Erfgoeddrager: Mathijs

‘De sfeer binnen was bedompt en angstig’

Wij zijn Mathijs en Wassim en wij interviewden Jan Kuijkens. Hij is geboren in de Kanaalstraat en was negen jaar oud toen de oorlog begon. Hij was de oudste van drie broers. In de oorlog speelde Jan nog steeds graag buiten. Lekker voetballen, schuilhockeyen, pinkelen of op andere manieren lol maken. Hij haalde ook weleens kattenkwaad uit, zoals belletje trekken. Jan herinnert zich de oorlog nog goed. We waren erg onder de indruk van zijn verhalen over de schuilkelders, de honger, de kou en zijn vader die naar Duitsland werd gestuurd.

 

Waar was u het meest bang voor in de oorlog?
‘Ik was niet zo zeer bang, maar als de vliegtuigen heel laag overkwamen en de bommen vielen, dan kroop je wel eventjes in elkaar. Als je buiten was, dan vluchtte je de schuilkelders in zoals onder de Kinkerbrug. Meestal zat je er met een hoop mensen. Het duurde vaak een uurtje, maar soms kon het ook een paar uur duren. De sfeer binnen was bedompt en angstig, niet bepaald van moppen vertellen en gein maken. Je zat er ineengedoken en luisterde naar wat er buiten gebeurde.’

 

Hoe veranderde uw leven tijdens de oorlog?
‘Er was steeds minder eten. Alles kwam op de bon. Had je geen bonnen meer, dan kon je niks meer kopen. Ook de hoeveelheid die je er mee kon krijgen, werd steeds minder. Eerst kreeg je bijvoorbeeld een heel brood, terwijl je later maar een half broodje kon krijgen. En met dat halfje moest je het soms de hele week doen! Melk was ook op de bon. Je kreeg eerst nog taptemelk. Dat was melk die helemaal verdund was en meer blauw dan geel zag. Daar moest je het mee doen. Op een gegeven moment was het zo erg dat we suikerbieten moesten eten. En dat was niet lekker. De enige manier om aan voedsel te komen was door op ‘oorlogspad’ te gaan. Samen met mijn neef ging ik op hongertocht. We liepen een heel stuk richting Hoorn. En dan ging je hier en daar bedelen op een boerderij voor een beetje eten. Het was zoals de vluchtelingen tegenwoordig. We waren eigenlijk ook vluchtelingen.’

 

Wie miste u het meest tijdens de oorlog?
‘Mijn vader, want die werd opgepakt. Tijdens de oorlog moest elk bedrijf een bepaald aantal arbeiders leveren die naar Duitsland werden gestuurd. Dat moest van die moffen. Mijn vader moest dus ook. Hij heeft een jaar of drie in Duitsland gezeten en toen hadden wij dus geen vader. Ik miste hem. Maar toen de oorlog voorbij was, stond hij daar plotseling. Dat vergeet ik nooit en mijn moeder ook niet. Zij was kwaad, want ze zag dat mijn vader gewoon met de buurman stond te praten. En hij was jaren weggeweest! ‘Verdomme, we staan op je te wachten!’ riep mijn moeder. We waren heel blij dat hij weer thuis was.’

 

 

 

 

Social Media


Meer zien van onze programma's en op de hoogte blijven van het laatste nieuws?
Volg ons op social media:

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

+31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892