Erfgoeddrager: Max

‘Alle mitrailleurs waren op ons gericht’

Wij (Max, Angie en Nora) hebben voor Oorlog in mijn buurt mevrouw Elisabeth Last-Van Der Bijl geïnterviewd. (Puck zou er ook bij zijn, maar ze was ziek). Mevrouw Last ontvangt ons gastvrij. Ze biedt ons koffie en fris aan en heeft koeken en dropjes in huis gehaald. Ook zegt ze dat we gerust even rond mogen kijken in haar ‘museum’.

Hoe was uw leven voor de oorlog en toen de oorlog uitbrak?
‘Ik was tien jaar oud toen de oorlog begon en het was crisistijd. Eens in de vier dagen kreeg ik een cent. Ik zat toen op de Klaas Katerschool in de Savornin Lohmanstraat en ik woonde in de Prinsenstraat, de oudste straat van Zaandam. We hadden daar een hele lange tuin met aan het einde een sloot. Daar kon je ‘s winters schaatsen. We hebben ook nog de Malariamug gehad, herinner ik me. We speelden veel in de zandbak. Een hele fijne jeugd. Wel sober, maar dat merkte ik niet.’ De dag dat de oorlog net uitbrak was het heel vroeg licht, in mei. Ik hoorde door het open raam stemmen en zag allemaal mensen buiten op straat toen ik door het raam naar buiten keek. En ik hoorde een heleboel plofjes. Mijn vader vertelde dat het oorlog was. Er heerste al een tijdlang dreiging van oorlog. In de lucht waren allemaal parachutisten, wel iets verder weg. De plofjes waren afweergeschut, denk ik nu.’

Had de oorlog ook invloed op uw dagelijkse gewoonten?
‘Ja. In het begin niet. Later waren er allemaal beperkingen. In het begin waren de Duitsers vriendelijk. In 1942 moesten mijn twee oudere broers naar Duitsland om daar te werken voor de Duitsers. Dat wilden ze niet en toen gingen ze onderduiken. Ze hebben het er levend en wel afgebracht. Al het eten ging op de bon. In de oorlog moesten we de ramen beplakken met papieren plakband, zodat de ramen niet zouden klappen bij inslag. ‘s Avonds moesten de ramen verduisterd worden. De bommenwerpers vanuit Engeland konden dan niet zien dat er een stad was. Tijdens de oorlog werden de scholen bezet. Ik mocht toen tijdelijk terug naar mijn oude kleuterschool in de Czaar Peterstraat. Op de Mulo ontmoette ik een meisje met rode vlechten, net als ik. Dit werd mijn beste vriendin. Op de Mulo zaten voor zover ik weet geen Joodse kinderen, wel een NSB-meisje: Emmie. Er werd, ook door docenten, erg onaardig gedaan tegen haar. Ik kan me nog herinneren dat ik dat heel akelig vond.’

Wilt u iets vertellen over wat u heeft gezien van de fusillades?
‘De hele buurt van de Klaas Katerstraat t/m de Prinsenstraat was opgepakt omdat er een verrader door de ondergrondse was doodgeschoten. Daarna volgde de fusillade, die ik niet heb gezien. Op de Burcht zijn toen tien mensen doodgeschoten. Ze hadden eigenlijk honderd mensen dood willen schieten, maar dat is gelukkig niet gebeurd. Ik moest die dag olie kopen en daarvoor moest ik om zeven uur in de rij gaan staan. Door de achtertuin wilde ik naar de Burcht lopen en deed de poort open. Daar stond een Duitser die me tegenhield. Ik mocht er niet door. Aan de overkant, en bij elk ander huis stonden Duitsers. Het was 6 februari, midden in de hongerwinter. We moesten allemaal naar de Burcht. Ik dacht dat we allemaal doodgeschoten zouden worden en dat de huizen in brand gestoken werden. We stonden op de Burcht. Alle mitrailleurs waren op ons gericht. In de rij stond ook een jongetje dat ik kende. Met een hoofddoekje om, vermomd als meisje. Hij gebaarde me hierover stil te blijven. Dat deed ik. Alle mannen werden meegenomen. Mijn jongere broertje niet, hij was te klein. Mijn vader was toen 54 jaar en kwam weer terug omdat hij te oud was. Uiteindelijk mocht ik weer naar huis. Alles was omvergegooid. Mijn moeder was hier erg overstuur door. Ze hadden blijkbaar naar wapens gezocht.’

Hoe was de Hongerwinter voor u?
‘De mensen maakten lange reizen, op de fiets naar het Noorden van Noord-Holland. Mijn vader had een heleboel kolen ingekocht. Per week mochten we één klein broodje eten, één sneetje brood per persoon. Dat legden we ‘s ochtends op het kacheltje zodat we een geroosterd broodje hadden (zonder beleg). ‘s Middags aten we koolsoep en ‘s avonds opnieuw koolsoep. Ik was toen ook heel erg ziek geweest. Mijn zusje was tamelijk zwak, zwakker dan ik. Zij kreeg af en toe nog een eitje. We hebben ook nog suikerbieten gehad. Deze werden in stukjes gesneden. Ze werden in olie gebakken met stroop er overheen. Ook bloembollen hebben we gegeten. Stiekem werden er een heleboel bomen gezaagd en verstookt, ook de binnendeuren. Alles om wat te kunnen eten. Op 8 maart 1945 werd ik opgehaald, samen met mijn zusje. We gingen naar de Achterhoek, helemaal op de fiets. De eerste avond kwamen we niet verder dan Bussum. Daar woonde een oom, waar we konden overnachten. De tweede dag overnachtten we in Barneveld. Uiteindelijk kwamen we In Harfsen aan. Daar zaten mijn broers ook ondergedoken. Die zag ik pas weer na een lange tijd. Ik mocht bij een boerderij blijven wonen. Toen kwam het front dichterbij in de Achterhoek. Ze hebben daar drie dagen gevochten. Ik hoorde op een ochtend een vreselijke klap. Het bleek van een brug die opgeblazen werd. Rondom de brug was een gehucht met een paar huizen. Met het opblazen van de brug trokken de Duitsers zich terug en dienden de eerste Canadezen. Ze brachten allemaal lekkere spullen mee. Bij de boerderij waar ik verbleef werd een soort van basisstation voor de Canadezen gemaakt. Op 17 april was de bevrijding en die duurde drie dagen. Maar in september kon ik pas weer terug. In Zaandam was echter nog veel honger.’

Hoe was de bevrijding voor u en hoe zou u 100 jaar vrijheid willen vieren? ‘
Ja, dat maak ik niet meer mee. Het is nu 75 jaar geleden. Ik zou willen dat mensen het niet vergeten. Ik vind het al zo bijzonder dat er al 75 jaar geen oorlog is. Wij hebben een bevoorrechte positie. In Noord-Holland was er betrekkelijk weinig oorlogsgeweld.’

Erfgoeddrager: Max

‘Terug bleek ons huis helemaal leeggeroofd’

Max, Filipe en Jesse van de H.J. Piekschool stappen het huis van Dick de Wit binnen en hun oog valt direct op alle oude spullen. Meneer de Wit en zijn vrouw blijken echte verzamelaars te zijn. Uit de oorlog hebben ze niets, maar wel staan er veel boeken over de oorlogstijd. Dick de Wit heeft er veel over gelezen. De oorlog heeft een grote rol gespeeld in zijn leven; hij ging na de oorlog in militaire dienst en deed een opleiding tot onderofficier. “Wat er ook gebeurt, ik wil mijn eigen land kunnen verdedigen.”

Wat merkte u van het begin van de oorlog?
‘Het begin van de oorlog is helemaal aan me voorbijgegaan, ik was pas twee jaar oud. Later ging ik er steeds meer van begrijpen. Achter de Gravinnestraat stond een school. Daar kwamen Duitsers in. Ze werkten, sliepen en aten daar. Als klein jochie kroop ik door de bosjes om ze te bestuderen met hun grote wagens. Als ze ons zagen, maakten ze ook een praatje. Ze waren eigenlijk best vriendelijk. Ik begreep niet waarom ik daar van mijn moeder niet mocht komen. De evacuatie was voor mij ook een avontuur. Als kind deed je erg leuke indrukken op. Slapen op een boerderij tussen de kalfjes, dat had ik natuurlijk anders nooit meegemaakt. Vanaf 1943 heb ik meer herinneringen. Ik weet nog goed dat we vanaf de Postjesweg de parachutisten in Renkum zagen landen. De Duitsers gingen daar met hun wagens direct op af en toen was het wel echt oorlog.’

Had u een huisdier in de oorlog?
‘Ja, we hadden een cockerspaniël, wit met zwarte stippen. Die hebben we tijdens de evacuatie meegenomen naar de boerderij. Later verbleven we in Veenendaal bij familie van mijn moeder. Daar waren twee kippen, waarvan we de eitjes spaarden. Op zondag aten we dan ieder een half eitje. Op een dag vloog er een weg, dat was een grote ramp! In de oude Piekschool, aan de Ritzema Bosweg, zaten Engelsen. De ‘Polar Bears’ werden ze genoemd; ze hadden ook een wit ijsbeertje op hun mouw. De Engelsen hebben dit gebied uiteindelijk bevrijd. Deze soldaten hadden ook honden bij zich, die naar landmijnen konden speuren. Er was een zieke hond bij, die waarschijnlijk door een mijn was getroffen. Toen de Engelsen eind september weggingen uit de school hebben ze die hond doodgeschoten. Hij kreeg een grafje op het plantsoentje op het schoolplein. Keurig met een kruisje en een bordje met: ‘hier ligt onze kameraad’. Dat grafje stond daar mijn hele schooltijd.’

Hoe was de Bevrijding?
‘Op 5 mei hoorden we in onze schuilkelder in Veenendaal dat we waren bevrijd, de Duitsers hadden gecapituleerd. Mijn moeder had al die tijd de Nederlandse vlag bewaard, om direct uit te hangen als de oorlog voorbij zou zijn. Ze moest hem meteen weer binnenhalen, want er werd door SS’ers op geschoten. Een groep SS’ers in Veenendaal gaf zich pas op 9 mei over. Ze zijn toen bij Elst in een kamp gevangengezet. Daarna reed ik met m’n vader op de fiets naar De Klomp bij Veenendaal, naar de Engelsen met hun pantserwagens. Dat was een heel mooi moment. We konden naar huis! Terug in Wageningen was ons hele huis leeg, al onze spullen waren eruit geroofd. Waarschijnlijk door burgers uit Rotterdam, die waren opgepakt door de Duitsers en voor hen moesten werken. Mijn ouders hadden in 1945 helemaal niets meer. Ze moesten opnieuw beginnen met hier en daar een geleende stoel.’

Erfgoeddrager: Max

‘Omdat zij niet getrouwd waren, zit ik hier’

De overgrootouders van Han Schenk waren Joods en ongetrouwd. Aan Thalissa, Josefien en Max van de 1e Montessorischool in Alkmaar legt hij uit dat hij, zijn broer en zijn ouders daardoor de oorlog hebben overleefd.

Moesten jullie onderduiken?
‘Mijn moeder was Joods, maar we hoefden niet onder te duiken, omdat mijn overgrootouders niet getrouwd waren. Zij woonden samen; dat was rond 1861. Ze kregen drie kinderen, waaronder mijn oma Leentje. Zij  is dus geboren uit volbloed Joodse ouders en zelf een volbloed Joodse. Mijn oma kreeg zes kinderen. De zesde was Debora, mijn moeder. Tijdens de oorlog bepaalde Hitler dat Joden tot de achtste graad vermoord zouden worden; en daar zat ik middenin. Maar omdat mijn overgrootouders nooit getrouwd waren en dus niet ingeschreven stonden in het bevolkingsregister kon mijn moeder aangeven dat zij maar één Joodse grootouder had. Dus het feit dat mijn overgrootouders in 1861 niet zijn getrouwd is ons geluk geweest. Daarom zit ik hier nog. Wel moest iedereen met één Joodse grootouder zich melden, maar dan werd je niet gedeporteerd.
Ik herinner me trouwens nog dat de oorlog begon. Er vloog een vliegtuig laag over. Eruit werden pamfletten gestrooid. “Het is oorlog,” zei mijn moeder. Ik vroeg haar wat dat was. Ik had het woord oorlog nog nooit gehoord.’

Heeft uw hele familie het overleefd?
‘Nee. Deze Havdalah kaars hier is nog van mijn oom Mozes en tante Jaantje geweest. Mijn moeder was bij hen tot haar veertiende opgegroeid. Zij gebruikten de kaars aan het einde van de sjabbat, de Joodse rustdag van vrijdagavond tot zaterdagavond. De kaars werd dan aangestoken als teken van licht en aan het einde van de avond in een schoteltje met wijn gedoofd. Mijn oom en tante moesten in 1942 mee met de politie. Mijn vader wist dat dit zou gebeuren en had daarom, voordat de politie kwam, allerlei spullen uit hun huis gehaald, waaronder deze Havdalah kaars. Ze zijn met de trein naar Amsterdam gebracht en vervolgens in 1943 naar Sobibor gedeporteerd en in de gaskamers vermoord. In de Hollandse Schouwburg in Amsterdam is een wand met 102.000 namen van vermoorde mensen. In het midden van die wand staan hun namen: Mozes Israel Lewijt en Jaantje Lewijt-de Jong.’

Hoe kwamen jullie aan eten tijdens de oorlog?
‘Mijn vader zat in 1939 in militaire dienst en had daar een dienstvriend, Dirk Eelmand, uit Texel. Daar hadden ze het in de oorlog aardig goed. Mijn vader had geregeld dat Dirk iedere vrijdag via een kleine binnenschipper tarwe en aardappelen en soms ook wat vlees stuurde. Ook maakte mijn vader, die goudsmid was, mooie gouden ringen die hij ruilde voor eten. Er was ook geen water meer. Het laatste water haalde ik uit de koelkast van de slagerij op de hoek van de Magdalenastraat; dat was condenswater uit de koeling. Geen drinken… dat kunnen jullie je niet voorstellen. Er waren ook geen medicijnen. Mijn broer kreeg op zijn veertiende in de Hongerwinter difterie. Dat was een hele besmettelijke ziekte, waar jullie nu tegen ingeënt worden, en dus moest ik het huis uit. In het ziekenhuis was er niks meer; de Duitsers hadden alles leeggehaald. Er was geen medicatie, geen water, geen kolen, geen licht. Mijn broer was zes weken verlamd. Hij werd doof en blind en kon niet meer lopen. Uiteindelijk heeft hij het overleefd, maar zoiets doet wel iets met je hersenen. Hij heeft nooit goed kunnen leren en is altijd zwak gebleven.
Aan koper was ook gebrek. De Duitsers hadden alles nodig voor het maken van hulzen voor kogels. Nederlanders moesten al hun koperen voorwerpen afstaan. Ik ben niet gek, dacht mijn vader, en heeft al onze koperen voorwerpen bij zijn neef op het eiland Zwal onder een stoep begraven. Ook daar gingen de Duitsers op zoek naar koper, maar ze vonden het niet. Een klok en kandelaars, die nu bij mijn zoon thuis staan, zijn daar nog van over gebleven en bewaard als herinnering aan een periode die voor ons heel ingrijpend is geweest.’

         

    

Erfgoeddrager: Max

‘De tonnen van de gaarkeukens likten we leeg’

Op de fiets gaan Madelief, Max en Lena van de Twiskeschool in Amsterdam-Noord naar Oostzaan, waar Leo van Zadel woont met zijn vrouw. Hij staat ze al op te wachten. Na meer dan een uur praten moeten ze echt terug, maar eigenlijk hadden ze wel de hele middag willen blijven. Er is nog zoveel te bespreken. Leo van Zadel is dan wel op leeftijd, maar hij sport en zingt ook nog in een koor.

Hoe kwam u erachter dat er oorlog was?
‘Mijn vader was modern in die tijd en hij had al een radio. Hij zette dat ding in de vensterbank om het nieuws aan iedereen te laten horen. We wisten niet wat er zou gebeuren en waren natuurlijk best bang. Toen we hoorden dat Rotterdam was gebombardeerd, wisten we wel dat het goed mis was. In het begin was er nog niet zoveel aan de hand, we speelden gewoon buiten. Maar later werd alles anders. Het eten kwam op de bon en er was steeds minder eten. Mijn vader moest aan het werk in Duitsland, maar dat wilde hij niet. Hij sneed in zijn hand. Op zich is dat niet zo erg, maar in de wond deed hij suiker zodat het ging zweren. Toen hij werd opgeroepen, zagen ze zijn hand en zeiden dat ze zo niks aan hem hadden. Dat was een goeie truc! In die tijd bracht hij post rond in een afgesloten tas op een soort kar. Bij ons in de straat woonden kinderen van NSB-ouders. Wij speelden daar gewoon mee, maar we werden wel gewaarschuwd door onze ouders. Je mocht niks vertellen aan die kinderen. We wisten bijvoorbeeld dat mijn vader bij die mensen geen post meer bracht. Een kleine vorm van verzet.’

Hoe was de Hongerwinter voor u?
‘Wij kregen een half brood per dag en dat moesten we delen met mijn broer, vader en moeder. We gingen inmiddels ook niet meer naar school omdat de Duitsers het schoolgebouw hadden ingepikt. We zwierven een beetje op straat en waren altijd aan het scharrelen om iets te eten te vinden. Ook waren we op zoek naar gras voor onze konijnen, die aten we dan op. Zo hadden we af en toe wat. We moesten ook wel naar de gaarkeukens om eten te halen. Dat was meestal soep. Dan wachtten we in de rij net zo lang tot er een nieuwe ketel kwam. En dan kregen we het bovenste laagje van de soep. Je wordt wel link als de nood hoog is. Bij de bakker deden we alsof we de bon al hadden afgegeven, maar die bewaarden we dan voor de volgende dag. Mijn broer en ik zijn ook wel in de tonnen van de gaarkeukens geklommen om ze leeg te likken. We hebben echte honger gekend.’

We hoorden dat u weg moest uit Amsterdam, waarom was dat?
‘Mijn zusje werd geboren in de Hongerwinter. Mijn moeder hebben we toen op een soort handkar lopend naar het ziekenhuis gebracht. Omdat er niet zoveel te eten was, besloten mijn ouders om ons naar Friesland te sturen. We werden ‘s nachts naar een soort postkantoor gebracht en de volgende dag werden we van huis naar huis gereden en zij zochten dan de kinderen uit. Mijn broer en ik wilden bij elkaar blijven. Ik kwam uiteindelijk bij een jonge vrouw in Paesens en mijn broer vlakbij ons. In Friesland konden we weer aansterken. Toen we na de oorlog teruggingen naar Amsterdam, herkende ik mijn vader niet meer. Hij was helemaal veranderd door de zorgen. Na de oorlog zijn we nog jarenlang op vakantie gegaan naar mijn ‘tante’. Want dat is die pleegmoeder geworden, mijn tante.’

Erfgoeddrager: Max

‘Het voedselpakket stortte door het dak van de bijkeuken!’

Jo van der Mije wil graag haar verhaal vertellen. Ze woont in een aanleunwoning in het Reinaldahuis. Kai, Max, Daan en Boris van de Bos en Vaartschool gaan bij haar op bezoek. Het mooiste was wel het dagboek van haar vader, Daan mocht er een stuk uit voorlezen.

Wat kan u zich van het begin van de oorlog herinneren?
Ik was 8 jaar toen de oorlog begon, ik woonde aan de Leidsevaart 70. Mijn ouders hadden een kruidenierswinkeltje. Ik had een oudere broer en een jonger zusje, nog een baby. In 1944 kreeg ik nog een broertje. Op 10 mei 1940 zat mijn vader naar de radio te luisteren, “Dit is ernstig” zei hij. Het was oorlog. Na vijf dagen capituleerde ons land en ik zag hoe Nederlandse soldaten uit woede hun geweren in de Leidsevaart gooiden. Als er Duitse soldaten langs marcheerden, keerden we ze de rug toe.

Mijn vader zat in de zwarte handel. Hij kocht tabak die hij doorverkocht. Maar Geertsema, een politieagent die ook bij de NSB zat, snapte hem. Hij zat drie maanden in de cel. Toen hij thuiskwam, hadden de buren de vlag uitgehangen met “Onze tabakskoning is weer thuis!” met een zak tabak eraan!

We waren arm en een man zei tegen mijn vader: “In Duitsland kun je veel meer verdienen.” Mijn vader ging naar Duitsland, hij deed zwaar werk. Twee keer is hij op verlof geweest en hij ging toch steeds weer terug.
Op een gegeven moment werd mijn moeder ziek, ze lag op bed en ik zorgde voor haar. Mijn vader kwam toen terug uit Duitsland. Ik haalde hem op, een uitgemergelde man.

Heeft u iets spannends meegemaakt?
‘Er waren razzia’s. De Duitsers kwamen alle mannen van onder de 40 jaar halen. Ze waren al bij ons in de straat en de buurman kwam in paniek de keuken binnenrennen. Hij riep tegen mijn vader: “Je moet me redden!” We verstopten de buurman boven achter de linnenkast. Daar was een krappe ruimte waar hij kon staan. De soldaten doorzochten ons huis. Het was heel spannend. Toen ze weg waren, kwam de buurman tevoorschijn. Hij zei: “Geef me nu maar een sigaretje!” Hij had niet door dat mijn vader de kogel had kunnen krijgen als hij was gevonden.

De Duitse vliegtuigen bombardeerden het spoor, vlak achter ons huis. Het was spannend, de bommen vlogen rond. Nog steeds kan je onder de spoorbrug de kogelgaten zien zitten!
Toen het te gevaarlijk werd, moesten we verhuizen naar mijn opa in Hillegom.  Achter was een bos. Daar stonden V1 raketten opgesteld. Dat was geheim, maar mijn vader wist het. Hij heeft het zelfs gehoord dat er één werd gelanceerd, een bom voor Londen.’

Hoe kwam u aan eten tijdens de hongerwinter?
‘We aten pulp van suikerbiet en mijn moeder maakte pannenkoeken van tulpenbollen. We bedelden bij de boeren in de Haarlemmermeer, uren stonden we in de rij in de hoop iets mee te krijgen.

Mijn vader schreef een dagboek tijdens de hongerwinter. Dat heb ik nog. Hij maakte hongertochten naar Noord Holland. Hij haalde eten bij de boeren. Op de terugweg kregen ze met zes man een lift vaneen vrachtwagen. Ter hoogte van de Jan Gijzenkade moesten ze stoppen van een groep gewapende Duitse soldaten. Ze moesten met hun handen omhoog en met hun gezicht naar een muur gaan staan. De soldaten waren zenuwachtig en ze schreeuwden. Opeens mochten ze weg. Dezelfde dag, zijn op dezelfde plek tien man doodgeschoten, als represaille. Mijn vader was er beroerd van. Hij had zoveel geluk gehad. De volgende dag bezocht hij de plek. Er stond een groot houten kruis en er lagen bloemen.

Vlak voor het eind van de oorlog waren voedseldroppings. De vliegtuigen lieten hun lading vallen waar witte lakens lagen. Achter ons huis was een wit tulpenveld. De piloot dacht vast dat het een dropping plek was, dus hij loste zijn lading. Het voedselpakket stortte zo door het dak van de bijkeuken. Daaronder zat de kelder. Mijn vader deed het luik open en het voedselpakket viel in de kelder. Daar hebben we wel een tijdje van kunnen eten!’

 

Erfgoeddrager: Max

‘Als een gebochelde man is hij langs de controlepost gekomen’

Voordat Max, Kenzo, Jenna en Denice van de Twiskeschool Ton van Baardwijk gaan interviewen, krijgen ze een rondleiding van hem door het veteranenhuisje in Tuindorp-Oostzaan. Daar kunnen ze zien ze hoe de mensen leefden tijdens de Tweede Wereldoorlog. Ook staan er nog schotten die in de oorlog voor de ramen werden gezet om de huizen te verduisteren. Ze zien waar onderduikers zich konden verstoppen en ook nog een hoop spullen uit die tijd, zoals een oude radio, kolenkachels, kinderspeelgoed en zelfs oude onderbroeken! Meneer Van Baardwijk weet ze alles te vertellen over Amsterdam Noord, hij is een wandelend geschiedenisboek.

Kent u nog verhalen uit de oorlog?
‘Mijn vader was heel dapper. Hij heeft tijdens de oorlog een half varken gekocht bij een boer. Het eten dat je over straat vervoerde, werd vaak afgepakt omdat er zo weinig was. Mijn vader moest over de Meeuwenlaan en heeft toen dat halve varken op zijn rug gebonden en zijn jas daarover heen gedaan. Hij heeft een stok gepakt en als een gebochelde man is hij langs de controlepost gekomen. Ook liep hij op een nacht met een kar aardappelen op de dijk. Hij zag een militaire auto aankomen en heeft die hele kar omgegooid en zich verstopt. Toen de auto weg was, heeft hij zes uur lang al die aardappels weer bijeengezocht en in de kar gelegd. Toen hij thuiskwam, was hij zo ziek en moest hij zes dagen op bed liggen.’

Als u verhalen hoort over de Duitsers wat denkt u dan?
‘Ik heb het nog lang over de rotmoffen gehad, maar dat kan natuurlijk nu niet meer. De Duitsers van nu zijn pas na de oorlog geboren. En we hebben zoveel andere culturen erbij gekregen. Wel merk ik dat er weer een hoop haat is naar andere bevolkingsgroepen. Sommige mensen in de politiek denken dat ze alles maar kunnen zeggen. Als ik iemand iets hoor zeggen over moslimvrouwen met een hoofddoek, dan zeg ik altijd: in de jaren 50 liepen ze hier in Amsterdam ook met een hoofddoek dus waar hebben we het over? We moeten goed blijven opletten dat er niet weer haat opbloeit.’

Hoorde uw familie iets over de Jodenvervolging tijdens de oorlog?

‘Tijdens de oorlog wisten we wel dat er mensen werden afgevoerd. Dat gebeurde op een vreselijke manier. Kinderen werden gescheiden van hun ouders en in treinwagons gestopt. Hier in Tuindorp-Oostzaan hebben we het gelukkig betrekkelijk rustig gehad.’

OLYMPUS DIGITAL CAMERA
OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Erfgoeddrager: Max

‘We zaten spiernaakt op de grond terwijl de Duitsers ons uitlachten’

Ina Groenteman-Rosenthal (1936) ontvangt Niels, Souki en Max van de 3e Daltonschool in haar huis in Amstelveen. Tijdens de oorlog woonde ze vlakbij hun school. In 1943 werd ze met haar familie opgepakt en naar Westerbork, en later de vernietigingskampen, gebracht.

Moest u onderduiken tijdens de oorlog?
‘Heel veel mensen gingen onderduiken, zo ook mijn broertje en ik. Op een middag gingen we daar naartoe. We kwamen bij een man terecht, maar mijn broertje, toen drie jaar oud, wilde hem geen hand geven. Mijn vader reageerde daarop: “Als een kind geen hand wil geven, is deze man niet te vertrouwen.” Dit bleek achteraf ons geluk, want toen wij later in Westerbork waren, kwam daar een transport aan met allemaal kinderen die deze man zogenaamd had laten onderduiken. De kinderen werden doorgestuurd en zijn nooit teruggekomen. Wij kwamen daar terecht door een grote razzia op 21 juni 1943 in Amsterdam-Zuid. We sliepen er in houten barakken, dat zijn een soort schuren, in stapelbedden. Elke dinsdag vertrok er een trein naar de vernietigingskampen. Iedereen was dan ontzettend gespannen of ze werden opgenoemd om weg te gaan.’

Wat gebeurde er daarna?
‘We werden in februari 1944 in beestenwagens naar Bergen-Belsen gebracht. Hier waren ze minder vriendelijk dan in Westerbork. Iedereen sliep daar opgepropt op elkaar. Het eten was minimaal, koolraap en één centimeter brood per dag of soms zelfs per week. Iedere dag moesten we uren op appèl staan. Dat betekende dat je moest verzamelen en dat je dan doodstil moest blijven staan. De grote mensen hadden intussen begrepen dat mensen in andere kampen werden vergast. Op een dag moesten alle moeders en kinderen meekomen. We werden naar een badhuis gebracht en moesten ons uitkleden. We waren heel bang dat we vergast zouden worden. De hele dag zaten we spiernaakt op de grond terwijl de Duitsers langsliepen en ons uitlachten. In april 1945 moesten we een hele dag naar het station lopen. Mijn broertje was uitgeput, dus nam mijn vader hem op de arm. Dit mocht niet van de soldaten, iedereen moest zelf lopen. Een van hen wilde mijn broertje doodschieten. Gelukkig was er een andere soldaat die zei: “Laat dat kind toch leven.” We gingen met de trein op weg naar de gaskamers. Enkele vrouwen probeerden de Duitse soldaten te verleiden. Tegelijkertijd gooiden de mannen zoveel mogelijk kolen uit de trein; zonder kolen kon de trein niet verder rijden. De trein kwam hierdoor niet aan bij de gaskamers. En daardoor leef ik nu nog. We hebben een week lang stil gestaan. We hadden alleen water uit een sloot. Op vrijdag 13 april, die dag vergeet ik nooit, werden we bevrijd! Vrijdag de 13e is voor mij nooit een slechte dag geweest.’

Wat deed u na de bevrijding?

‘Na de bevrijding moesten we nog een tijd in Duitsland blijven. Mijn ouders, broertje en ik hebben met tyfus in het ziekenhuis gelegen, opgelopen door het drinken van slootwater. Mijn vader is van oorsprong Duits. Hij is in 1932 gevlucht. In 1938 werd in Nederland prinses Beatrix geboren. Haar moeder Juliana kreeg van de Duitse Opel fabrieken twee kinderwagens. Maar ze had natuurlijk genoeg aan een. De extra kinderwagen wilde ze schenken aan een gezin dat net zo was samengesteld als haar gezin: een Nederlandse vrouw, een Duitse man en een dochter geboren in Barendrecht. En dat waren wij. Ik heb in die kinderwagen gelegen. Dat nieuws kwam overal ter wereld in de krant te staan. De Duitsers hadden dit ook gezien en waren woedend. Dat Juliana hun geschenk aan een vuile rotjood had gegeven. Ons gezin werd daarom stateloos verklaard. We hadden geen nationaliteit meer. Toen we terugkwamen uit Bergen-Belsen mochten we bij Maastricht Nederland niet in. Ze hebben ons naar een kamp gestuurd, waar ook NSB’ers zaten. Uiteindelijk konden we terug naar Amsterdam. Dat was wel een heel bijzonder gevoel, om weer terug te zijn. We zijn nog tot 1954 stateloos geweest. Als ik met de klas naar het buitenland ging, moest ik een visum aanvragen.’

              

Erfgoeddrager: Max

‘Terwijl mijn vader op zijn fiets over de Kippenbrug vluchtte, werd hij beschoten’

Jan de Moel woont met zijn vrouw nog altijd in het huis waar hij tijdens de oorlog vanaf de Nollenweg naartoe verhuisde met zijn ouders, twee oudere zussen en zijn broer. Hier, aan de Herenweg in Oudorp, vertelt hij aan Stacy, Giyo en Max van basisschool De Cilinder in Alkmaar hoe hij als kind de oorlog beleefde.

Kunt u een dag uit uw leven tijdens de oorlog beschrijven?
‘Toen de oorlog begon was ik acht jaar oud. Ik was een braaf jongetje uit een arbeidersgezin. Mijn vader probeerde van alles te verbouwen in de tuin achter ons huis. Aardappelen en bonen, maar vooral tabaksplanten, want mijn ouders rookten allebei. We hadden het erg arm en mijn broer en ik sprokkelden in onze vrije tijd hout in het Heilooërbos om daarmee de kachel brandende te houden. ‘s Avonds moesten wij fietsen voor licht; een dynamo aan de fiets zorgde voor elektriciteit. Aan sport deed ik niet, dat konden mijn ouders niet betalen, maar wel zat ik bij de verkennerij, de padvinders. Thuis hadden we een poes, konijnen en een geit of een bokje. Ook daar moesten mijn broer en ik, die ook een bed deelden, eten voor zoeken met de handkar. Aan het begin van de oorlog gingen we nog gewoon naar school, daar waar nu de Regenboogschool zit. Maar toen die bezet werd door de Duitsers kregen we op verschillende adressen les, en soms helemaal niet.’

Wat waren de naarste dingen die u heeft meegemaakt?
‘Ik weet nog goed dat we een keer op school moesten schuilen vanwege een bombardement op het vliegveld van Bergen. Er werden brandbommen afgevuurd; dat was een heel gek geluid. Ook kan ik me de razzia’s herinneren. Dan was ik bang, want wij hadden een radio en dat mocht niet. Mijn vader is een keer gevlucht tijdens zo’n razzia. Ze wilden hem hebben om in Duitsland te werken en dat wilde hij niet. Hij vluchtte op zijn fiets over de Kippenbrug en werd beschoten door de Duitsers, maar gelukkig werd hij niet geraakt.
Bij de spoorwegovergang in Sint Pancras hadden verzetsmensen geprobeerd de brug op te blazen. Als vergelding zijn toen twintig gevangenen door de Duitsers doodgeschoten. Dat was heel erg en iedereen was daar erg van geschrokken. Ik ging tot twee jaar geleden jaarlijks naar het gedenkteken. Nu loop ik niet meer zo goed, dus lukt dat niet meer.
Ook weet ik nog dat ik door mijn buurman gevraagd werd om te stoppen met fluit spelen, omdat dat  niet gepast, veel te vrolijk voor tijdens de oorlog. ’

Had u honger tijdens de oorlog?
‘Tijdens koude wintermaanden van 1944 en 1945 – de hongerwinter – was het vreselijk moeilijk om je warm te houden en je maag te vullen. Ik ging met mijn broer bij het Oude Raadhuis eten halen in de gaarkeuken die in het Ringersgebouw zat. Mijn moeder werkte daar ook. De waterige soepen die daar op een gegeven moment vandaan kwamen, waren echt niet te eten. Mijn vader had maagprobleem en kon eten niet goed verdragen; voor hem werd een speciaal pannetje gemaakt. Als ik dat op moest halen, nam ik daar wat slokjes uit.
Wat veel indruk op me maakte, waren de Amsterdammers die met handkarren, kinderwagens, fietsen en bolderkarren langs ons trokken op zoek naar voedsel bij de boeren. Je zag soms lijken op de handkarren liggen; die mensen waren onderweg omgekomen.
Toen ik dertien was, kwam de bevrijding. Ik herinner me feest, elke dag weer. Juichende mensen, op straat, veel hoera en iedereen was blij. Het was schitterend!’

           

Erfgoeddrager: Max

‘Net toen ik mijn moeders hand vastpakte, rukten ze me bij haar weg’

Dongeschoolleerlingen Amir, Max en Ivan gingen op bezoek bij Salo Muller. Hij was pas vier jaar toen de oorlog begon, maar kan zich deze verschrikkelijke tijd nog goed herinneren. Zijn ouders zijn allebei in Auschwitz vermoord. Salo werd ook opgepakt, maar werd in de onderduik ondergebracht, onder een andere naam.

Weet u nog hoe de oorlog begon?
‘Ik was vier toen de oorlog begon. Dan weet je nog niet wat dat betekent. Wel vond ik het raar toen we de ramen moesten verduisteren. En dat ik een ster op mijn kleren kreeg. Dat vond ik heel spannend ook. In 1942, toen ik zes was, begon de oorlog eigenlijk echt voor mij. Toen besefte ik: er gaan gekke dingen gebeuren. Mijn moeder bracht mij op een ochtend naar school en zei: “Tot vanavond en lief zijn hoor”. Daarna ging ze naar haar werk, waar mijn vader ook werkte. Maar daar stond een Duitse overvalwagen voor de deur. Al het Joodse personeel werd erin geduwd en naar de Hollandse Schouwburg gebracht waar alle Joden werden verzameld. De buurman haalde mij die dag van school en bracht me naar mijn tante in de Dintelstraat. ’s Avonds was daar een razzia. Mijn tante zei dat ik in de hoek moest gaan staan en pas weer tevoorschijn mocht komen als de mensen weg waren. Als eigenwijs jongetje ging ik toch kijken. Toen werd ik meegenomen naar de schouwburg, waar ik mijn ouders op het toneel zag staan. Ik rende naar ze toe, had net de hand van mijn moeder vast, toen een verpleegster en twee Duitse soldaten mij wegrukten. Ze brachten me naar de crèche aan de overkant. Vier dagen zat ik daar in een bedje, ik plaste en poepte er ook. Ik schreeuwde om mijn vader en moeder, want ik dacht dat ze aan de overkant waren. Later hoorde ik dat mensen op het podium diezelfde avond met de trein naar Westerbork werden vervoerd. Daar hebben ze negen weken gezeten waarna ze naar Auschwitz zijn gebracht en in 1943 zijn vermoord. Ik heb ze dus nooit meer gezien.’

Wat is er met u gebeurd?
‘Na vier dagen in de crèche kwam mijn oom mij halen en moest ik onderduiken. Vanaf toen heette ik geen Salo meer, want dat is een Joodse naam, maar Japje. Ik ben bij acht verschillende onderduikadressen geweest; daar bracht Piet Bakker, het pseudoniem van verzetsstrijder Piet Bosboom, me steeds naartoe. Ik was op die adressen hele dagen alleen, mocht niet naar buiten, niet naar school en ik miste mijn vader en moeder. Als ik lastig was, kreeg ik slaag. Alleen de laatste jaren in Friesland was het wat beter. Maar niet heel fijn. Op één adres sliep ik in een bedstee – zo’n bed in de muur met deuren ervoor – op een matras van hooi en onder een dekbed van stro. Daar kreeg ik astma van. Als ik naar de wc moest, klopte ik op de deuren maar niemand deed open, dus plaste ik in bed. Ook moest ik me verstoppen als er Duitsers langskwamen. Op een ander adres waren veel Duitsers in de buurt. Daar werd ik ’s avonds in een kruipruimte onder de grond gezet. Ze haalden een vloerkleed weg, deden de planken omhoog, lieten me erin zakken – als ik pech had, viel ik op mijn gezicht – en dan timmerden ze het weer dicht. Boven hoorde ik lawaai, terwijl ik tussen de ratten en muizen de hele nacht onder de grond lag. Bij het laatste adres moest ik me in het kippenhok verstoppen. Moet je je voorstellen, tussen tachtig kippen! Dan moet je heel stil zitten anders gaan ze fladderen en dat maakt heel veel lawaai.’

Hoe is het voor u afgelopen en denkt u nog vaak aan de oorlog?
‘Mijn tante kwam mij na de oorlog halen. Dat mijn vader en moeder allang dood waren, wist ik nog niet. Mijn tante zei ‘Salo’ en ik dacht: ik heet toch Japje? Dus ik was helemaal de kluts kwijt. Ze wilde mij meenemen naar Amsterdam, maar ik wilde dat eerst niet, omdat de mensen op mijn laatste onderduikadres als mijn opa en oma voelden.
Ik was bijna tien jaar en ging voor het eerst naar school. Ik zat op de Dongeschool, waar jullie nu ook op zitten. Daar kwam ik direct in de derde klas terecht, want ik kon goed leren. Ik heb de eerste twee klassen dus nooit gedaan. Ik ging elke dag tot vier uur naar school en had dan nog van vijf tot zeven uur bijles.
Ik denk nog vaak aan de oorlog, ook omdat ik geregeld les erover op scholen geef. Maar ook daarnaast gebeuren er altijd wel dingen, waarbij ik denk: dat had ik wel aan mijn vader of moeder willen vertellen.’

Erfgoeddrager: Max

‘Zodra de boer weg was, aten wij de kattenbak leeg’

Op 18 maart fietsten Luuk, Max, Charlotte en Lieve van de Van den Brinkschool naar mevrouw Dikkie Bos. Haar kleinzoon was op bezoek om te helpen met de catering en natuurlijk ook om te luisteren naar zijn oma’s verhalen. De parkiet van mevrouw Bos liep opgewonden heen en weer in zijn kooi. Tijdens de oorlog woonde mevrouw Bos, toen 11 jaar, met haar ouders en jongere zus aan de Veerweg.

Hoe wist u dat de oorlog was begonnen?
‘Op verschillende manieren. Ten eerste was ons gezin bevriend met een Nederlandse militair, Anton. Hij wachtte bij ons in de buurt met een groep soldaten het moment af om te gaan vechten tegen de Duitsers. Elke dag kwam hij bij ons op de koffie. Toen hoorden we opeens, via een buurvrouw die hem was tegengekomen, dat het zo ver was: hij moest naar het front. Daar is hij gesneuveld. Later heeft zijn broer hem herbegraven op de Greb; dat was de juiste plek. Ook hoorde ik in mijn kamer het geluid van Duitse soldaten die over de dijk marcheerden richting de Greb: boem, boem boem! Ik wist zeker dat de oorlog was begonnen toen ik op een dag tegen mijn moeder zei: ik moet naar school, het is tijd. Maar toen moest ik thuis blijven, omdat het te gevaarlijk was.’

 Hoe was de eerste evacuatie kort daarna voor u?
‘Mijn vader moest helpen het vee te verplaatsen en mocht daardoor niet meteen mee op de boot. Mijn zus lag ziek op bed en die waren ze vergeten. Mijn moeder wilde daardoor niet weg. Later hoorden we dat ze met een wagen van het Rode Kruis naar een ziekenhuis in Nieuwpoort was gebracht. Op de boot hebben we nog gezwaaid naar een andere boot met opa en oma erin. Ik weet nog goed dat er een vrouw uit de buurt, die bij de NSB zat, op het dek stond te zwaaien naar de Duitse vliegtuigen. Die is toen naar beneden geslagen. Verder herinner ik me één gebeurtenis heel goed, daar heb ik later nog wel hard om gelachen. We moesten de hele tijd in het ruim blijven en daar dus ook allemaal onze behoefte doen in een ton, die vervolgens werd leeggegooid in de Rijn. Een keer viel de ton onderweg naar boven om en viel alle poep en plas over de mensen die daaronder lagen! Wij zijn die eerste keer trouwens in Groot-Ammers terecht gekomen bij een fabriek voor rioolbuizen. In die buizen kon je goed verstoppertje spelen.’

Waar ging u heen tijdens de evacuatie in 1944?
‘Eerst gingen we naar mijn tante in Bennekom. Van daaruit liepen we, met een kruiwagen vol spullen, langs Renswoude, Scherpenzeel en een slot in Zeist tot we in Bilthoven belandden. In het bijhuisje van een christelijke boer die met de Duitsers heulde. Men zei dat hij de beste boer van Bilthoven was. Maar wij kregen nooit te eten van hem. Ik moest, als oudste, naar de gaarkeuken om koolsoep te halen. Ik ben best vaak van de honger flauwgevallen in de rij. Die boer gaf zijn katten, die bij ons sliepen, zijn etensrestjes. Zodra hij weg was, aten wij snel de kattenbak leeg, best lekker. Ik heb zelfs gejat in de oorlog: een stukje spek van een mevrouw voor wie ik iets uit de kelder moest halen. Die honger zal ik niet vergeten. Toen mijn kleinzoon in Afghanistan gelegerd was, deed ik iedere week een schoenendoos met snoep en heel veel borrelnootjes op de post. Ik wilde niet dat hij honger zou hebben.’

             

 

Social Media


Meer zien van onze programma's en op de hoogte blijven van het laatste nieuws?
Volg ons op social media:

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

+31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892