Erfgoeddrager: Omar

‘Altijd stond er een Japanner met een geweer naast je’

Met de auto rijden Omar en Jarvik van het Vox College in Amsterdam-Noord naar Oost. Daar woont Anne-Ruth Wertheim die hen over haar jeugd in Indonesië zal vertellen. Haar woning is ver niet van het huis waar Omar woont. Mevrouw Wertheim is heel aardig. Ze strijdt op allerlei manieren tegen discriminatie. Dat heeft ze meegekregen uit haar Indonesische jeugd. Ze laat de jongens eerst een film zien die ze gemaakt heeft rondom een ganzenbordspel. Dat spel speelde ze toen ze als kind in een kamp in Indonesië zat opgesloten. Het is een indrukwekkende film.

Waar ben u geboren?
‘Ik ben in 1934 geboren in Jakarta, wat vroeger Batavia heette, in Indonesië. De eerste zeven jaar van mijn leven was ik gewoon een koloniaal kind. Als ik mijn kleren uitdeed, schopte ik ze de lucht in… En die werden dan opgevangen, gewassen en netjes opgevouwen door een baboe, een soort bediende. We woonden ook in een heel groot huis. De Indonesiërs zelf woonden natuurlijk in een heel ander soort huis, heel klein, met muren van gevlochten bamboe. Toen ik 6 was, ging ik naar de grote school, zo heette dat. Daar kwam ik in de eerste klas. Het was een volkomen witte klas. In de tweede klas brak rond kerst de oorlog uit. Dus ik heb maar anderhalf jaar op school gezeten.’

Wat deden uw ouders vroeger?
‘Mijn moeder was zangeres en mijn vader was afgestudeerd als rechter. In Nederland kon hij geen baan vinden want in de jaren ’30 was er een crisis. In Indonesië waren wel banen. Daarom heeft hij daar gesolliciteerd. Mijn vader maakte als rechter veel ongelijkheid mee. Als een Indonesiër alleen maar een luciferdoosje stal, moest ie meteen de gevangenis in. Maar was je Hollander en je stal een fiets, dan werd je niet eens in de gevangenis gestopt. Dit vond mijn vader verschrikkelijk. Hij was dus eerst een koloniaal, maar toen hij zag wat er gebeurde begon hij zich te verzetten tegen het koloniale systeem. Hij heeft de Indonesiërs gesteund toen ze onafhankelijk wilden worden.’

Wanneer gingen jullie naar het kamp?
‘Mijn vader was al meteen aan het begin van de Japanse bezetting opgepakt, anderhalf jaar eerder dan mijn moeder, mijn broertje, mijn zusje en ik. Ik herinner me die eerste tijd dat mijn vader al gevangen zat nog wel, die was eigenlijk best leuk. Mijn moeder was namelijk lang niet zo streng. Van haar mochten we veel meer. We hadden voor ons huis bijvoorbeeld een vijver waarin we gingen pootje baden. Van mijn vader mocht dat echt niet. Vanaf het moment dat de Japanners Indonesië binnenvielen, werd over de radio voortdurend gezegd dat Nederlanders naar kampen moesten. Dus je wist dat het ging gebeuren, alleen niet wanneer. In Indonesië slapen de mensen tussen de middag omdat het zo warm is. Wij hadden luiken voor de ramen om de warmte tegen te houden. Op een middag sloegen de Japanners tegen de luiken aan met de kolven van hun geweren en zeiden dat we mee moesten. Wij zijn met een paard en een platte kar met daarop al onze spullen weggevoerd.’

Wat deed u allemaal in het kamp naast spelen?
‘Als kind hadden we corvee. We moesten werken in de groentetuinen, die naast het kamp lagen. Omdat je bijna niks te eten kreeg, was het belangrijk dat die tuinen goed werden verzorgd. Dat vond ik heel vervelend want er stond altijd een Japanner met een geweer naast je om te kijken of je het wel goed deed. Nog steeds heb ik er de pest aan om in de tuin te werken… Ik heb in twee kampen gezeten: eerst in een niet-Joods kamp en later in een Joods kamp. Pas later besefte ik dat ik twee jaar lang in dezelfde kleren heb gelopen. Omdat ik niet veel te eten kreeg, groeide ik ook nauwelijks. Die kleren waren op het laatst wel ontzettend versleten.’

Hoe voelde de bevrijding voor u?
‘Mijn vader zat al die tijd in een ander kamp, ergens in de buurt van Bandung. Een vriend van hem in het kamp had hem op een gegeven moment gezegd: pak je spullen en kom over een half uur bij me want dan gaan we ontsnappen. De Japanners letten niet meer zo goed op, omdat ze wisten dat het einde van de bezetting naderde. Mijn vader en zijn vriend zijn gewoon de poort uitgewandeld. Er waren wel Indonesische bewakers, maar die lieten dat ook gewoon gebeuren. Dagen later kwam mijn vader aan bij ons oude huis in Jakarta. Een jongetje dat voorbij liep zei hem dat hij zo op Hugo leek. Mijn broertje heette Hugo. Het was ons Chinese buurjongetje. De Chinezen hoefden niet de kampen in, onze buren konden er dus al die jaren blijven wonen. Ze hebben mijn vader ontzettend aardig opgevangen en hij mocht daar ook logeren. Via het Rode Kruis heeft hij uitgevonden in welk kamp wij zaten. Hij heeft laten weten aan dat kamp dat hij vrij was en dat hij ons graag terug wilde zien. Wij wisten dus dat hij zou proberen naar ons toe te komen. Op 7 september stond ik bij de poort van het kamp. Er was een parachute naar beneden gekomen met voedsel van het Rode Kruis. Ik stond daar naar te kijken toen ik het geluid hoorde van een hele oude fiets. Dat was mijn vader. Hij droeg een korte broek en een heel erg versleten t-shirtje. Het was een wonder dat ik hem herkende want we hadden elkaar wel drieënhalf jaar niet gezien, maar hij herkende mij ook meteen. Ik heb even met hem staan praten, tot hij zei dat ik mijn moeder maar eens moest gaan halen.’

 

Erfgoeddrager: Omar

‘Ik werd als driejarig meisje in mijn eentje in de gevangenis gezet’

Lous Steenhuis-Hoepelman (1941) begint haar verhaal met een sprookje. Het is geen vrolijk sprookje zoals gewoonlijk, maar een sprookje over een onschuldig, joods meisje van drie jaar dat van haar ouders wordt gescheiden, onderduikt, verraden wordt en uiteindelijk op transport wordt gezet naar verschillende concentratiekampen. Kayleigh, Lina, Omar en Saúl van de Rosa Boekdrukkerschool luisteren aandachtig naar het oorlogsverhaal van Lous. Ook heeft Lous allemaal spulletjes mee uit de oorlog, zoals haar popje Mies.

Wat voor spulletjes heeft u allemaal mee?
‘Mijn oma was naaister en die heeft dit jurkje voor mij gemaakt. Het was mijn eerste jurkje. Het is mij heel dierbaar. Toen het bij ons oorlog was, gingen mijn ouders meteen onderduiken. Zij wisten heel goed wat voor kwade man Hitler was en hoe groot het gevaar voor ons was. Mijn oma wilde niet onderduiken. Zij dacht dat het wel mee zou vallen. Ze dacht dat ze als naaister kleren kon naaien in Auschwitz. Ze heeft zich zo met de trein laten wegvoeren. Ze is meteen vermoord in het kamp. Ik heb mijn oma niet meer gekend, maar dat ik dat jurkje heb, vind ik nog heel bijzonder. Ook heb ik mijn popje Mies mee. Die heb ik gekregen in Westerbork.’

Hoe bent u in Westerbork terecht gekomen?
‘We zijn eerst met zijn drieën ondergedoken in Amsterdam bij een kunstenaar. Dat werd toch te gevaarlijk, dus mijn moeder ging naar Haarlem, mijn vader is in Amsterdam gebleven en ik ging naar Bussum naar mijn oom en tante. Dat was een broer van mijn vader. Hij was ook joods, maar zijn vrouw niet. Als je zo’n gemengd huwelijk had, had je een grotere kans om te overleven. Toch moest hij later ook onderduiken, dus kon ik daar niet meer blijven. Er is een ander adres voor mij gevonden, in de Pieter van der Doesstraat hier in Amsterdam. Daar was nog een joods meisje ondergedoken. Zij werd verraden en toen heeft zij mij weer verraden. Ik werd als driejarig meisje in de gevangenis gezet op het Leidseplein, in mijn eentje. Na de gevangenis kwam ik in Westerbork terecht. Daarna werd ik weer op de trein gezet met allemaal andere kinderen, dit keer naar kamp Bergen-Belsen in Duitsland. Na drie maanden kwamen we in Theresienstadt terecht. Daar was het niet zo erg als in de andere kampen. We zijn daar uiteindelijk bevrijd door de Russen. Met het vliegtuig ben ik terug gekomen naar Nederland.’

Hebben uw ouders de oorlog overleefd?
‘Mijn vader niet, die is vermoord. Hij is ook op zijn onderduikadres in Amsterdam verraden en opgepakt. Toen ze onderweg waren naar het politiebureau heeft hij geprobeerd te vluchten. Bij deze vluchtpoging werd er op hem geschoten dus belandde hij in het ziekenhuis. Daar is hij toch weer gepakt en vervolgens naar Westerbork gebracht. Voordat de trein uit Westerbork naar Auschwitz vertrok, heeft mijn vader nog een briefkaart uit de trein kunnen gooien. Deze heb ik nu nog steeds. Het was een heel positief bericht, maar ik denk dat hij dit alleen maar deed om mijn moeder gerust te stellen. Mijn vader werd bij aankomst in Auschwitz meteen vermoord. Het was 28 februari 1943 en hij was nog maar 26 jaar.’

Hoe ging het verder met uw moeder?
‘Ze ging door met verzetswerk, zoals stiekem krantjes maken waar het echte nieuws in stond. Ze kregen via radio Oranje zulke berichten door. Mijn moeder bracht die krantjes rond in de kinderwagen. Ik lag als baby bovenop die krantjes. Toen ik eenmaal gescheiden was van mijn moeder wist zij al die tijd niet of ik nog wel leefde. Aan het eind van de oorlog had ze via via gehoord dat ik nog in leven was en per vliegtuig aan zou komen in Eindhoven. Ze stond me daar op te wachten. Ik herkende haar helemaal niet en zij mij ook niet. Er stond een mager, doodziek meisje voor haar. Ik had allerlei ziektes opgelopen in de kampen. Gelukkig had mijn moeder inmiddels een huis in Amsterdam waar we heen konden.’


Erfgoeddrager: Omar

‘Groot feest in de Ritakerk’

Het bombardement op de Ritakerk in Noord kan Annie Onderwater-Van Gogh zich nog goed herinneren. De kerk vol zat vol met feestelijk geklede mensen. En toen vielen de bommen.

Wanneer merkte u iets van de oorlog?
“Op 17 juli 1943 was er een groot feest in de Ritakerk, waar iedereen van mijn school naar toe ging. Ik had een prachtig jurkje aan en voelde me net een bruidje. Ineens hoorden we enorm lawaai en werd het helemaal donker. Overal om ons heen hingen grote stofwolken. De kloosterzuster riep dat we allemaal onder de banken moesten schuilen maar ik zat dichtbij de uitgang en ben snel naar buiten gerend. Naar huis. In onze straat was ook een bom gevallen. In de dakgoot van het huis hing een soldatenlaars. Ons huis stond nog overeind, maar was niet meer bewoonbaar.”

Heeft uw familie het bombardement overleefd?
“Ja, toen ik de hoek omliep, kwam mijn vader net aan. Samen liepen we naar het park, waar we mijn moeder en zusje weer zagen. Zij waren thuis geweest toen de bommen vielen. Mijn zusje zat aan de eettafel en mijn moeder op het toilet. Mijn moeder heeft toen snel mijn zusje bij zich geroepen in de wc. Een geluk, bleek later, want de eettafel lag helemaal onder de glasscherven. Na het bombardement lagen de straten vol met stenen en scherven. Als kinderen bouwden wij onze eigen huisjes met de stenen en speelden samen ‘vadertje en moedertje’.”

Heeft u last gehad van de Hongerwinter?
“Mijn moeder was toen hoogzwanger van mijn broertje en ging twee keer in de week op de fiets naar de boeren om eten voor ons te halen. Sommige kinderen uit de buurt werden bij boeren in de omgeving ondergebracht om aan te sterken. Mijn zusje en ik waren ook uitgekozen maar mijn vader wilde dat ik thuis bleef. Mijn zusje ging wel en woonde tot het einde van de oorlog bij een boer in Opdam.”

 

Erfgoeddrager: Omar

‘We zaten in de Ritakerk toen die per ongeluk gebombardeerd werd door de Engelsen’

Toen we het verhaal van Gerard Rebel hoorden beseften we dat het eigenlijk een wonder is dat hij en zijn broertjes en zusjes de oorlog hebben overleefd. Zij zaten namelijk in de Ritakerk toen die per ongeluk gebombardeerd werd door de Engelsen. “We klommen over het puin en ik rende naar huis, met mijn duim in mijn mond en mijn hand op mijn achterhoofd.”

 

Hoe ervoer u het uitbreken van de oorlog?
“Voor mij als zesjarig jongetje was dat erg spannend. Ik weet nog dat ik in de Van der Pekstraat heb staan kijken hoe de Duitse militaire voertuigen voorbij reden. Die waren met het pontje overgestoken en reden zo Amsterdam-Noord binnen. Ze hadden allemaal kanonnen op wielen en andere machtig interessante dingen bij zich. 

Die militairen moesten natuurlijk ergens overnachten, dus toen werden onze scholen ingepikt. We konden gewoon naar school in een ander gebouw hoor. In het begin vond ik de Duitse soldaten eigenlijk helemaal nog niet zo slecht. Als je bijvoorbeeld langs de oude school liep gooiden ze chocoladerepen uit het raam. Dat was dan weer mooi meegenomen.”

Hoe kwam het dat de Ritakerk gebombardeerd werd?
“Toen de Duitse soldaten eenmaal goed en wel gesetteld waren in Amsterdam-Noord gingen ze fabrieken zoals die van Fokker en de scheepsbouwwerven voor hun eigen doeleinden gebruiken. Dat was natuurlijk een doorn in het oog van de Engelsen en Amerikanen dus die probeerden die fabrieken onklaar te maken met bommen. 

Een van die bombardementen vond plaats op 17 juli 1943. Het was eigenlijk veel te slecht weer om te bombarderen. Het doel, de Fokkerfabriek, werd gemist, maar omliggende huizen en de Ritakerk werden geraakt. Maar in de kerk zat ik met mijn broertjes en zusjes en honderden andere kinderen om het 25-jarig bestaan van de kerk te vieren. De bom ontplofte niet; dat is ons geluk geweest. Met pijn aan mijn achterhoofd rende ik naar huis. De hele Van der Pekbuurt lag in puin, en toen ik mijn ouders niet kon vinden raakte ik in paniek. Gelukkig doken ze snel op en toen was het hun beurt om te schrikken van alles dat er was gebeurd.”

Heeft u ook moeten schuilen?
“Na het bombardement vonden mijn ouders het wel verstandig dat de kinderen uit de Van der Pekbuurt zouden verhuizen, voor het geval het nog een keer misging. Ik werd naar Nieuw-Vennep gebracht en vond het helemaal niks. De kinderen werden daar in bussen aangevoerd en letterlijk uitgedeeld onder de families. Ik kwam terecht bij een gezin waar we ’s avonds met z’n achttienen zaten te eten. Het leek wel een hotel. Moet je nagaan hoe groot het hart was van die vader en moeder van dat gezin.”

Erfgoeddrager: Omar

‘Omdat ik heel mager was moest ik toen ik 14 jaar was naar een gezin in Groningen’

Wij zijn Omar, Pratham, Gizem en Mischa en wij interviewden Maartje van Empelen. Mevrouw van Empelen woonde dan misschien in Tuindorp toen de oorlog begon, er lekker blijven wonen zat er niet in. Ze vertelt ons hoe ze vaak moest verhuizen, soms omdat het te gevaarlijk was en soms omdat er te weinig eten was. “In 1943 werd vliegtuigfabriek Fokker gebombardeerd”, vertelt ze. “Dat richtte in de buurt zo’n ravage aan dat we bij vrienden in moesten trekken. Maar daar vielen later ook bommen, dus daar moesten we ook weg.”

 

U vertelde dat u vaak bent verhuisd in de oorlog. Heeft u wel altijd in Amsterdam gewoond?
“Omdat ik heel mager was moest ik toen ik 14 jaar was naar een gezin in Groningen, in 1944. Met een groep kinderen van mijn leeftijd werden we op de boot gezet het IJsselmeer over, en dat gebeurde in stilte en heel stiekem. Dat was heel spannend, want de reis duurde een paar dagen.

Ik ben toen bij een gezin in Stadskanaal gebleven tot de bevrijding. Daarna mochten kinderen niet meteen terug naar Amsterdam, maar ik had zo’n heimwee! Ik ben toen stiekem in de vrachtwagen van de vader van het onderduikadres meegereden naar Amsterdam. In een kist, zodat soldaten me niet zagen als ze kwamen controleren.”

Toen u nog hier woonde, heeft u toen meegemaakt dat mensen verdwenen? 
“Ik heb gezien dat Joodse mensen door Duitsers uit hun huizen werden meegenomen. Ik begreep het niet helemaal maar dacht ‘Mijn hemel, wat gebeurt hier?’. Zo was ook een Joods vriendinnetje van mij opgepakt. Ik heb haar nooit meer teruggezien. 
Later werden ook mannen opgehaald om in Duitse fabrieken te gaan werken. Lange rijen jongens stonden opgesteld om meegenomen te worden. Ik heb nog een keer snel brood voor ze gehaald bij de bakker. Er waren ook jongens die konden ontkomen aan deze plicht. Je had hier allemaal steegjes, en daar konden ze zich gemakkelijk verschuilen. Maar voor Joodse mensen was het niet zo gemakkelijk zich te verstoppen. Zij droegen een Jodenster op hun kleding waardoor ze goed te herkennen waren.”

Hoe heeft u de hongersnood ervaren?
“Vlak bij ons huis was een boerderij waar de boer aardappels had gepoot, en ik moest dan ’s avonds stiekem het weiland op om kleine aardappeltjes uit het veld te halen. Officieel mocht je na 8 uur niet meer buiten zijn, maar als klein meisje viel ik niet zo op. Ik dacht toentertijd dat de soldaten me niet zagen, maar nu denk ik daar wel anders over. Ze zagen natuurlijk alles, maar dachten vast ‘Ach, laat dat meisje maar lekker gaan’. Mijn vader zei altijd dat er tussen de slechte mensen ook goeden zitten. Die soldaten waren ook maar jongens. Jonge jongens, vaak. Daar zaten ook een hoop goeden bij.”

Erfgoeddrager: Omar

‘Als je je maar hield aan de regels’

Wij zijn Abdelrahman en Omar, 11 en 12 jaar oud. We interviewden mevrouw Van der Poll, in het bejaardentehuis aan de Ferdinand Bolstraat, waar zij nu woont. Mevrouw Van der Poll is al heel oud. Ze kon zich al veel niet meer herinneren. En vond het moeilijk om over de oorlog te praten.

Kende u veel Joodse mensen?
“Twaalf jaar lang werkte ik in een naaiatelier. Ik heb altijd met Joodse mensen gewerkt. Voor hen en met hen. Op het naaiatelier had ik ook veel Joodse collega’s. Op een gegeven moment mochten we niet meer met z’n allen in één zaal werken. De Joodse collega’s werden gescheiden van de christelijke. En de Joodse klanten moesten via een aparte ingang naar binnen. Dat vond ik niet leuk. Als collega’s waren we zo eigen met elkaar. Maar ik kon er niets tegen doen. Je kon niet in opstand komen.

Veel Joodse collega’s werden weggehaald. Ik weet niet hoe het met ze afgelopen is. Ik heb ze nooit meer gezien. Als je weggehaald werd, dan kwam je nooit meer terug. Later ben ik voor mezelf begonnen als coupeuse, vanuit mijn eigen huis in de Van Woustraat.”

Hoe was uw dagelijks leven?
“Het leven in de oorlog was slecht. Na acht uur ’s avonds mocht je niet meer de straat op. Je mocht geen radio hebben. Je moest alles inleveren. Lampen moest je inleveren. Alles wat ijzer was moest je inleveren. Als je het niet deed dan was dat gevaarlijk, want er waren controles. Maar ik was niet bang voor de Duitsers. Als je je maar hield aan hun regels, dan hoefde je niet bang te zijn. Eten was slecht. Je kreeg bonnen. Bonnen voor brood en voor snoep en sigaretten. Ik rookte veel. Na het werk kocht ik altijd sigaretten. Consi heetten die sigaretten. Dat waren ‘surrogaatsigaretten’. Vrouwen vanaf 25 jaar kregen bonnen voor 10 sigaretten per week of 300 gram snoep voor één maand. Ik kocht sigaretten soms ook voor 4 gulden per stuk.”

Wat herinnert u zich van de Hongerwinter?
“Ik haalde eten, met een pannetje, uit de gaarkeuken. Alle bomen in de Van Woustraat werden gekapt. Mijn buurman van drie hoog heeft dat ook gedaan. Dan zette hij de boomstam in de trap. Als je hout nodig had, dan zaagde je er zelf een stuk van af. Aan de overkant van de straat woonden NSB’ers. Iemand heeft de dochter van dat gezin na de oorlog kaal geschoren, omdat dat meisje omging met Duitse mannen. Ik zag het gebeuren.” 

Kinderen op weg naar de gaarkeuken, 1944
Tijdens het interview

 

Social Media


Meer zien van onze programma's en op de hoogte blijven van het laatste nieuws?
Volg ons op social media:

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

+31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892