Erfgoeddrager: Mouad

‘Gekookte bloembollen smaakten echt vies!‘

Voor de 83-jarige Jan Meijer en zijn vrouw is de school Spring High waar Merin, Nizar, Mouad en Yil op zitten nog knap lastig te vinden. Als ze elkaar even voor tienen treffen, glimlacht Jan van oor tot oor. Hij praat veel en luid. ‘Hij is het zonnetje in huis’, zegt zijn vrouw. En een geboren verteller, zullen de kinderen algauw achter komen. De plattegronden die ze hebben meegenomen laten zien waar Jan tijdens de oorlog woonde. Het adres Ringweg K21, op Sloterdijk, bestaat namelijk niet meer.

Wat at u tijdens de oorlog?
‘We hebben zo’n honger geleden. Omdat er niet voldoende was, waren we de hele tijd op zoek naar voedsel. Mijn vader had een volkstuintje, maar veel leverde dat niet op. We aten vaak pap; die maakte mijn moeder van melk van de schillenboer, die ik wel eens hielp. Soms gingen we appeltjes pikken. En in de zomer gingen we tarwe, die overbleef na het oogsten van het graan, zoeken op de akkers van de boeren. Dat vermaalde ik dan met de koffiemolen tot meel en daarvan bakte mijn moeder brood. Bij Halfweg verbouwden ze suikerbieten. Daar was ook een suikerfabriek toen. Bieten die van de wagen vielen, namen we mee naar huis. Mijn moeder kookte dat en dan stonk het hele huis naar de zoete suikerbietengeur. Gekookte bloembollen stonden ook vaak op het menu. Vies was dat! En dan had je nog de gaarkeuken op de Haarlemmerweg. Daar at je wat de pot schafte.
We hadden dus geluk dat we vlakbij boerenland woonden. Maar ik bewaar nare herinneringen aan die tijd. Boeren gaven al hun eten aan de kerk en wij kregen niets. Mijn moeder was erg boos op ze, omdat ze ons geen eten gunden. Ik ben opgevoed met een hekel aan boeren hebben.’

Waren er ook leuke momenten tijdens de oorlog?
‘Schillen bij de mensen thuis ophalen voor de schillenboer! Die schillen werden gebruikt als veevoer. Dan ging ik deur na deur, telkens al die trappen op, met mijn zak om het bakkie met schillen, dat dan klaar stond, leeg te halen. Dat brachten we dan naar boeren, voor hun koeien. Die schillen werden ook gewogen. Daarvoor in ruil kreeg mijn moeder melk. Ik had echt lol in dat werk. Dat schillen halen hield me van de straat en dat vond mijn moeder belangrijk.’

Wat is een van de erge dingen die u meemaakte tijdens de oorlog?
‘Dat gebeurde net na de oorlog, tijdens het bevrijdingsfeest op de Dam. De burgemeester ging daar speechen. Mijn moeder zei: “De oorlog is voorbij, we gaan kijken wat ze daar zeggen.” Op de hoek van de Kalverstraat en de Nieuwendijk was de Groote Club gevestigd. Daar zaten een paar Duitse soldaten met geweren verscholen. Heel de Dam was vol met mensen. Ineens werd er geschoten. Mijn moeder trok mijn broertje mee en liep de Nieuwendijk in. Mijn vader nam mij mee naar het Damrak. Daar wachtten we bij Hotel de Rode Leeuw tot het schieten over was. Dat hotel zal ik nooit vergeten. Het was voor mij een heel angstig moment. We wilden natuurlijk in leven blijven dus ik liep heel hard weg, maar mijn vader kon niet zo hard lopen als ik. Dus ik moest het kalmer aan doen. Als ik nu over de Dam loop, zeg ik altijd tegen mijn vrouw: “Hier heb ik achter dat schot gezeten tijdens de beschieting.” Dat soort dingen zijn erg. Heel veel mensen zijn toen ook doodgeschoten. Daarom zeg ik: we moeten geen ruzie maken met andere landen. Jullie kinderen hebben de macht om dat tegen te gaan!’

           

Erfgoeddrager: Mouad

Het komt zoals het komen moet: kun je het aan of niet?

Ethem, Mouad, Duygu en Yiwen van het Edith Steincollege in Den Haag, interviewden mevrouw Tilly Snellen over haar jeugd in voormalig Nederlands-Indië.
Het interview werd gehouden in het Indisch Herinneringscentrum.

Wat is uw afkomst?
‘Tijdens de Japanse bezetting hadden wij een pandafteran, een soort pas waarin precies werd opgeschreven wat jouw roots waren. Ik ben van gemengde afkomst. Ik noem mijzelf nooit halfbloed, maar ratatouille. Ik heb van alles in mij zitten. Indiaas bloed. Deens, Duits. Mijn opa was Duits, mijn oma was van Curaçao, maar gemengd met Nederlands. Ze zag er getint uit. Ze sprak keurig Nederlands. Mijn voormoeder was een prinses uit de Kratong. De Sultan van de Kratong, beschermde mensen die uit de Kratong kwamen.

Was u bang toen de oorlog uitbrak?
‘Ik was bang om op straat te komen. Meisjes werden van de straat geplukt en in een bordeel voor de Jappen gegooid. Deze meisjes werden troostmeisjes genoemd. Ze kwamen soms ook aan huis om meisjes mee te nemen. Ik was daar als de dood voor. De gegoede meisjes waren voor de officieren en de minderen voor de soldaten. Ik was vijftien en moest vaak boodschappen doen op de markt en droeg zo veel mogelijk kleding om maar niet op te vallen. Ze reden met een jeep langs en trokken je mee. Je moest buigen voor Japanners, zo diep mogelijk. Als je niet diep genoeg boog, kreeg je een klap voor je hoofd: dieper! We mochten niet naar school. Ik maakte me daar zorgen over. Ik dacht al aan mijn toekomst. Ik hoorde dat er een leraar was, die stiekem les gaf in typen, steno enz. Ik ging in het geheim op de fiets, zonder banden, banmatti, naar die leraar. Ik heb daar diploma’s gehaald die later goedgekeurd werden.’

Heeft u in een kamp gezeten?
‘Ik heb in twee kampen gezeten. Het eerste was in een woonwijk in Djokja, dit was ook dankzij die Sultan van de Kratong, hij heeft onze familie een beetje geholpen, omdat hij ons kende. We waren wel vrij, maar aan onszelf overgelaten. De buren kwamen ’s avonds eten brengen.

Na de Japanse capitulatie begon de Bersiap-periode.

Er kwam een groep jonge Indonesiërs met bambu-runcing, bamboestokken met een ijzeren punt of in punt gesneden. Er zijn veel mensen vermoord door Indonesiërs, opgefokt door de Japanners. Een kleine jongen met mitrailleur moest ons onder bedwang houden. We werden in een kamer gedreven. Als hij een verkeerde beweging maakte gingen we er allemaal aan. Ze hebben het huis helemaal leeggeroofd.

Daarna werden we door de Indonesiërs geïnterneerd. Ze waren handtastelijk, ze pestten je. Je was machteloos en hoopte maar dat ze je niets aandeden. Je moest in die tijd doorgaan, je mag geen last zijn voor je medegevangenen. Je zat in een verschrikkelijke tijd. Er was bijna geen eten. Mijn zusje en ik werden later gescheiden.

Wanneer bent u naar Nederland gekomen?
‘Toen er vrede was, werkte ik als secretaresse. Mijn Hollandse baas had personeel nodig voor het magazijn. Ik moest een advertentie zetten in de krant. Als er jonge Indonesische studenten op afkwamen,  moest ik zeggen dat de vacature al vergeven was. Want hij noemde ze troublemakers. Dat deed ik, maar toen kwam er een man een paar keer en iedere keer zei ik dat de vacature vergeven was. Maar hij vertrouwde het niet. Toen kreeg ik een dreigbrief, van deze man. Hij zei dat ik moest oppassen, dat ik niet moest doen alsof ik beter was dan hij, want ik was hier ook geboren en getogen. Dat was het hele probleem: zij dachten dat wij ons beter voelden dan de Indonesiërs. De commissaris van de politie, een Indonesiër, heeft mij toen aangeraden om weg te gaan, want hij vond het een duidelijke bedreiging. Ze wisten waar ik woonde en dat ik alleen was.

Toen ben ik gevlucht. Ik ben in mijn eentje hier gekomen. Ik werd opgevangen door vrienden, die al eerder naar Nederland waren gekomen. Ik had geen familie hier. Ik ben meteen gaan werken en heb nog meer cursussen gevolgd. Ik ben op kamers gaan wonen. Ik heb alles zelf gedaan.

Ik heb hier ook wel wat vervelende dingen meegemaakt, maar als je zulke dingen hebt meegemaakt als tiener, dan geloof ik dat je toch wel heel wat kan hebben. Het komt zoals het komen moet: kun je het aan of niet?’

 

Social Media


Meer zien van onze programma's en op de hoogte blijven van het laatste nieuws?
Volg ons op social media:

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

+31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892