Erfgoeddrager: Noah

‘Ze hadden afgesproken elkaar daar na de oorlog weer te zien ’

Sylvia Polak is de dochter van de Joodse Harrie Polak. Hij is in 1925 geboren en was vijftien jaar toen de oorlog begon. Omdat hij al is overleden, vertelt Sylvia zijn verhaal aan Mirna, Noah, Zoë en Hannah van basisschool De Kraal. Na het interview nemen de leerlingen een kijkje bij het huis gelopen waar Harrie destijds woonde.

Heeft uw vader ondergedoken gezeten?
‘Nee. Zijn familie werd opgeroepen om naar het Muiderpoortstation te komen, net als alle Joodse mensen uit deze buurt. Vanaf daar zijn ze naar kamp Westerbork gebracht en daarna naar andere kampen. Dus ze hebben niet ondergedoken gezeten. Niemand van het gezin van mijn vader heeft de oorlog overleefd. Alleen hij en van de rest van de familie één tante en één oom. Zij zijn de enige drie die uit concentratiekampen en van onderduikadressen zijn teruggekomen.’

Hoe heeft hij de kampen overleefd?
Hij was een jonge, sterke man. Hij heeft ook veel gesport in zijn leven. En hij heeft zich in kampen elke keer aangemeld om te werken. Als je werkte, had je een grotere kans om het te overleven. Dan kreeg je ook vaak iets meer te eten. Mijn vader is in dertien verschillende werkkampen geweest. Hij overleefde dat slim. Hij verzorgde bijvoorbeeld zijn tanden heel goed. Want hij wist dat je infecties kon oplopen als je niet genoeg vitamines binnenkreeg en je tanden niet goed verzorgde. Dat deed met hij takjes en stokjes, niet met een tandenborstel. Op school had hij leren stofferen. In het kamp maakte hij van zijn rugzak een regencape. Daardoor bleef hij droger en werd hij minder snel ziek. Ook droeg hij in het kamp foto’s van zijn vader, moeder en broertje bij zich. Die liet hij altijd aan de vrouwen die aan het koken waren zien. Dat vonden ze zo geweldig dat hij aan het einde van de dag altijd in die ketels mocht klimmen om uit het onderste nog wat eten te schrapen. Ook waren in de kampen veel bewakers die hun eigen barak hadden. Mijn vader bood dan aan om hun barak schoon te maken voor een extra boterham. Hij was een brutale, slimme jongen. Hij durfde veel.’

Hoe was het bij terugkomst?
‘Dat was natuurlijk heel verdrietig, want er was helemaal niemand meer. Hij had met zijn familie afgesproken dat ze elkaar weer zouden zien in de Retiefstraat. Maar ze waren er niet. Hij is toen wekenlang elke dag naar het Centraal Station gegaan om te kijken of er familie terugkwam, maar helaas, dat is nooit gebeurd. Er is nog een zielig verhaal. Toen het gezin van mijn vader weg moest van huis, mochten ze niets meenemen, alleen een koffertje. Toen heeft mijn grootvader waardevolle spulletjes – een zilveren beker, een armbandje en nog wat sieraden – in een kistje in de tuin begraven. Na de oorlog heeft mijn vader bij zijn oude huis aangebeld en gevraagd of hij in de tuin dat kistje mocht opgraven. De vrouw die er woonde, zei dat het niet uitkwam en dat hij over een maand maar terug moest komen. Toen hij de volgende maand terugkwam, was het huis leeg en was de tuin omgespit. Wat er met het sierradenkistje is gebeurd, zullen we nooit weten.’

       

Erfgoeddrager: Noah

‘We speelden met alle kinderen, kleurtjes zag ik niet’

Els Winkelaar werd begin jaren vijftig geboren op Kalimantan, het Indonesische deel van Borneo. Indonesië was sinds enkele jaren onafhankelijk en steeds meer Indische Nederlanders werden gerepatrieerd. Aan tweedeklassers Noah, Eden, Bela, Onno en Geesje van Het 4e Gymnasium in Amsterdam vertelt ze over de twee gedwongen overtochten die ze in haar jeugd maakte en het wennen in een vaderland dat ze niet kende.

Waarom woonde u in Indonesi
ë?
‘Mijn opa was beroepsmilitair bij het KNIL, het koloniale leger van Nederland. Hij ging naar Nederlands-Indië en is snel daarvoor met mijn oma getrouwd, zodat ze mee kon. Mijn moeder is in Nederlands-Indië geboren. Mijn vader heeft eenzelfde achtergrond. Ik had er een heerlijke jeugd. We vierden Sinterklaas, die het behoorlijk warm had in zijn pak, met Kerst versierden we een palmboompje en we speelden met alle kinderen op de kampong. Inlandse kinderen waren dat, maar kleurtjes zag ik niet. Pas in Nederland kreeg ik het gevoel: ik hoor hier niet. Na de Tweede Wereldoorlog waren mensen van Nederlandse afkomst niet meer welkom. Ze hadden vaak de beste banen en die wilde men voor de eigen, Indonesische mensen. Mijn ouders moesten zodoende in 1957 of 1958 – vrij laat – ‘terug’ naar ons vaderland, dat ik niet kende. Al mochten we slechts een hutkoffer met spullen mee, en moest ik dus veel achterlaten, de overtocht was heerlijk. Zes weken lang zaten we op een boot; mijn zusje en ik konden overal spelen. Als kind had je niet door hoe ernstig de situatie was. Dat mijn ouders het geld voor die reis moesten lenen en later terugbetalen. In Nederland vond ik het minder leuk. Van mijn opa leerde ik sneeuwballen gooien en sneeuwpoppen maken, maar ik vond het koud. Ook mijn ouders konden niet wennen aan het kikkerlandje. Mijn vader vond werk in Nieuw-Guinea en we vertrokken weer. Daar was het zoals in Indië, lekker warm en vertrouwd. Toen Nieuw-Guinea een paar jaar later – ik was inmiddels dertien – aan Indonesië werd afgestaan, moesten we weer weg. Weer naar Nederland, nu voorgoed.’

Hoe zijn uw ouders eerder de oorlog doorgekomen?
‘Mijn vader zat in een kamp bij de Birmaspoorweg. Mijn moeder zat in een jappenkamp op Java. Ze moest zelf haar eten regelen. Ze had een tuintje, maar soms trapten de jappen alles kapot en had ze niks meer. Ook kreeg je straf als je niet boog voor ze. Na de oorlog vonden mijn ouders elkaar weer via het Rode Kruis. Mijn ouders en grootouders waren getraumatiseerd. En toen kwam de Bersiapperiode, waarin men streed voor een onafhankelijk Indonesië. Nederland wilde het land niet afstaan: thee, koffie, specerijen en meer brachten veel geld op. Daar werd dus nog een hele strijd om gestreden, met als resultaat dat wij naar Nederland moesten. Hier was er geen ruimte om te praten over wat mijn ouders en grootouders hadden meegemaakt. Men vond dat het nooit zo erg kon zijn geweest als wat de Duitsers hadden gedaan. Ze wilden geen gezeur over een andere oorlog. Door dat gedwongen zwijgen, kregen mijn ouders erg last van de oorlog. Er zijn vanuit de overheid ook nooit excuses gekomen. Mijn opa heeft als gevangen KNIL-militair in de oorlog, en daarna strijdend in de Bersiaptijd, geen salaris gekregen van de Nederlandse regering. Daar wordt door het nageslacht nog steeds om gevraagd; laatst nog tijdens een demonstratie op de Dam.’

Wat mist u van Nederlands-Indië?
‘Het eten en de zon. We gingen van Indische rijsttafel naar Hollandse pot. Stamppot, tuinbonen, spruitjes… Mijn moeder wist niet hoe ze dat moest bereiden, het smaakte nergens naar. Later leerde ik over bloemkool met een sausje, over spekjes bij tuinbonen. Dan leer je het lekker bereiden. Ik mis nog altijd het verse fruit. Bananen smaken heel anders als je ze direct van het land, waar ze in de zon gerijpt zijn, kunt eten. Veel lekkerder. En die zon mis ik dus ook erg. Ik ben altijd een koukleum gebleven. Schaatsen of sleeën met de kinderen vond ik maar niks. Nog steeds niet. Ik heb me na aankomst hier lang niet thuis gevoeld. In het begin noemden ze me poepchinees, omdat ik nog een kleurtje had. Tot ik, doordat er minder zon was, wat witter werd. Later ben ik een keer teruggegaan. Het was als thuiskomen: de geuren, de kleuren. Maar het was niet meer het land van mijn jeugd. Na die rondreis kwam ik terug in Nederland en was het klaar. Ik hoor hier.’

Erfgoeddrager: Noah

‘Die zilveren lepel doe ik nooit weg’

Noah, Samantha, Maartje en Jim van de Twiskeschool in Amsterdam-Noord willen van Harry Sablerolle graag weten of hij huisdieren had in de oorlog. Hij vertelt dat hij op een dag een zielig hondje op straat had gevonden, dat hij mee naar huis nam. Helaas stierf het beestje drie weken later aan de hondenziekte. En of meneer Sablerolle ook katten had? Nou, die werden in de oorlog geslacht zodat ze weer iets te eten hadden.

Had u onderduikers in huis?
‘We hadden aan het eind van de oorlog onderduikers in huis. Mijn vader moest werken voor de Duitsers, bij de kustverdediging. Wanneer je aan het strand bent, zie je wel eens van die bunkers staan. Daar moest mijn vader graven en betonstorten. Hitler wilde de hele kust tot en met Spanje verdedigen met bunkers, zodat de Engelsen en Amerikanen nergens konden landen. Op een dag, eind 1944, brak er een spoorwegstaking uit. De Duitsers konden daardoor hun spullen niet goed transporteren. Het betekende ook dat er hongersnood ontstond. Bij mijn vader aan de kust werkte een jongeman die in Brabant woonde, maar die door de staking niet meer naar huis kon. Hij kwam daarom bij ons wonen. Ook twee zoons van een oom kwamen bij ons terecht want die waren bang om naar een werkkamp te worden gestuurd. Want dat is oorlog: gevaar, opgepakt worden en naar een kamp worden gestuurd.’

Bent u dierbaren verloren in de oorlog?
‘Een oom van mij, een jongere broer van mijn moeder, moest in Duitsland werken, maar wilde dat niet. In de Lutmastraat in de Pijp vond hij een onderduikadres. Hij had verkering met een meisje, alleen hield hij niet genoeg van haar dus maakte hij het uit. Het meisje heeft hem toen verraden. Mijn oom is opgepakt en nooit meer teruggekomen. Hij moest werken in een fabriek in Aken en is overleden door een bombardement van de geallieerden. Een broer van mijn vader had twee Joodse mensen in huis, maar ook hij werd verraden. Sommige Nederlanders verdienden geld door Joden aan te geven. Mijn oom kon nog net die twee mensen waarschuwen. Hij zei: “Vlucht maar naar mijn ouders toe.” Ze zijn toen lopend naar mijn opa en oma gegaan die in West woonden, en zijn daar tot na de oorlog gebleven. Mijn oom is opgepakt en naar Kamp Vught gebracht, waar hij is gemarteld. Maar hij kon zijn ouders natuurlijk niet verraden. Hij heeft het gelukkig wel overleefd.’

Heeft u nog spullen uit de oorlog?
‘Niet echt van de oorlog zelf niet, maar na de oorlog stuurde het Foster Parents Plan kinderen naar buiten om bij te komen van de schrik en van de honger. Zo ben ik op een boot naar Engeland gevaren, met een heleboel andere kinderen. Ik heb toen vier maanden in Engeland gezeten. Van die boot heb ik nog een zilveren lepel in mijn la liggen. Die doe ik natuurlijk nooit weg.’

Erfgoeddrager: Noah

‘Ik vond het heel naar om in zo’n betonnen ding te zitten, terwijl buiten bommen vielen’

Vanaf de tafel in het huis van Frans Strik kijken Kaylee, Noah en Rieky van de Trudoschool in Eindhoven uit op een mooie binnentuin. Daarachter staat een atelier; Meneer Strik is kunstenaar en heeft veel tentoonstellingen gehad. Overal in huis hangen portretten en landschappen van zijn hand. Ook zijn vrouw is kunstenares. De keramiektegels en schalen, beschilderd in vrolijke kleuren zijn door haar gemaakt. Na een drankje vragen de kinderen over de oorlog, toen meneer Strik met zijn ouders en vijf broers in de Annastraat woonde.

Hoe kwam u aan eten in de oorlog?
Ik heb geen honger geleden. Mijn vader kon in zijn geboorteplaats Oss eten krijgen van de boeren. En we hadden toen de Beemd, velden in Strijp waar mensen een tuintje hadden om eten te verbouwen. Daar gingen we dan stiekem eten weghalen. Ook pikte ik met mijn jongere broertje aardappelen op de aardappelvelden. Dan kropen we daar onder het prikkeldraad door en verzamelden we aardappelen in een grote zak op onze buik. Op een dag kwam er een Duitser aan. “Was machen sie hier?” vroeg hij. “Uh, Kartoffelen stehlen,” zei ik. We werden meegenomen naar het vliegveld waar we in een cel, met echte tralies en een deur met een luikje, werden gezet. Mijn broertje was heel erg bang en huilde de hele tijd. En ik zei alsmaar tegen hem: “Ach, ze doen ons niks”. Elke keer als het luikje openging en een Duitse soldaat zei: “Ohhh das kostet zwanzig Jahre im Gefängnis”. Dan begon mijn broertje nog harder huilen. En ik maar troosten en zeggen dat dat bluf was, maar ik was zelf ook heel bang. En zo ging dat maar door, met steeds een andere soldaat die weer hetzelfde zei. Tot een Duitser een keer vroeg wie ons gevangen had gezet. We moesten eruit komen en alle soldaten moesten op een rij staan en ik moest aanwijzen wie ons mee had genomen. Die soldaat werd toen in de cel gezet en wij mochten naar huis en kregen nog extra aardappelen mee ook. Maar we mochten het nooit meer doen, zei die Duitser.
Er waren aardige Duitsers. Ik hoorde van klasgenootjes dat ze van soldaten een Schwing kregen. Dat was een herkenningsteken in de vorm van een vleugeltje. Een keer vroeg ik dat ook aan een Duitse soldaat, dat was aan de Frederikslaan. Hij boog zich naar mij en begon in het Duits te praten. Ik was zo bang en rende naar huis. Hij riep “keine Angst, keine Angst!” Ik viel mijn  moeder om haar nek en zei dat die Duitser mij wilde pakken. Maar toen vertelde hij dat hij een zoontje met net zulk blond haar als ik thuis heeft, van mijn leeftijd. Hij had er niks kwaads mee bedoeld. Ik kreeg vijf Schwings waar ik mijn vriendjes mee kon overbluffen.’

Heeft u wel eens in een schuilkelder gezeten?
‘Jazeker. Dat vond ik heel beangstigend. Philips had in alle straten in Philipsdorp een schuilkelder gemaakt, dus ook voor de Annastraat waar wij woonden. Als ik het alarm hoorde, was ik zo bang. Nu hoor je het nog steeds elke eerste maandag van de maand en ik vind het nog steeds een heel angstig gehoor. De kelder was zo lang als hier deze huiskamer. Er waren twee ingangen, hier en daar, en banken langs de kant, alleen voor de ouderen. Alle mensen uit de straat zaten erin. Het was behoorlijk vol. Ik vond het heel naar om in zo’n betonnen ding te zitten, terwijl buiten werd geschoten en gebombardeerd en zo. Ik bleef altijd bij de ingang staan, zodat ik weer snel weg kon. Heel vaak kreeg ik op mijn kop. “Ga naar binnen,” zei men. Maar dan ging ik toch weer stiekem naar buiten. En het gebeurde ook ’s nachts bijna altijd. Dan kwamen Engelse vliegtuigen over om Duitsland te bombarderen. Omdat men niet wist waar die vielen, ging het luchtalarm af. Zaten we in onze pyjama in de schuilkelder. Een buurvrouw, een hele oude opoe, riep alsmaar: “Ik wil naar huis, ik wil naar huis”. Ik werd gek van dat mens. Ze  hield zich aan mij vast en ik moest haar dan weer uit de kelder trekken, verschrikkelijk.

Hoe was de Bevrijding?
‘Dat was een feest. We hoorden de nacht ervoor kanonnengebulder vanuit België. We wisten dat de Engelsen heel dichtbij waren. We gingen voor het dakraampje staan kijken en zagen toen in de verte allemaal parachutisten landen. We waren zo blij, het ontroert me nu nog. We zagen de militairen Eindhoven binnenkomen. De Engelsen over de Aalsterweg en de Amerikanen uit Son. De Duitse soldaten waren altijd zo streng, maar de Amerikanen en Engelsen kwamen heel vriendelijk binnenwandelen, heel ontspannen. De Amerikanen kwamen kauwgom kauwend aanlopen en wij begroetten ze. Maar een dag later riepen de Engelsen vanaf hun tanks “Go home, go home!”, want er vielen allemaal lichtkogels. Wij dachten dat dat bij de Bevrijding hoorde, maar dat was het niet. Ik was bang en ben hard naar huis gelopen.’

         

Erfgoeddrager: Noah

‘Ze pakten m’n eten af, sloegen me in elkaar en lieten me bebloed achter in de sneeuw’

Voor dit interview reisden Isa, Wout, Noah en Tijmen van de J.D. van Arkelschool in Broek op Langedijk naar Amsterdam, waar ze hartelijk verwelkomd werden door Han Romijn, geboren in 1930 en oudoom van hun meester. Meneer Romijn dacht dat ze wel een ijsje lustten na de autorit en daar had hij gelijk in. Met ijs en met hun schriftje vol vragen paraat kon het gesprek beginnen.

Wanneer merkte u iets van de oorlog in het dagelijks leven?
De spanning in de oorlogsjaren was altijd voelbaar. We zagen Duitse soldaten en wagens met kanonnen. Maar aan de andere kant gingen we ook gewoon naar school. ’s Avonds moesten de ramen verduisterd zijn, zodat de Engelse vliegeniers niet wisten waar ze vlogen. Dan zagen we lichtstralen door de lucht. De Duitsers hoopten zo een vliegtuig te spotten en neer te kunnen schieten, zodat ze niet door konden vliegen om Duitsland te bombarderen. Soms hingen we uit het raam om naar de vliegtuiggevechten te kijken. Dan zagen we brandende vliegtuigen en piloten die aan een parachute uit het vliegtuig sprongen en in de weilanden terechtkwamen.’

Was u weleens bang in de oorlog?
‘Ja, één keer ben ik écht verschrikkelijk bang geweest.  Ik was veertien en op hongertocht in Noord-Holland. Het was tegen het einde van de oorlog en ik reed op een dijkje tussen Avenhorn en Ursem. Er vlogen allemaal vliegtuigen over. Engelse vliegtuigen werden begeleid door jagers en die verveelden zich blijkbaar, want ze begonnen zomaar op ons te schieten.  We verscholen ons aan de ene kant van het dijkje en toen aan de andere kant, doodsbang voor wat er kon gebeuren. Het was gewoon een poging tot moord! Toen de oorlog was afgelopen, was dat angstige gevoel opeens weg.  Ik kan het niet zo goed beschrijven maar je voelde je echt weer vrij!’

Was er genoeg eten in de oorlog?
‘Vanaf 1942 kon je alleen iets kopen als je er een bonnetje voor had. Maar in de winter van 1944, de hongerwinter, hadden we in Amsterdam bijna geen eten meer. Daarom ging ik op hongertocht, met een  fiets met tuinslangen als banden ging ik naar onder andere Groningen en Drenthe om kleding of ander spullen bij boeren te ruilen voor eten. Ik was soms weken onderweg terwijl mijn moeder niet wist waar ik was. Soms mocht ik bij iemand in de hooiberg slapen, soms bij de mensen thuis. Als ik geluk had en thuiskwam met wat aardappelen leek het wel of ik met goud thuiskwam. Zo waardevol waren de aardappelen voor mijn moeder. Dan knielde ze op het kleed en spreidde de aardappeltjes over het kleed. Maar tijdens één van de tochten werd mijn eten door een groep  jongens afgepakt. Omdat ik me verdedigde, sloegen ze me in elkaar. Ze lieten me achter, in de sneeuw, mijn mond onder het bloed. Gelukkig nam een meneer me mee naar een bejaardentehuis in Wormerveer. Daar kon ik voor één keer mijn buik vol eten. Via via kwam ik terecht in Broek op Langedijk, bij de familie  van jullie meester. Ik was zo verzwakt en uitgehongerd dat ik bewusteloos raakte. Twee weken lang was ik van de wereld en werd ik goed verzorgd door deze lieve familie tot ik weer was aangesterkt.  De vriendschap met de familie is altijd gebleven. In het bijzonder met Annie, de dochter van het gezin. Ik werd verliefd op haar, het was wederzijds en we zijn getrouwd!’

Erfgoeddrager: Noah

‘De boterhammen van ‘tante’ Jana.’

Wij hebben Meneer Vonk in De Rietvink geïnterviewd, waar hij samen met zijn vrouw woont.

Heeft u de hele oorlog in de Jordaan gewoond?
‘Toen ik een jaar of 10 was, hebben we een tijdje bij  de zus van mijn moeder in Noord gewoond, omdat zij een groot huis had en tienerkinderen, die op mij en mijn broertje konden passen. Daar had ik een vriendje, Fransie Bekkers. Hij had konijntjes. Ik ging met hem gras snijden voor de konijntjes op het Mosveld. Je had er een voetbalveld en er stond een noodkerkje.
Op een ochtend zou ik weer gras snijden met Fransie. Maar mijn moeder wilde net weg toen Fransie mij kwam halen en ze stuurde hem weg.
Aan het IJ was de Fokker fabriek, vliegtuigfabriek. De Geallieerden bombardeerden die fabriek. Maar er waren netten overheen gespannen, waarop dakpannen waren getekend. De Geallieerden wisten niet precies waar nu de echte huizen waren en de fabriek. Ze hebben toen hun bommen te vroeg losgelaten en die vielen op gewone huizen. Er is op die noodkerk ook een bom gevallen, waar Fransie net gras aan het snijden was voor de konijntjes. Fransie is toen doodgegaan.’

Heeft u de hongerwinter meegemaakt?
‘In de hongerwinter woonde ik in de Goudsbloemstraat 96, bij mijn Opoe. Op nummer 82 woonde Hein de Bruin, hij was muzikant, hij had van een tafelpoot een soort orgeltje gemaakt. Er was nergens meer muziek op straat en hij liep met dat ding op straat. Toen het winter werd, zagen we hem niet meer. Het was ook erg koud. Na een tijdje gingen ze kijken en zagen ze dat hij in de voorkamer lag en al tot ontbinding overging. Hij kon daar niet blijven, maar er waren geen begrafenissen meer, want er waren geen kisten, er was geen hout. Ook was de grond bevroren en konden ze geen graf graven. Aan de overkant van de straat was een school, dus toen hebben ze hem daar neergelegd, in de hoop dat iemand hem mee zou nemen. Toen de hongerwinter langer duurde en er meer mensen doodgingen, werden alle doden in de Noorderkerk gelegd. Ze lagen op de banken, waar normaal de mensen op de banken zaten te bidden, lagen nu de kartonnen dozen met de doden. De koster liep door de kerk met een bel, van voor naar achter. Die bel luidde hij om de ratten weg te jagen. Was hij aan het eind van de kerk, dan renden de ratten naar de voorkant.’

Heeft u iets waar u trots op bent of iets waar u zich voor schaamt?
‘Een paar huizen verderop de Lindengracht woonde ‘tante’ Jana Piek, zij kwam uit een boerenfamilie en kreeg van haar familie eten. Zij gaf mijn moeder altijd wat te eten. Wij kinderen jatten de houtjes tussen de rails. Die houtjes waren geteerd. Die branden goed. We tikten ze met een schroevendraaier en een hamer los. Er reden toch geen trams meer.
Ik bracht ook naar die tante Jana wat blokjes. Dan kreeg ik van haar een boterham. Dat was gewoon een stuk cake, zo lekker, heel anders dat dat kleffe klei van de bakker. Ik was zo dankbaar. Een keer kwam ik met maar twee blokjes, ik was een mager mannetje en had geen kracht meer. Zij was al een oudere vrouw en vroeg of ik ze naar zolder kon brengen. Ik bracht ze en wat denk je? Lag die hele zolder vol met alle blokjes die ik haar had gebracht. Ze had ze niet nodig, maar vond het fijn om mij een paar boterhammen te geven.
Maar na de oorlog, ik was dertien jaar, kwam ze mij tegemoet lopen op de Lindengracht. Ze was heel oud geworden. En toen ze dichterbij kwam en wilde groeten, keek ik naar de grond. Ik vind dat zo erg! Ik had eigenlijk na de oorlog een hele grote bos bloemen aan haar willen geven om haar te bedanken, maar ik heb het af laten weten. Later die winter, hoorde ik dat tante Jana was uitgegleden op de brug en was overleden. Toen kon ik haar nooit meer bedanken. Dat zit mij nu nog dwars.’

foto’s: Marieke Baljé

Erfgoeddrager: Noah

‘Van Alphenschool’

Wij interviewden meneer Paul Rowold. Hij vertelde over zijn oom Leo Piller. Zijn oom was Joods en docent in opleiding op de joodse Van Alphenschool, wat nu onze school is. Gelukkig kon Leo Piller onderduiken en overleefde de oorlog. Jaren later heeft meneer Rowold zijn oom kunnen interviewen en daarom kon hij veel over zijn levensverhaal vertellen.

Bankier wordt docent
“September 1941 werden alle Joodse kinderen door de Duitsers verplicht om naar een joodse school te gaan. De scholen die al joods onderwijs hadden voor de oorlogmoesten zoveel mogelijk Joodse leerlingen opnemen. Voor de andere kinderen werden haastig joodse scholen opgericht. de scholen kregen meestal een nummer. De Van Alphenschool was ‘Joodse school 1’.
Mijn oom was eigenlijk helemaal geen leraar. Hij werkte bij een bank op het Waterlooplein, maar werd daar ontslagen omdat hij Joods was. Vanwege een tekort aan Joodse leerkrachten is hij omgeschoold en werd na zijn ‘kwekelingtijd’ op de Van Alphenschool tijdelijk docent op een lagere school in de Dapperbuurt.”

Tijdelijk voor de klas
“Elke dag liep Leo van huis naar zijn school. Joden mochten niet meer rijden met de tram, hun fietsen waren afgepakt. Op de terugweg naar huis moest hij snel zijn, want het was anderhalf uur lopen en voor ‘spertijd’ moest hij binnen zijn.Een half jaar heeft hij maar les kunnen geven,want het leerlingaantal in de klas werd steeds kleiner. Mijn oom vertelde me over een jongetje in zijn klas dat vrolijk riep: ‘Meester, wij gaan naar Polen!’
Leo is ondergedoken, samen met zijn zus, (mijn moeder) en zijn ouders. De Nederlandse politie ging bij zijn (niet-Joodse) vrouw in Amsterdam langs om te informeren waar Leo was. Zij blufte: ‘Jullie hebben hem toch al lang weggehaald!’”

Vechten zonder kogels
“Als ik mijn oom vroeg wanneer hij echt bang is geweest, vertelde hij over mei 1940, toen de oorlog begon. Hij was soldaat in Limburg en heeft daar de Duitsers binnen zien komen. Gevochten heeft hij nauwelijks, want ze hadden geen kogels. ‘Toen ben ik echt bang geweest, daarna nooit meer,’ vertelde hij.”

foto’s: Marieke Baljé

Erfgoeddrager: Noah

‘Mijn moeder bleef in leven omdat ze met een niet-Joodse man was getrouwd’

Wij waren op bezoek bij mevrouw Bernards-Baas. Zij is in 1945 geboren. Ze heeft dus niet zelf de oorlog meegemaakt, maar haar oudere zusje Eva en haar ouders wel. Haar zusje en moeder, Eva Pachter, werden in 1943 door Annemie Wolff gefotografeerd, in datzelfde jaar kwam de familie van mevrouw Bernards-Baas in Westerbork terecht.

Hoe was het leven in het gezin van uw ouders en zusje tijdens de oorlog?
“Ze woonden in de Rijnstraat op nummer 26, achter de winkel van mijn ouders ‘Radio Baas’ een winkel voor elektrische apparaten. Mijn moeder was Joods. Haar ouders en vier zussen woonden bij ons om de hoek. In de straat van haar ouders had mijn moeder mijn vader ontmoet: Willem Baas, haar niet-Joodse buurman. Ze trouwden in oktober 1940.
In 1943 werden mijn grootouders en tantes gedeporteerd en kwamen in kamp Westerbork terecht. Mijn moeder stuurde ze pakketjes met levensmiddelen en mijn grootouders stuurden kaartjes terug. Ik heb ze nu nog. Ze schreven ondermeer over de levensmiddelen die ze hadden ontvangen en vroegen om nieuwe spullen. In 1943 en 1944 zijn mijn tantes en grootouders vermoord in Auschwitz. Alleen mijn moeder bleef in leven omdat ze met een niet-Joodse man was getrouwd.”

Kende u iemand die in het verzet zat?
“Mijn vader was actief in het verzet, hij vervalste papieren voor Joodse mensen. Door verraad is hij in Kamp Vught terecht gekomen. Totdat hij daar tuberculose opdeed. Toen mocht hij van de kampbewakers wel weer naar huis: ‘Ga maar naar huis, je gaat waarschijnlijk toch wel dood.’ Doodziek kwam hij thuis, bij mijn moeder.

In de Hongerwinter had mijn moeder een zieke peuter met tuberculose en een ernstig zieke man in huis. Om meer eten te kunnen krijgen ging ze met mijn zusje op haar arm naar het hoofdkantoor voor meer distributiebonnen. Ze moest een Jodenster dragen en liep dus gevaar. Om die te verbergen nam ze mijn zusje Eva op haar arm en hield haar stevig vast voor haar ster, zodat niemand die kon zien. Wonder boven wonder lukte het haar telkens weer om extra bonnen te krijgen. Alle drie zijn ze door de Hongerwinter heen gekomen en in de lente van 1945, vlak voor de bevrijding, werd ik geboren.” 

Benieuwd geworden naar de foto's van Annemie Wolff? Kijk op de website: http://stichtingwolff.nl/

Leerlingen van de Anne Frankschool interviewen Edith Bernards-Baas

Social Media


Meer zien van onze programma's en op de hoogte blijven van het laatste nieuws?
Volg ons op social media:

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

+31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892