Erfgoeddrager: Matthew

‘Over de brandbommen springend, rende ik naar huis’

De oorlog bracht Jan Heijnsdijk (1934) door in de straat achter de school waar leerlingen Matthew, Jarinda, Rebecca en Djawana nu op zitten, obs Strijp Dorp. Tegenwoordig woont hij in Heeze. Onder normale omstandigheden was het te ver weg om vanuit school een bezoek te brengen voor een interview. Maar nu we door corona moeten videobellen is niets te ver. De kinderen willen eerst weten hoe het hem vergaat in deze tijd. Jan vertelt dat hij gezond is en zijn kinderen en kleinkinderen ontvangt in zijn grote tuin. En om die tuin bij te houden, is hij elke dag wel twee uur bezig.

Wat vindt u van de Tweede Wereldoorlog als u er aan terugdenkt?
‘Ik kan beter vertellen wat ik toen vond. Ik was vijf en voor jonge jongens was de oorlog leuk. De scholen waren bezet door de Duitsers, dus waren we vrij. We speelden veel buiten, plaagden de soldaten, haalden kattenkwaad uit. Ze waren de vijand, dus dat mocht, al moesten we wel oppassen. Zo liepen we achter de zingende, marcherende Duitsers aan. We hielden ze voor de gek, bekogelden ze met sneeuwballen. Ook probeerden we de school, nu jullie school, binnen te komen en hebben we een tent van ze gestolen. Na de oorlog hebben we er nog vaak mee gekampeerd in Sint-Oedenrode. Het gevaarlijkste dat we in die tijd gedaan hebben was sabotage. Zand in de benzinetank van hun auto’s doen, waardoor die niet meer startten. Omdat we jong waren, durfden we veel. We liepen ook gewoon langs het terrein waar de soldaten hun schietoefeningen deden. Waarschuwingsborden die aangaven dat we ergens niet naar binnen mochten, negeerden we. Dat was niet slim. Volwassen mannen hadden ze daar onmiddellijk opgepakt; ons kinderen lieten ze met rust.’

Wat merkte u nog meer van de oorlog daar?
‘De Zutphenstraat lag vlak bij het vliegveld. Vanaf 1942 gingen de Engelsen en Amerikanen Duitsland bombarderen. De Engelsen deden dat vooral ‘s nachts en de Amerikanen vooral overdag. Die vliegtuigen zagen wij overvliegen. Tussen het vliegveld en ons huis stond afweergeschut dat je dagelijks hard hoorde dreunen, ook ‘s nachts. Op de terugweg gooiden de Engelsen vaak nog een paar bommen op het vliegveld hier. Soms kwam dat wel erg dichtbij en we zagen ook wel eens een brandend vliegtuig neerstorten. Tijdens het bombardement van 6 december 1942 zat ik met mijn neefje in een kerk vlakbij de Philipsfabriek. Er vielen bommen dwars door het dak en er ontstond rook. De meester riep: “Achter mij aan!” en toen zijn we heel voorzichtig achter hem aan de kerk uitgelopen. “En nu hard naar huis lopen!” riep hij eenmaal buiten. Over de brandbommen springend, rende ik naar huis. Het meeste lawaai gaf het opblazen van hun spullen, toen de Duitsers vlak voor de Bevrijding wegvluchtten. Dat was zo onvoorstelbaar hard. We hadden thuis meer schade daarvan dan van de bombardementen. Terwijl we sliepen, vielen de stenen van de muur over het bed heen.’

Hoe herinnert u zich de Bevrijding?
‘Het was een groot feest. Overal hingen de vlaggen uit. Engelse soldaten kwamen met tanks en vrachtwagens vanuit België Eindhoven binnen. Wij keken toe vanaf de Boschdijk. Ze deelden sigaretten en chocola uit. ’s Avonds was er een bombardement. We hadden eerst nog niks in de gaten, totdat de Engelsen “Germans! Germans!” riepen. Ineens was het feest afgelopen; ik rende naar huis. In de Halvemaanstraat hadden de Duitsers putten gemaakt om in te schuilen. Iemand trok mij in een put, maar ik klom eruit, ik wilde naar huis. Er viel een bom vlakbij en door de luchtdruk werd ik de lucht in getild. Dat was schrikken. Snel ben ik toen in de Apeldoornstraat in een van de twee grote schuilkelders geklommen.
Het contact met de bevrijders na de oorlog was leuk. Ze vonden het fijn om bij een gewoon gezin over de vloer te komen. Ze waren al lang van huis. Zo vierden ze ook Oud en Nieuw bij ons. Wij waren al bevrijd, maar de Duitsers hebben toen toch weer vliegvelden gebombardeerd. Een Duits vliegtuig is toen vlakbij neergestort. Wij jongens zijn gaan kijken. We zagen de omgekomen piloot half uit het wrak liggen.’

         

Erfgoeddrager: Matthew

‘Door de hemel gezonden met kaarsen’

Wij hebben Ruud Jansen geïnterviewd in zijn woning in Amstelveen. We vonden het heel bijzonder dat meneer Jansen vertelde dat als hij in dezelfde positie had gestaan als zijn vader, hij ook bij het verzet zou zijn gegaan. Ook vonden we het heel mooi dat hij nog veel spullen uit die tijd had om aan ons te laten zien.

Hoe was het voor u om verraden te worden?
‘Mijn vader zat in het verzet. Na drie jaar ondergedoken te hebben gezeten is hij verraden. We werden allemaal opgepakt op 6 april 1943. ’s Nachts kwamen ze binnenvallen. De Duitsers bonkte op de deur en riepen: “Aufmachen, aufmachen!” Ze drongen het huis binnen, met hun lange, zwarte, leren jassen. Ik en mijn broertje lagen boven te slapen. Ze kwamen binnenstormen in mijn kamertje. Ze vroegen hoe ik heette. Angstig vertelde ik ze mijn naam. We wisten meteen dat het mis was. Mijn jongste broer en ik werden van mijn vader en moeder gescheiden en naar een weeshuis gebracht, in Eerbeek. Ik voelde mij daar erg ongelukkig. We wisten namelijk helemaal niks. We wisten niet waar mijn ouders waren, wanneer we ze weer zouden zien en of we ze ooit nog zouden zien.’

Wat dacht u toen uw vader gevangen werd genomen?
‘Toen ik hoorde dat mijn vader gevangen werd genomen dacht ik: “Nu is het afgelopen.” Maar wat er zou gebeuren, wat ze met mijn vader zouden doen, wist ik natuurlijk niet. Ik heb mijn vader daarna ook nooit meer gezien. Mijn vader zat gevangen in het Oranjehotel. Hij mocht heel af en toe een brief schrijven. Ik heb nog drie brieven uit die tijd die hij heeft geschreven. Hij schreef hele optimistische brieven: “Doe je best op school en zorg goed voor je moeder.” Altijd: “Veel kussen van je vader,” aan het einde van elke brief. In oktober 1943 is hij gefusilleerd. In de ochtend werd hij doodgeschoten. Vlak voordat hij doodgeschoten werd mocht hij nog een afscheidsbrief schrijven en een sigaret roken. We kregen de afscheidsbrief pas een paar dagen later.’

Hoe zijn jullie de Hongerwinter doorgekomen?
‘Na onze onderduikperiode ging mijn moeder met vijf kinderen terug naar Amsterdam en woonde we in de Scheldestraat. Toen het voedsel minder werd, trokken mensen vanuit de stad op de fiets richting het platteland. Ze gingen langs de boeren om voedsel te halen. Boeren wilden eten geven, in ruil voor spullen. Mijn moeder is vaak met spullen naar de boeren gegaan. De hongertocht noemde ze dat. Op een dag was ze op de weg terug naar huis toen ze langs de laatste boerderij fietste. Ze klopte aan, maar het was stil en niemand deed open. Ze liep achter het huis langs en zag daar een oude boer zitten. Hij zat daar te huilen, want zijn zoon was overleden. Hij huilde, omdat hij niet eens mooie kaarsen aan kon steken naast het opgebaarde lichaam. Mijn moeder had juist kaarsen bij zich en ruilde deze steeds in voor voedsel. Ze zei: “Ik denk dat ik door de hemel gezonden ben, ik heb kaarsen bij me.” De boer was ontzettend blij en heeft haar toen een heleboel eten meegegeven.’

Social Media


Meer zien van onze programma's en op de hoogte blijven van het laatste nieuws?
Volg ons op social media:

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

+31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892