Erfgoeddrager: Merel

‘Het Joodse meisje verkruimelde haar brood voor de smekende gezichten’

Roel, Yesmin en Merel zitten op school, De Trinoom in Eindhoven, achter de laptop als ze de zesentachtigjarige Ria Meesters interviewen. Ria woont in een zonnig appartement in Geldrop. Ze heeft allemaal oude foto’s klaargelegd voor het interview, brieven van haar vader die in Duitsland te werk was gesteld en een mooi boekje van haar verblijf in Denemarken na de oorlog. Nadat ze verteld heeft over haar leven van vandaag gaan de leerlingen over tot hun vragen over de oorlog.

Hoe begon de oorlog voor u?
‘Mijn vader werd meteen onder dienst geroepen. Hij moest direct toen de Duitsers Nederland binnenvielen in het leger meevechten. De Duitsers wonnen, het Nederlandse leger werd opgeheven en mijn vader moest verplicht in Duitsland gaan werken voor de oorlogsindustrie. Dus hij was vanaf de eerste dag weg. Dat was niet fijn. Maar als je weigerde ging je de gevangenis in. Mijn moeder heeft het best zwaar gehad in haar eentje met drie kinderen. En met onderduikers in huis.
In de oorlog moest je op tijd binnen zijn voor de avondklok. Alles moest ook verduisterd zijn, dus het was pikdonker. Als je fietste konden de Duitsers je fiets afpakken. Zomaar. Weg fiets! Wij kinderen gingen dan de mensen in de buurt waarschuwen. “Niet daar rijden, daar staan Duitsers!” waarschuwden we. Dus op een gegeven moment kwamen er dan bij die Duitsers verderop geen fietsen meer voorbijrijden. Ze snapten er helemaal niets van.’

Hoe heeft u de bevrijding ervaren?
‘De bevrijding was een groot feest. Het was echt geweldig fijn. Alle pleinen waren verlicht en er was muziek en er werd gedanst. Maar we hadden geen papa. Hij kwam maar niet terug en we wisten niet of hij nog leefde. Totdat op 5 mei de capitulatie kwam. De dag erna kwam mijn vader thuis. Het was een mooier feest dan de bevrijding zelf! Ik zag aan het begin van de straat die dag iemand aankomen en ik dacht: dat is papa, dat is papa! Ik rende naar huis en riep: “Mama, papa komt eraan!” Ik kreeg een draai om mijn oren, want ze dacht dat ik haar voor de gek hield. Maar hij was het wel. Ik heb hier nog alle brieven die hij ons in de oorlog schreef. Die brieven werden door de Duitsers nagekeken, gecensureerd. Dat kun je hier nog zien aan die strepen die erdoor staan. Mijn vader heette Piet. Dit is een briefje van zijn moeder. “Beste Piet, even wil ik je een briefje schrijven want het is alweer een hele tijd geleden. Ik wil je schrijven dat we allen nog gezond zijn en hoop dat u dat ook nog bent.” We hebben hem nooit iets gevraagd over hoe het daar is geweest en hij heeft ook nooit iets verteld daarover.’

Hoe was het na de oorlog?
‘Ik ben in november 1945 met het kindertransport naar Denemarken meegegaan. Kinderen die geleden hadden in de oorlog mochten van Philips naar Engeland, Zweden, Zwitserland of Denemarken om aan te sterken. We reden door Duitsland en door het treinraampje zag het er onderweg verschrikkelijk uit. Alles was kapot gebombardeerd. De mensen leefden aan de grond, het was verschrikkelijk. En de mensen hadden honger, honger, honger. Als onze trein een station binnenkwam, stonden de Duitsers met hun handen om hoog. “Eten, eten, eten,” riepen ze. Ze hadden niets. In mijn coupé zat een Joods meisje. Zij pakte haar brood en voor het raampje verkruimelde ze voor de gezichten van die smekende Duitse mensen haar brood. Ik snapte het toen niet, achteraf wel. Haar hele familie was uitgemoord door de nazi’s. Ik zal dat beeld van dat Joodse meisje nooit vergeten. Na een lange reis kwam ik in Denemarken aan. Ik heb drie dagen gehuild van de heimwee. Maar naar huis gaan, dat ging zomaar niet. Uiteindelijk wende ik en heb ik het daar bijna een jaar heel fijn gehad bij ‘oom’ en ‘tante’. Eenmaal thuis in Nederland heb ik ook weer drie dagen gehuild. Daar heb ik van geleerd dat als je een kind waar ook op de wereld goed behandelt en verzorgt, het altijd zal wennen.’

   

Erfgoeddrager: Merel

‘Eigenlijk was het niet in orde om dat door een kind te laten doen’

Beau, Jules, Merel en Jelka van de Bosschool in Bergen gaan vrolijk kibbelend op weg. Aan tafel met Alex Waslander gaat het gekibbel door. “Het lijkt wel oorlog aan jullie kant van de tafel,” merkt de verteller grappend op. Het bruggetje naar het onderwerp is gemaakt en de kinderen zetten hun beste beentje voor.

Waar woonde u in de oorlog?
‘Ik ben wel zeven keer verhuisd. Daardoor had ik in die tijd ook bijna geen vrienden. Na de evacuatie uit Bergen woonden we bij mijn opa en oma in Alkmaar. Zij hadden een onderduiker in huis, maar dat hoorde ik pas later. Dat werd toen niet verteld aan kinderen. Opa en oma waren toen ‘u’ voor kinderen. Ze waren niet van het lijfelijke contact; heel anders dan opa’s en oma’s nu zijn.
Later hebben we in Egmond gewoond. Achter ons huis oefenden Duitse soldaten met schieten. Dat vond ik wel eng. Maar als ze klaar waren ging ik de duinen in om de hulzen van de kogels te zoeken. Daarna woonden we in Koedijk, vlak bij het kanaal. Daar voeren Duitse oorlogsschepen van Amsterdam naar Den Helder. Eng was het als Engelse vliegtuigen de schepen gingen bombarderen. Dat was vlak bij ons huis. Vooral als de oorlogsschepen schoten, was ik bang. Ik weet ook nog goed dat ik in Koedijk met een kolenschip, een lange schuit vol kolen, meeging naar de veiling in Langedijk. Daar werden de kolen aan de Duitsers geveild. Dan kreeg ik na afloop een kool mee naar huis!’

Kende u mensen die bij het verzet zaten?
‘Tijdens de Hongerwinter, dat was in 1944, zaten we in huis bij iemand die in het verzet zat. Ik moest regelmatig spullen naar mensen in Koedijk voor hem wegbrengen. Pas later hoorde ik dat hij mij inzette om informatie over te brengen. Eigenlijk was het niet in orde om dat door een kind te laten doen, maar het hoorde er wel bij in de oorlog.’

Wat deed uw vader in de oorlog?
‘Mijn vader was marinier en vocht voor Nederland op de Javazee. Hij zat in een onderzeeër. Wij woonden eerst in Surabaya in voormalig Nederlands-Indië en kwamen in 1939 naar Nederland. Omdat de oorlog toen begon, moest mijn vader in Indië blijven om te vechten. Hij was de hele oorlog niet bij ons, dat was wel vreemd. Wij hadden toen dus eigenlijk geen vader. We hadden geen idee ook hoe het met hem was, want hij zat ergens op de Atlantische oceaan om konvooien via Australië naar Canada te begeleiden. Eenmaal per twee maanden kregen we een brief van het Rode Kruis. Dan mocht hij twee regeltjes schrijven en wisten we dat hij nog leefde. Wij schreven dan twee zinnen terug. Dan kon je alleen laten weten dat je gezond was. Op het moment dat je die brief van hem niet meer zou krijgen, betekende dat dat hij dood was. Van de 140.000 mariniers hebben 36.000 het niet overleefd. Mijn vader kwam in juni 1945 terug. We woonden toen in Koedijk, ik was negen jaar oud. Op een dag kwam er een marineman aanlopen met een plunjezak op zijn schouder. Ik zat naast een bruggetje te wachten, omdat ze hadden gezegd dat hij misschien terug zou komen. Ik zei: “Meneer, bent u mijn vader?” En hij antwoordde: “Als jij Alex heet, ben ik jouw vader”.

Wat vond u het ergste in de oorlog?
‘Dat ik wist dat vader ergens onder water zat. Zo’n onderzeeër was een grote ijzeren doodskist, Ik was bang dat hij dood zou gaan. Ik zat altijd in de piepzak. Als we eerder dan die twee maanden een brief zouden krijgen dan zou er iets in staan wat we niet wilden: dat hij dood zou zijn. Een heleboel andere mensen kregen zo’n brief, maar mijn vader overleefde de oorlog. We hebben heel veel geluk gehad.’

       

Erfgoeddrager: Merel

‘Alle kinderen in het kamp moesten doorzingen’

Deborah Maarsen kan fantastisch vertellen, vinden Nadine, Sara, Saskia en Merel van de Dongeschool in de Amsterdamse Rivierenbuurt. Het interview is niet alleen speciaal door de corona-omstandigheden, het gaat via Skype, maar ook omdat het deze dag Jom Hasjoa is. Dan worden in Israël alle mensen herdacht die tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn omgekomen. Twee dagen na het interview gaan de kinderen mevrouw Maarsen een bos bloemen brengen, ook dat is bijzonder.

Waar woonden uw ouders aan het begin van de oorlog?
‘Mijn vader was in 1930 als bontwerker uit Hongarije naar Nederland gekomen, omdat hier veel meer werk was. Hij vestigde zich in Rotterdam, waar hij een goedlopende bontzaak had. Hij trouwde met mijn moeder in 1938 en ze kregen voor mij twee dochters. Tijdens het bombardement van 10 mei 1940 raakten ze alles kwijt: hun huis, hun winkel, alles. In 1942 werd mijn moeder opgeroepen voor Westerbork, daar moest ze als Joodse naartoe met haar dochters.’

Uiteindelijk kwam u met uw zussen en moeder in vrouwenkamp Ravensbrück terecht. Uw vader moest naar Buchenwald. Wat gebeurde er met kerstmis 1944 in Ravensbrück?
‘Toen moesten alle kinderen van het kamp tijdens het kerstdiner van de bewakers kerstliedjes zingen. Maar mijn moeder wilde niet dat wij als Joodse kinderen christelijke kerstliedjes zongen en verstopte ons onder een luik in de barak waar wij sliepen. Toen de SS’ers klaar waren met eten, moesten alle kinderen blijven doorzingen. De soldaten gingen naar buiten, goten benzine om de barak en staken die in brand. Al die honderden kinderen zijn toen verbrand, stel je voor. Mijn twee zussen en ik waren de enige drie kinderen die Ravensbrück hebben overleefd. Toen ik dat jaren later vertelde aan de voorzitter van het herdenkingscomité voor Ravensbrück, geloofde hij me niet eens. Ik heb in Israël een document van onze familiegeschiedenis opgevraagd om het te bewijzen.’

Wat was het laatste wonder waardoor u het hebt overleefd?
‘In de paniek die na de brand ontstond, wilden de Duitsers het kamp zo snel mogelijk ontruimen om alle sporen van hun verschrikkelijke daden te wissen. Het hele kamp moest leeg. Door de chaos merkten ze niet dat wij er nog waren. We werden met veewagens naar Bergen-Belsen gebracht. Daar werden we door de Canadezen bevrijd. Zij deelden witbrood, chocola en melk uit. Maar mijn zus vertrouwde dat ‘witte water’ niet, want ze had het nog nooit gezien en dacht: o jee, nu gaan ze ons vergiftigen. En dat was maar goed ook, want iedereen was zo uitgehongerd dat ze alles naar binnen propten. Dat is helemaal niet goed voor je. Er zijn toen alsnog heel veel kinderen doodgegaan. Zo heeft mijn zus ons het leven gered.’

Erfgoeddrager: Merel

‘In plaats van op schoenen, liep ik op een stukje karton’

Jamie, Merel en Tara van de 3e Daltonschool interviewen Gerritje Nuisker bij haar thuis in Zuidoost. Ze was een baby toen de oorlog begon en groeide op aan de Mauvestraat, vlakbij hun school. Op foto’s laat ze zien hoe de buurt er vroeger uit zag. 

Kende u mensen in het verzet?
‘Mijn vader bracht Trouw rond. Nu is Trouw een hele dikke ochtendkrant, tijdens de oorlog was het een verzetskrant van slechts één A4’tje. Dat deed hij stiekem, want de Duitsers mochten het niet weten. Ook hadden we twee Joodse mannen in huis. Die zaten onder een luik in de keuken. Dat bracht nogal wat spanningen met zich mee. Vooral als mijn oom en tante kwamen, want zij waren van de NSB. Als zij er waren, voelde ik de stress van mijn ouders. De onderduikers hebben de oorlog overleefd. Op Bevrijdingsdag kwamen ze het luik uit en hebben ze ons zilveren bestek meegenomen. Wat waren mijn ouders boos! Wat er daarna met ze is gebeurd, weet ik niet, we hebben nooit meer iets van ze vernomen.’

Had u erge honger tijdens de Hongerwinter?
‘De Hongerwinter was een hele nare tijd. Veel mensen gingen letterlijk dood van de honger. Gelukkig had mijn vader werk, waardoor er nog iets van geld binnenkwam. Mensen die helemaal geen werk hadden, hadden al helemaal niets. We hadden geen kleren en geen schoenen. In plaats van op schoenen, liep ik op een stukje karton. En als je een heleboel jurken had, knipte je daar de goede stukjes uit en kon je weer een nieuw jurkje maken. Soms aten we bloembollen. Gatverdarrie bloembollen! Sorry, dat was echt smerig. Ik kan mij nog goed herinneren dat wij op een dag ernstige honger hadden en onze poes met een enorm lap vlees kwam aanlopen. Had ie waarschijnlijk bij iemand gepikt. Nou die ging, hoppa, mooi in onze pan. Daar hebben wij heerlijk van gegeten.’

Hoe was het leven na de oorlog?
‘Het was natuurlijk één groot feest toen Nederland was bevrijd. Dansen, springen, overal waren straatfeesten. Het heeft daarna nog jaren geduurd tot Nederland weer was opgebouwd. Een oorlog richt veel schade aan. Ik groeide op in een arm gezin. Toen ik 19 was, had ik een rok en twee bloesjes, nu heb ik een kast vol kleding. Een Joodse buurman kwam terug uit de oorlog als enige overlevende en zijn huis was door iemand anders bewoond, alles was weg. De oorlog was misschien voorbij, maar er bleven spanningen. We waren bijvoorbeeld bang dat het communisme zou overwaaien vanuit de Sovjet-Unie of China. Het waren vreemde tijden.’

               

Erfgoeddrager: Merel

‘Als de sirenes klonken, lag ik met mijn vingers in mijn oren te krijsen’

Lenie Oortwijn was één jaar toen de oorlog begon, maar kan zich nog heel veel herinneren. Merel, Eleena, Yasmin en Hannah (van basisschool De Nautilus) werden meteen na binnenkomst getrakteerd op zelfgemaakte koek en een pakje chocolademelk. Na afloop vroegen de kinderen om het recept van de koek, want die was heel erg lekker.

Hoe wist u dat er oorlog was?
‘Ik sliep slecht en ’s avond laat hoorde ik laarzen langs het huis lopen. De soldaten bleven even staan en toen liepen ze weer door. Ik voelde de angst van mijn ouders. Wij woonden toen in de Kleine Kattenburgerstraat. Mijn vader werkte als bloemenkoopman in Zaandam. Hij was Joods en mijn moeder niet. Bij een straatrazzia is mijn vader weggehaald. Hij is nooit meer teruggekomen. Toen ik vier jaar was verhuisden we samen met mijn opa en tante Riek naar een halve woning op de hoek van de Jacob van Lennepstraat en de Kinkerstraat. Later kwam er nog een oom bij. Het was bomvol in het huis en ik kon nergens heen. Ik kon zelfs de trap niet op, want de onderste tree was weggezaagd om te stoken. Tante Riek zette mij op bed met mijn pop en daar zat ik dan. Wat ik vooral herinner, is dat je stil moest zijn, stil moest zitten. Omdat ik altijd op bed zat, kwam ik vergroeid uit de oorlog.’

Was u bang in de oorlog?
‘Ik sliep achter een gordijn en hoorde de volwassenen praten. Gruwelijke verhalen waren het, over concentratiekampen, al waren dat toen nog geruchten. Ik was bang voor sirenes. Dan ging ik met mijn vingers in mijn oren liggen krijsen. Oom Ben zei een keer: “Hou op, als jij gaat gillen worden wij allemaal gek!” En ik snapte het. Het was gevaarlijk. Vanaf dat moment was ik geen klein kind meer, vanaf toen draaide ik mee als volwassene. Het was overleven.’

Had u honger in de oorlog?
‘Er was steeds minder eten. Mijn moeder wilde de stad uit. Ze kreeg een baan als huishoudster in Koog aan de Zaan en we werden door de man van het huis met een handkar opgehaald. Het was de dag voor Oud en Nieuw, in de Hongerwinter; we zijn door sneeuw en ijs vertrokken. Het was een afschuwelijk lange wandeling en ik moest steeds stukken lopen, omdat ze bang waren dat ik in de handkar zou bevriezen. Het was gevaarlijk: het was spertijd en dat betekende dat je niet buiten mocht zijn. In Koog aan de Zaan moest ik leren traplopen. En ik kon er buitenspelen! Die man bleek overigens ook een echtgenote te zoeken. Mijn moeder is hertrouwd en ik heb er later een halfzusje en halfbroertje bijgekregen.’

Kunt u zich de Bevrijding herinneren?
‘Ja, het was een prachtige dag. Ik dacht toen echt even dat er nooit meer oorlog zou zijn. Dat heeft veertien dagen geduurd, want ik las al kranten en wist dus dat het anders was. Overal waren in die tijd bomen omgehakt, maar ergens in een tuin stond een Japanse kersenbloesem. Op die meidag bloeide die, en dat vergeet ik nooit meer.’

Werd er na de oorlog nog over gesproken?
‘Nee, zo min mogelijk. Je verdrong het allemaal. Ik had nog maar de helft van mijn familie. Van mijn vaders kant is niemand teruggekomen. Er kwam een officiële brief van het Rode Kruis, maar pas veel later lazen wij in de krant – ik was toen een jaar of tien – meer. Een bloemenkoopman waar mijn vader mee bevriend was, vertelde in een artikel dat zijn vriend Maurits Hildesheim in Auschwitz aan tyfus is overleden. Ik heb die bevriende bloemenman een keer ontmoet, maar ver voordat ik dit allemaal wist. Toen ik namelijk net van de middelbare school afkwam, liep ik een keer over het Leidseplein. Toen de bloemenman daar me zag, verstijfde hij helemaal. Hij gaf mij een witte chrysant. Die heb ik in mijn haar gestoken. Ik wist toen al dat het belangrijk was. Die man keek alsof hij een spook had gezien. Ik heb hem nooit meer gesproken.
Toen ik veertien was en foto’s vond, kwam alles terug. Toen ben ik naar een bevriende dominee gefietst, Nico van der Veen, en heb alles aan hem verteld wat ik nog wist. Dat was heerlijk. “Dat je er thuis niet over kan praten is duidelijk en dat hoeft niet,” zei de dominee. “Maar schrijf maar zoveel mogelijk op.” Voor mijn eigen kleinkinderen heb ik dit jaar (2018, red) een boekje gemaakt met verhalen. Denk erom, oorlog gaat nooit over.’

   

Erfgoeddrager: Merel

‘Tegen een Duitse officier die de weg vroeg, zei ze: So weit möglich nach Osten’

Adriaan Jesse (1932)  woonde aan het begin van de oorlog op de Haarlemmerstraat, later in de Eerste Helmersstraat. Vlak voor de hongerwinter ging hij met zijn broer naar familie op Texel, waar hij de Georgische Opstand meemaakte. Ruben, Jack, Merel en Layla van basisschool De Nautilus gingen op bezoek.

U was zeven toen de oorlog begon, wat weet u nog van die eerste tijd?
‘Ik herinner me dat er een Duitse parachutist bij de tuinderijen bij de Warmondstraat op een dak was geland. En ik weet nog dat er een Engels vliegtuig neerstortte en net op tijd optrok om niet op de huizen terecht te komen; die kwam uiteindelijk voorbij het Aalsmeerplein op het toenmalige luchtvaartlaboratorium terecht. En het moment dat de Duitsers na de overgave van Nederland met tanks binnenkwamen, over de Zeilstraat, de brug over naar het Hoofddorpplein. Dat maakte wel indruk. “Die vuile rotmoffen,” zeiden de mensen. Het eerste jaar van de oorlog verliep verder rustig. Het Duitse volk zag het Nederlandse volk als gelijkwaardig, allebei Germaanse volken. We werden fatsoenlijk behandeld, er was eigenlijk niks aan de hand. Mijn moeder sprak goed Duits. Toen een Duitse officier haar een keer de weg vroeg, zei zij: ‘So weit möglich nach Osten’. Zo ver mogelijk naar het oosten, met andere woorden: donder op. Hij reageerde niet. Hij dacht vast: die vrouw heeft nog gelijk ook.’

Was uw familie veilig in de oorlog?
‘Mijn vader was van nature angstig, maar zat wel in het verzet. Elke keer als hij valse persoonsbewijzen moest wegbrengen, moest hij z’n angsten overwinnen. De groep waar hij in zat, bestond uit twaalf mensen, waaronder zijn broer Wim. Die hebben ze te pakken gekregen; toen is mijn vader ondergedoken. Mijn oom Wim is uiteindelijk gefusilleerd in Buchenwald. De anderen uit de groep zijn ook omgebracht. Onder hen oom Jan, de leider. Een boom van een man, waarmee we als kind heerlijk konden stoeien. Als hij, nadat hij was opgepakt, had gepraat, waren er honderden mensen aangegaan. Onderweg naar kamp Vught zag ie kans op het Centraal Station aan een Nederlandse politieagent een waarschuwingsbriefje af te geven voor m’n vader. Jan Willems heeft de oorlog niet overleefd.
Toen de Duitsers vervolgens bij ons thuis binnenstormden, zei m’n moeder kalm dat m’n vader op kantoor zat. Daar op kantoor zei men dat ie met verlof was. Toen ze weer verhaal kwamen halen bij m’n moeder, wist ze een hele komedie op te voeren. “Is die rotvent weer naar dat wijf toe,” riep ze boos. De soldaten verexcuseerden zich en gingen weg.
Ook mijn broer is een keer opgepakt, toen hij hout sprokkelde bij het Amsterdamse Bos. Mijn moeder ging naar de gevangenis aan de Euterpestraat. Boos dat ze verdomme haar zoon hadden opgepakt; wat dachten ze wel! Mijn broer zat al in de gevangenis op de Amstelveenseweg. Mijn moeder zei tegen de officier: “U zorgt dat mijn zoon thuiskomt” en de volgende dag, onvoorstelbaar, was ie thuis. Hij stonk, want ze zaten met tien man in een éénpersoonscel. Twee dagen later was de hele gevangenisvleugel afgevoerd naar Vught…’

Hoe bent u verder de oorlog doorgekomen?
‘Omdat mijn vader zat ondergedoken en er geen geld en weinig te eten was, ben ik in november 1944, ik was toen twaalf jaar, samen met mijn broer Bob op een fiets met houten banden naar onze grootouders op Texel gegaan. Daar was het op zich rustig, behalve op het eind van de oorlog. Toen kwamen de Georgische soldaten, die gedwongen meevochten met de Duitsers, in opstand. Mijn broer was net in Den Burg toen daar een bombardement plaatsvond. Een Georgische soldaat trok hem mee onder een luik; zo’n beetje op de grens van waar de boel aardig plat werd gebombardeerd. Waarschijnlijk heeft m’n broer zijn leven te danken aan die Georgiër. Het huis van onze tante Theodora aan de Warmoesstraat was geraakt. We vonden haar dood onder het puin. Het gekke was dat ik niet reageerde toen ik het zag; niet bang, niet zenuwachtig…  Veel was door het bombardement verwoest. Huizen, een klooster uit 1300, een lagere school. Ook zag ik nog hoe Duitsers een gevangengenomen Georgiër doodtrapten. Ik liep weg, maar ook toen weer geen angst, geen verschikking, niks, heel gek. Daar schijn je je helemaal voor af te kunnen sluiten.
Op 4 mei capituleerden de Duitsers op Texel. Ik hoorde het Wilhelmus in de grote kerk van Den Burg. Iedereen moest huilen, ik ook. Over het puin liep ik naar mijn grootouders, maar ik kon niet meer praten. Dat duurde wel een dag of tien. Tot bijna vijf jaar na de oorlog heb ik ook gestotterd. Langzaam ging dat over. Het is allemaal zo indrukwekkend geweest dat ik – zelf niet-gelovig opgevoed – ben gaan geloven. Allemaal door de oorlog.’

     

Erfgoeddrager: Merel

‘Bij de bevrijding kregen we wit brood, heerlijk! ’

Wij, Merel, Aya, Fatmanur en Ayhush van de Multatulischool, gingen op bezoek bij mevrouw de Koning. Tijdens de oorlog woonde ze samen met haar tien broers en zussen en haar ouders in de Van Hallstraat. Zij was de jongste van het gezin en dus nog maar een kleuter toen de oorlog begon. Toch zijn de gebeurtenissen haar erg bijgebleven.

Begreep u als kind dat het oorlog was?
In het begin niet, want ja, wij wisten helemaal niet wat oorlog was. Op een gegeven moment kwamen er vliegtuigen en zeiden mijn ouders: “Het is oorlog!” Dat is wat ik me ervan herinner. Op een dag is er een bom gevallen hier in de straat, maar die was niet ontploft. Toen begreep ik wel dat het erg gevaarlijk was, want de hele buurt moest evacueren. Mijn tante woonde in Oost en we zijn toen helemaal naar daar gewandeld. We gingen lopen, want er waren geen vervoersmiddelen. Jullie vinden een fiets nu heel normaal, maar dat was tijdens de oorlog niet zo. We hadden ook geen schoenen. We droegen houten kleppers en ’s zomers wandelden we zonder schoenen, en ja, dan wandel je ook wel eens in glas. Het was een verschrikkelijke tijd.

Heeft u erge honger gehad?
Niet echt, want onze bovenbuurman was een geweldige man. Hij ging helemaal naar de boeren wandelen in Alkmaar en Sint Pancras en ruilde al zijn kostbare spullen voor eten. Wat hij had, daar kregen wij ook van. Het was heel anders in die tijd met buren, er was veel meer samenhorigheid. Alle elf kinderen kregen iedere dag twee boterhammen van de buurman, dat was geweldig. Hij maakte ook vaak een grote stamppot, en daar kregen we allemaal een lepel van. We hadden ook bonnen. Iedereen kreeg een half brood voor de hele week. Je moest uren in de rij staan en soms was het uitverkocht als het jouw beurt was. Dan moest je op zoek naar een andere bakker. Het brood was klef en bruin, maar het was alles wat we hadden. Bij de bevrijding heeft Zweden brood uit vliegtuigen naar beneden gegooid boven het Westerpark, en dat was mooi wit brood, net cake. Iedereen hoorde het en ging er heen. Het was het recht van de sterkste, maar ik heb toen een brood gehad, heerlijk!

Fotografie: Mildred Theunisz

Wat is het spannendste dat u heeft meegemaakt?
Mijn zwager zat ondergedoken. Hij moest naar Duitsland om te werken, zoals de meeste mannen, en dat wilde hij niet. Op een dag kwamen de Duitsers en hij wandelde naar beneden op zijn sokken. De Duitsers riepen: “We moeten bij Treep zijn!” en hij antwoordde: “Dan moet u drie hoog wezen!” Maar je zag duidelijk dat hij daar zelf woonde want hij liep op zijn sokken. Hij wandelde zelf naar boven en kon via het dak ontsnappen, want de Duitsers hadden eerst niet door dat hij het was. Ze hebben nog geprobeerd hem neer te schieten, maar dat mislukte. Hij heeft geluk gehad, want als je ondergedoken zat en je werd opgepakt, dan moest je naar een concentratiekamp.

Erfgoeddrager: Merel

‘ ’s Nachts hoorde je bommenwerpers over de huizen vliegen’

Karel de Boer is 20 jaar als de oorlog begint. Hij wordt wakker van harde knallen en ziet twee vliegtuigen achter elkaar aanjagen. Een paar minuten later gaat het luchtalarm af. Het is oorlog.

Waar woonde u toen de oorlog begon?
Ik woonde in hetzelfde huis als nu en weet nog goed hoe het allemaal begon. Ik sliep op zolder en werd wakker van harde knallen. Twee vliegtuigen zag ik achter elkaar aanvliegen. Het was een prachtig gezicht maar ook erg gevaarlijk.
Na 2 jaar moesten wij hier uit de Kauwlaan weg. Er moest een tankgracht komen. Alles tussen het strand en de tankgracht moest wijken. Mijn ouders hadden vrienden aan de Wassenaarseweg en we mochten bij hen komen wonen. De ochtend dat we verhuisden, stond plots één van de vrienden van de Wassenaarseweg voor de deur. De Duitsers hadden hun huis overgenomen. Gelukkig belde er toen een vriend uit Rotterdam, dat hij nog wel plek had. Rotterdam was net gebombardeerd. Dus het voelde wel raar om juist daar te gaan wonen. We moesten alles in ons huis achterlaten, zodat de Duitsers er meteen in konden trekken. Maar de mensen die ons kwamen helpen verhuizen hebben ons goed geholpen. Want ik wilde niets achterlaten voor de Duitsers. We hebben zelfs de brandende kachel uit het huis gehaald. Ik denk dat dat uiteindelijk de reden is waarom er tijdens de oorlog niemand in dit huis is gaan wonen.

Wat deed u tijdens de oorlog?
Ik wilde mijn studie afmaken in Rotterdam. Maar ik weigerde een verklaring te tekenen, dat ik niets tegen de Duitsers zou ondernemen. Daardoor mocht ik niet verder studeren. Om mijn vader niet in problemen te brengen, heb ik mijzelf bij de Duitsers gemeld en gezegd dat ik de verklaring niet had ondertekend. Ik werd daarop naar Duitsland gebracht en moest 3 jaar lang onder dwang werken. Ik woonde toen in een barak vlak naast een fabriek. De kamer waar we sliepen was ongeveer net zo groot als een woonkamer, maar daar stonden dan stapelbedden voor tien mannen. Wat mij nog steeds bijstaat is, dat de man die onder mij sliep, na vier dagen werd opgepakt en naar een concentratiekamp werd afgevoerd.
Tijdens de bevrijding zat ik nog in Duitsland. Wij hebben onszelf bevrijd. We hadden auto’s gejat en we wachtten tot er weer genoeg treinen reden om ons naar Nederland te brengen. Treinen waren toen een soort open vrachtwagens. Wij werden naar Limburg gebracht, want de rest van Nederland was nog niet bevrijd. Toen de Duitsers echt verslagen waren, ging ik terug naar Rotterdam om mijn spullen te halen. Ik wilde weer terug naar mijn oude huis in Den Haag. Niet iedereen mocht naar Den Haag terug. Alleen de mensen die er voor de oorlog woonden en werkten.

Wat staat u nog het meeste bij van de oorlog?
De angst die je altijd had, want je was nooit veilig. ’s Nachts hoorde je de bommenwerpers over de huizen vliegen. Soms vielen er per ongeluk bommen naar beneden of werden er vliegtuigen neergeschoten. Je wist nooit waar ze terecht zouden komen.
In Duitsland waren de mensen niet vriendelijk tegen de mensen die moesten komen werken uit andere landen. Ook is de omgeving bij de fabriek vaak gebombardeerd. We moesten dan de schuilkelders in, waar je de harde knallen goed hoorde. Het gebouw trilde zo hard, dat er scheuren in de muur kwamen. Daarna kwamen dan Duitse politietroepen, heel nare mensen, om alles weer in orde te maken. Als de politietroepen er waren, dan had je het als werknemer erg moeilijk.

Erfgoeddrager: Merel

‘Als we toedoedoetoooeeee hoorden, wisten we dat we goed zaten’

Han Tito is geboren in 1927 en woonde tijdens de oorlog in de Cliffordstraat. Voor hem als tiener was het een roerige tijd waarin hij niet meer naar school hoefde.

Hoe kwam u aan voedsel in de oorlog?
‘Dat was heel moeilijk. Mijn grootvader is overleden tijdens de Hongerwinter. Omdat het toen zo hard vroor, kregen wij instructies om zijn lijk buiten op het balkon te bewaren, totdat we het in een kartonnen doos naar de Zuiderkerk konden vervoeren. Een oom van mij zorgde meestal voor eten voor ons gezin. Hij moest eigenlijk werken in Duitsland, maar bleef na zijn verlof in Nederland. Hij werkte toen op de De Ruyterkade waar allemaal schepen vanaf het IJsselmeer aanlegden. Via die schepen kwam er een hele hoop voedsel uit Friesland en Groningen naar Amsterdam. Daar pikte mijn oom dan wel eens wat van mee. Ik heb zelf ook wat gepikt hoor, van mijn buurman zelfs. Die kwam een aantal keer thuis met een zak aardappelen en die legde hij dan op de zolder boven onze huizen. Toentertijd hadden die zolders nog van die grote spijlen waar ik dan met mijn schepnetje tussendoor kon om aardappels te pikken.’

Wat is het spannendste dat u in de oorlog heeft meegemaakt?
‘In 1943 stortte er een vliegtuig neer in de Van Bossestraat. Het kwam precies op de achterkant van een huizenblok terecht. Daar waren alle keukens van die woningen en omdat het vliegtuig tegen vijf uur neerstortte, waren al die vrouwen eten aan het koken. Wij zijn daar naartoe gegaan en ik zag hoe een vrouw vast zat onder een keukentafel, terwijl haar keuken in brand stond. Er kwam een man die haar met een ladder eruit probeerde te halen, maar of dat gelukt is weet ik niet. Ineens waren er overal Duitse soldaten die ons met mitrailleurs wegjoegen.’

Luisterde u wel eens naar de Engelse radio?
‘Thuis hadden we een soort antenne gemaakt van allerlei ijzeren draadjes in de vorm van een kruis. Die stond op de radio. We moesten lang zoeken naar de Engelse zender, want die werd gestoord door de Duitsers. Als we dan ‘toedoedoetoooeeee’, de vijfde van Beethoven hoorden, wisten we dat we goed zaten. Even later hoorde je dan: ‘Hier Radio Oranje, de stem van strijdend Nederland.’ Door de oorlog leerde ik hoe gevaarlijk het is als er een dictator aan de macht komt. Daarom wil ik jullie op het hart drukken: laat je nooit iets wijsmaken door een ander, zonder zelf eerst na te denken.’

Social Media


Meer zien van onze programma's en op de hoogte blijven van het laatste nieuws?
Volg ons op social media:

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

Christine: +31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892