden uit Engelse vliegtuigen gegooid, en daar stond in wat er werkelijk gebeurde. Ik had voor mezelf altijd het idee dat ik maar beter gewoon beleefd kon doen tegen de Duitsers, want ze waren altijd sterker. Ik leerde zo goed mogelijk Duits, je vangt namelijk meer vliegen met stroop dan met azijn. Dat Duits kwam me goed van pas toen ik 15 was en kon worden opgeroepen om te werken voor de Duitsers. Ik heb toen mijn persoonsbewijs verstopt en in mijn beste Duits vertelde ik de soldaten dat ik geen bewijs had vanwege de evacuatie. Ik zag er gelukkig jong uit voor mijn leeftijd, net als nu. Dus ze wisten niet dat ik al 15 was. Ik zeg altijd maar: wat je denkt kunnen ze niet zien, maar wat je zegt kunnen ze wel horen.’

Wat herinnert u zich nog van de evacuaties?
‘Van de eerste evacuatie herinner ik me vooral de terugkomst in Wageningen na een week in Moerkapelle en hoe ik schrok dat de hele binnenstad verwoest was, ook mijn school. Bij de tweede evacuatie leerde ik een heel lief meisje kennen op een boerderij tussen Ede en Veenendaal waar we verbleven. Na de bevrijding ging ik in militaire dienst en werd ik gelegerd in de kazerne in Ede. Ik wist nog waar ze woonde en wanneer haar verjaardag was. Dat noemt men selectief geheugen. Op haar verjaardag ben ik langsgegaan om haar te feliciteren. Toen ik in Indië was, heeft ze me geschreven dat ze op me zou wachten en zo is zij later mijn vrouw geworden. Ja, het leven is een aaneenschakeling van toevalligheden, en dat is soms heel mooi.’

Heeft u nog een wijze les voor ons?
‘Altijd rustig blijven. Je niet opwinden, want de meeste dingen zijn het niet waard om je over op te winden. Het gaat toch allemaal weer voorbij. Vriendelijk blijven tegen de mensen is ook heel belangrijk. Een mens wordt gemakkelijker beoordeeld dan begrepen.’

          

Erfgoeddrager: Robin

‘Ik blijf maar dromen over de oorlog’

Jennie de Jong roept van bovenaan de trap dat we door mogen lopen. Als Marilou, Noa en Robin van basisschool de Meidoorn het huis binnenkomen worden ze enthousiast begroet en meteen gewezen op de blikjes cola en zakken snoep die voor iedereen op tafel liggen. En ja, ze mogen snoepen tijdens het gesprek.

Wat waren de momenten waren waarop u echt bang was tijdens de oorlog?
‘Ik ben een schijtlijster. Dat is altijd al zo geweest, maar door de oorlog is het wel erger geworden. Ik heb nu nog steeds last van vuurwerk en laag overvliegende helikopters en vliegtuigen. Ook ben ik nog steeds bang in het donker. Ik droom ook nog vaak over de oorlog, vooral na het kijken van de herdenking op televisie. Soms droom ik niet over de oorlog, maar dan kan ik er niet door slapen. Ik denk dan bijvoorbeeld aan het joodse jongetje waarvan het naamplaatje is teruggevonden op het kampterrein. Een nabestaande wil het graag hebben, maar dat mag niet van het museum, zelfs niet voor een paar maanden. Onbegrijpelijk en verdrietig.’

Heeft u honger gehad tijdens de oorlog?
‘In het begin was er genoeg te eten. Dat werd steeds minder. In de laatste winter was het heel koud, er lag sneeuw en er was bijna geen eten meer. We gingen nog maar twee dagen in de week naar school en kregen dan heel vies, stinkend eten van de gaarkeuken dat we moesten eten. Er liep geen poes meer op straat want die waren allemaal opgegeten. Jongens met katapulten schoten ratten dood om op te eten.’

Wat is het ergste dat u hebt meegemaakt tijdens de oorlog?
‘Het afgaan van het luchtalarm en de beschietingen ‘s nachts en toen de Duitsers op school kwamen. Dat was in het tweede jaar van de oorlog. We hoorden toen over de ster die Joodse mensen moesten dragen en we mochten ook geen Nederlandse liedjes meer zingen op school. Juf was ‘stout’ en zong toch verboden liedjes met de klas. Er kwamen toen drie officieren in de klas en die namen de juf en Truusje, een Joods klasgenootje, mee. We moesten allemaal huilen, werden toen getroost door de directeur en naar huis gestuurd. Na drie weken kwam de juf weer terug, maar Truusje en haar ouders waren er niet meer bij. Die moesten naar een kamp en zijn nooit meer teruggekomen.

In het eerste oorlogsjaar was het nog een stuk rustiger, maar ook toen heb ik iets naars meegemaakt. Ik moest boodschappen doen en mijn moeder zei dat ik goed op het luchtalarm moest letten en als ik dat zou horen ik meteen naar de schuilkelder moest gaan. Toen het alarm echt afging schrok ik zo erg dat ik heel hard begon te rennen en pas stopte toen ik veilig thuis was. Mijn boodschappen ben ik onderweg kwijt geraakt…

In het derde oorlogsjaar gingen we zoals altijd op vakantie bij mijn oom en tante in Gelderland, op de boerderij. Toen kwam er een telegram. Er was namelijk iets ergs gebeurd en mijn ouders moesten meteen naar huis komen. Er was een granaat dwars door ons dak gegaan en thuis was het een puinhoop. We moesten logeren en konden pas twee maanden later terug naar ons huis. Dat was bijna net zo erg als het bevrijdingsfeest op de Dam, met de Canadezen. Ik stond met een vriendin tussen de feestvierende mensen en zag plotseling allemaal Duitse soldaten staan en riep naar mijn vriendin ‘Ze gaan schieten!’ Een moeder met een baby in een kinderwagen werd geraakt, net als een man vlak bij ons. We renden hard weg. Dat dit nog gebeurde terwijl je net dacht dat alles voorbij was was het ergste! Onze ouders hebben met ons gepraat en gezegd dat nu alles voorbij was, maar door al deze gebeurtenissen ben ik nog altijd bang voor oorlog.’

Social Media


Meer zien van onze programma's en op de hoogte blijven van het laatste nieuws?
Volg ons op social media:

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

+31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892