Erfgoeddrager: Rania

‘Mensen keken met vreemde ogen naar mij, maar ik keek ook met grote ogen naar hen’

Helen Wijngaarde (81) verhuisde toen ze elf was van Curaçao naar Suriname. Op haar negentiende kwam ze naar Nederland. Hier trouwde ze met een Indische man. Een echte samenkomst van alle koloniale invloeden. Aan Merijn, Rania en Roza van het Montessori Lyceum Amsterdam vertelt mevrouw Wijngaarde hoe het was om in een kolonie op te groeien.

Hoe was uw schooltijd?
‘Op Curaçao was alles Nederlands op school; de methodes, de lessen, topografie, geschiedenis. We wisten alles van stadhouders en Batavieren, maar over ons eigen land wisten we haast niets. Thuis spraken we Nederlands en ook Papiaments, de taal van Curaçao. Op m’n elfde verhuisden we naar Suriname. Ook daar spraken we Nederlands op school. Als je even iets zei in het Sranantongo, de Surinaamse taal, moest je meteen je mond spoelen. Men vond het een volkstaal, iets wat op de markt werd gesproken. Heel erg eigenlijk, want later ontdekten we wat voor prachtige verhalen en gedichten in de Surinaamse taal, die heel levendig en kleurrijk is, zijn geschreven. Er zitten Engelse, Nederlandse, Afrikaanse en Portugese woorden in en je kunt er de koloniale geschiedenis van het land in terugzien. Over het slavernijverleden leerden we ook nauwelijks; thuis werd er niet over gesproken. Pas in Nederland, later, deden we dat. Toen heb ik ook onze familiegeschiedenis uitgezocht. Ik vertelde aan mijn moeder, die vrij licht van kleur en het niet leuk vond als dat werd gezegd, dat haar grootmoeder een slavin was. Haar vader was de zoon van een blanke plantage-eigenaar en een slavin. Ik bleef doorgaan over het onderwerp en toen zei ze uiteindelijk dat ze het wel wisten, maar dat je daar niet over sprak.’

Hoe was het om in Nederland aan te komen?
Ik vond het verschrikkelijk koud. Ik kwam in oktober aan en de winter stond voor de deur. Verder vond ik het wel prettig. Het was gewoon even wennen. Trams en treinen, dat kende ik helemaal niet. Het voordeel van het Nederlandse onderwijs op Curaçao en in Suriname was dat mijn diploma’s direct geaccepteerd werden in Nederland. Daardoor was de overgang heel makkelijk en ik sprak natuurlijk de taal. Het enige wat vreemd was, was dat je vaak de enige zwarte juf was in de klas. Iedereen moest wennen aan jou en jij moest wennen aan de anderen. Ik ging in een dorp werken als juf. Vroeger was het heel gewoon dat je op huisbezoek ging bij de leerlingen. Een van mijn leerlingen woonde op een boerderij. Dit was mijn kans dacht ik. Ik wilde wel eens een boerderij van dichtbij zien. Er kwamen ook een paar buren langs, want die hadden gehoord dat ik zwart was én Nederlands sprak. Mensen keken naar mij met vreemde ogen, maar ik keek ook met grote ogen naar hen, want ik zag voor het eerst een boer en een boerderij. Dat kende ik alleen uit een boek. Zij leerden van mij en ik leerde van die mensen daar. Dat was eigenlijk heel leuk.’

Hoe vond u het eten hier in Nederland?
‘De meeste dingen vond ik wel lekker. Op Curaçao maakte mijn moeder al iets dat een beetje op stamppot leek. Ik weet nog dat ik eens zelf stamppot ging maken. In het recept stond dat ik de aardappels moest afgieten, maar ik wist niet wat dat betekende. Mijn stamppot hebben we toen als soep gegeten. Het Surinaamse en Antilliaanse eten vind ik wel lekkerder. Tegenwoordig zijn er overal Surinaamse eettentjes te vinden, maar toen ik hier net kwam, was dat er allemaal nog niet. Mijn moeder en haar vriendinnen gingen vanuit Amstelveen, daar woonden wij, vaak naar de Albert Cuypmarkt. Soms was er dan een zaak waar je bakbananen kon kopen. De één gaf dat dan door aan de ander. Iedereen ging dan snel met de bus richting de Albert Cuyp. Het was heel moeilijk om aan dat eten te komen. Tegenwoordig maak ik heel veel dingen niet eens meer zelf. Ik kan het gewoon kant-en-klaar kopen. Ik vind het zo leuk dat al die verschillende invloeden allemaal samenkomen hier. Bijvoorbeeld al dat lekkere eten; uit Indonesië de bami, uit Marokko de couscous, uit Suriname de roti. Behoud altijd een beetje je eigen cultuur, vind ik. Ik heb het genoeg om me heen gezien, bij mijn eigen familieleden, dat ze helemaal zijn opgegaan in een ander land en dat ze een heleboel dingen van ons eigen land niet meer weten of zelfs wilden weten.’

           

Erfgoeddrager: Rania

‘De bevrijding, kind dat was me een feest!’

Henk Post was 14 jaar toen de oorlog begon. Hij kon zich dus nog veel herinneren van de bezettingstijd. Lemyae, Rania en Zeinab, leerlingen van de Rosa Boekdrukkerschool, waren de eerste uit hun klas die iemand mochten interviewen. Dat was dus wel even spannend! Gelukkig kon meneer Post genoeg vertellen over de oorlog.

Zat u of uw familie in het verzet?
Ik woonde tijdens de oorlog in de Shackletonstraat 24-I, om de hoek bij jullie school. Achter hadden we een balkon en vanaf daar zag je de binnentuinen en de balkons van alle buren. Op 31 augustus was koningin Wilhelmina jarig, maar je mocht de Nederlandse vlag niet uithangen. Mijn vader heeft toen rood-wit-blauw wasgoed opgehangen aan de waslijn buiten. Na enkele uren had bijna iedereen in de tuin en op het balkon de was opgehangen in de kleuren van de Nederlandse vlag. Ook weet ik nog goed dat mijn broers, mijn vader en ik aan een razzia zijn ontkomen. We waren net naar de kerk geweest in de Chasséstraat. Toen we terug liepen naar huis kwamen we de buurman tegen. Hij waarschuwde ons dat de Gestapo voor de deur stond. Ik ben stiekem naar de Shackletonstraat gegaan om te kijken wat er aan de hand was. Er stonden drie grote legerauto’s voor de deur. Alle mannen en jongens werden ingeladen in die auto’s. Na drie dagen kwamen al die opgepakte mannen en jongens terug, met een flinke boete. Mijn broer en ik zijn toen langs alle buren gegaan om geld op te halen voor die mensen. Zo konden ze die boete betalen. Later hebben we nog verzetskrantjes weggebracht zoals Trouw, Parool en Waarheid. Mijn vader regelde dat allemaal.’

Hoe was het om de Hongerwinter mee te maken?
De eerste oorlogsjaren was er gelukkig niet zo heel veel aan de hand voor ons. Je mocht alleen niet veel meer doen. Je mocht niet meer ‘s avonds laat op straat, want je moest om acht uur binnen zijn. Later kwam de Hongerwinter en toen veranderde er veel. In het begin toen we bonnen kregen, was er nog wel voedsel aanwezig. We kregen bijvoorbeeld nog groenten en brood. Later was er steeds minder eten. Het brood wat je later in de oorlog kreeg, was eigenlijk niet te eten. Het was helemaal pikzwart en het smaakte naar klei. We hadden zo’n honger dat we het toch erg lekker vonden. Mijn broers en ik lagen dan op bed heel voorzichtig dat ene sneetje brood op te knabbelen. In maart ’45 is mijn vader overleden door de honger. We wilden voor hem een kist kopen voor de begrafenis, maar dat konden we alleen krijgen in ruil voor een zak aardappelen. Dat hadden we natuurlijk niet. Mijn vader was nota bene omgekomen omdat er geen eten was. We hadden vaak niks te eten. Één aardappel kostte een gulden. We aten suikerbieten of tulpenbollen, maar het ergste was nog onze buurman. Hij was kolenboer en omdat er zo’n tekort aan kolen was tijdens de oorlog verdiende hij daar heel veel geld mee. Hij had daarom wel altijd eten. Op een gegeven moment stond hij op een kacheltje op zijn balkon eten, zoals aardappelen en vis, te koken. Mijn vader, die toen nog leefde, vroeg aan de buurman of wij ook wat konden krijgen. Het enige wat we kregen, waren aardappelschillen.’

Hoe beleefde u de bevrijding?
‘Kind, dat was me een feest! Zo’n groot feest! Alle straten waren vol met dansende mensen, muziek, alles! Overal, elk uur, de hele nachten door had je feest op de straat. We kregen ondertussen ook lekker eten. De mensen stonden op de daken met vlaggetjes te juichen naar de Engelse vliegtuigen, die overkwamen en voedsel dropten aan parachutes. De bevrijding, dat kan ik eigenlijk niet eens goed navertellen, was zo’n verschrikkelijk mooi feest. Zo’n groot feest maak je niet meer mee. Gelukkig maar, want dan zou je eerst weer een nare bezetting moeten hebben. Er gebeurden ook vervelende dingen na de bevrijding. Alle vrouwen en meisjes die relaties hadden met Duitse soldaten werden opgepakt door groepen mensen. Die vrouwen werden op een paard en wagen gezet. Hun haren werden helemaal kortgeknipt en ze werden met teer ingesmeerd. Daarna werden ze op die kar door de Baarsjes gereden. Ze werden allemaal van huis gehaald die vrouwen. Ik heb er naar gekeken, maar ik vond het zo erg. Ze gingen met die kar ook een vrouw ophalen in de Mercatorstraat. Die vrouw zag de menigte al aankomen, dus ze deed het raam open en liet zich zo op straat vallen vanaf de tweede verdieping om maar niet gepakt te worden. Ik ben toen meteen weg gegaan. Jaren daarna heb ik haar nog mank zien lopen. Ze is er dus niet goed vanaf gekomen. Ik vond het verschrikkelijk dat die vrouwen zo behandeld werden.’

                

Erfgoeddrager: Rania

‘Verstopt onder dikke dekens met m’n pop lag ik te dubben of ze me zouden vinden’

Ena Breukelaar was zes toen de oorlog begon. Haar vader Adriaan zat in het verzet  en in 1941 moest het hele gezin onderduiken. Aan Rania, Izzah en Sabrine van basisschool De Nautilus vertelt ze over de angstige tijd langs verschillende onderduikadressen en over Klomphannes.

Hoe merkte u dat de oorlog begon?
‘We hadden het eerst helemaal niet in de gaten, heel gek, tot een vriend van mijn vader langskwam die het op de radio had gehoord. Mijn ouders waren ervan overtuigd dat je verzet moest plegen tegen het regime van Hitler. Het was ook om kwaad van te worden; alle Joden die uit je straat worden weggehaald. Dat waren onze buren, dat kon toch niet! Mijn vader bracht onder andere Joden naar onderduikadressen in de Achterhoek, regelde persoonsbewijzen zonder J erin en werkte voor de verbonden krant Vrij Nederland. De Duitsers kwamen er achter wat hij deed en begin 1941 kwamen ze hem halen, maar hij was niet thuis. Ze lieten een briefje voor hem achter, dat ie zich moest melden. Toen zijn we vertrokken, ook ik en mijn vijf jaar oudere broer Wim.’

Hoe was het onderduiken?
‘Ik zat in Scheveningen bij een gezin. Er was één keer een inval toen mijn vader en de rest van de verzetsgroep tijdens een vergadering opgepakt waren. Een van hen bleek een foute, een verrader. Ik sliep, met een dochter van het gezin, op de derde verdieping en de Duitsers waren al op de eerste. Zij stopte me snel aan het voeteneind onder dikke dekens, samen met m’n pop Klompenhannes die ik van opa en oma had gekregen met Sinterklaas. Opa had geregeld dat ik ‘m op mijn onderduikadres kreeg. Onder de dekens met m’n pop lag ik te dubben of de Duitsers me zouden vinden. Ondertussen leidde de moeder van het gezin de soldaten af. Omdat het aantal bedden klopte met het aantal mensen in het gezin – mijn kussen was ook snel weggehaald – dachten ze dat er verder niemand was. Ik moest voor de veiligheid wel naar een ander adres, dat werd de John Franklinstraat in Amsterdam-West. Daar kon ik ook clandestien naar school, onder een andere naam. Buiten spelen mocht niet. De conciërge kende toevallig mijn oma en herkende mij op een foto bij haar thuis. Je wist niet of iemand goed of fout was, dus voor de zekerheid ben ik weer verhuisd, naar Den Haag. Nadat mijn vader in oktober 1942 was verhoord, liepen we minder gevaar. In april 1943 ging ik onder mijn eigen naam weer naar m’n eigen school. Mijn moeder nam de verzetstaken van mijn vader over. Ik moest een klas over doen. Op een reunie sprak iemand me aan over die tijd. ‘Ik heb van jou nooit iets begrepen. Ineens was je weg en ineens was je er weer, en toen zat je niet meer bij ons in de klas. Wat is er toch gebeurd?”

Wat is er met uw vader gebeurd?
‘Na de verhoring moest ie naar kamp Vucht en vervolgens naar Den Haag om veroordeeld te worden. Hij kreeg tuchthuisstraf en moest werken in Siegburg, in Duitsland. Dat was een vreselijke tijd. Hij kreeg vlektyfus en er waren geen medicijnen. Bijna iedereen die vlektyfus had, ging dood. Enkele overleefden, waaronder mijn vader. Na de bevrijding door de Amerikanen ging hij – nog maar 35 kilo zwaar – in quarantaine en werd hij goed verzorgd. Zes weken later kwam hij naar huis. Hij zou 1 juni komen, maar op 28 mei stond er opeens een vrachtwagen voor de deur en daar stapte mijn vader uit. Wim stond vastgenageld voor het raam, in plaats van dat hij open deed. Gelukkig had mijn vader nog de sleutel. ‘Hallo weer,‘ zei hij. ‘Waar is moeder?’ Mijn moeder en ik waren die dag mijn oom en tante helpen verhuizen en Wim wist niet waar we waren. Toen ik thuiskwam stonden er allemaal vriendinnetjes op de stoep. ‘Ena, je vader is thuis gekomen!’ riepen ze. Ik bonsde op de deur en mijn vader deed open. Wim is toen snel moeder gaan halen. Samen renden ze naar huis. Ik vergeet nooit hoe mijn vader toen in de gang stond. Ik deed de deur open en Wim en mijn moeder kwamen binnen, en mijn moeder viel mijn vader in de armen. Zij hebben elkaar minutenlang alleen maar vastgehouden. Wim en ik stonden op een afstandje te kijken.’

En Klomphannes?
‘Die is altijd met mij meegegaan en heb ik nog steeds.’

    

Social Media


Meer zien van onze programma's en op de hoogte blijven van het laatste nieuws?
Volg ons op social media:

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

+31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892