Erfgoeddrager: Lotus

‘Ik was heel mager en had steenpuisten’

Jan Kok komt ondanks de hevige regen vrolijk en opgewekt binnenlopen in de knusse lerarenkamer van De Boomgaardschool. Aan zijn hand prijken zelfgemaakte gouden sieraden. Jan is vijftig jaar goudsmid geweest. Voordat Lotus, Roosje, Jorijn en Sasha hun eerste vraag kunnen stellen, vraagt Jan of zij een idee hebben wat er in de oorlog allemaal is gebeurd. De kinderen komen met een uitgebreid verhaal over de aanleiding en uitkomsten van de Tweede Wereldoorlog. Dat hebben ze geleerd tijdens ‘Oorlog in mijn Buurt’.

Kende u mensen die in het verzet zaten?
‘Mijn ouders waren geen verzetsstrijders, maar mijn moeder deed wel veel voor Joodse buurtgenoten. Zo deed ze hun boodschappen, toen zij dat niet meer mochten in bepaalde winkels. Alles ging op de bon in die tijd. Elke donderdag knipte mijn moeder de bonnen uit de krant. Zo had je brood-, groente-, vlees- en zelfs textielbonnen. Er werd ook niet over verzet gesproken in die tijd. Hoe minder je wist hoe beter. Als je zou worden opgepakt door de Duitsers en op de pijnbank zou worden gelegd, kon je ook niet uit de school klappen. Mijn ouders praatten om die reden ook vaak in het Engels over het verzet, zodat wij als kinderen het niet konden verstaan.’

Hoe was de oorlog voor u?
‘Ik was zes toen het begon. De oorlog was eerlijk gezegd een beetje saai voor mij. Ik heb ook niet heel veel meegemaakt. Af en toe hoorde ik schieten in de verte. Wel kan ik me herinneren dat er een aantal bunkertjes in de stad zijn opgeblazen door het verzet. En natuurlijk het feit dat Joodse klasgenootjes en buren niet meer terug zijn gekomen na de oorlog. Daar denk ik nog elke dag aan, dat tekent je leven. Het neerstorten van een Engels vliegtuig in de Van Bossestraat staat ook nog in mijn geheugen gegrift. En ik kan me de Februaristaking nog goed herinneren. Die begon op de Noordermarkt in de Jordaan. De trams reden niet en de reiniging deed ook mee. Ook de fabrieken deden mee. Daar zijn toen veel mensen bij omgekomen. Ik heb gelukkig zelf geen familie verloren in de oorlog.’

Hoe was de Hongerwinter voor u?
‘We hadden in die tijd nog echte strenge winters. Er lagen pakken sneeuw en we konden schaatsen op de grachten. Ik was die winter zo mager als een lat. We aten tulpenbollen en suikerbiet. Ook moest ik met een pannetje naar de gaarkeuken waar we waterige soep uit grote bakken kregen. Het pannetje warmden we thuis op de kachel op. Naast dat ik heel mager was, had ik ook steenpuisten op mijn achterhoofd en m’n broer had gaten in z’n been. Dat kwam doordat we vitaminetekort hadden. Veel mensen zijn in die tijd gestorven. Omdat het zo’n koude winter was, konden de overledenen niet worden begraven in de harde grond. De lijken werden tijdelijk opgeslagen in de Zuiderkerk. Om de ratten weg te houden, liepen er mensen met ratels.’

Erfgoeddrager: Lotus

‘Met mijn broertje in de wandelwagen trokken we over prikkeldraad en platteland’

Gerard Eikemaar was nog jong toen de oorlog begon. Herhaaldelijk vertelt hij tijdens het interview dat hij het als kind heel anders heeft beleefd dan hoe hij er nu aan terugdenkt. Nu hij ouder is, kijkt hij met meer ernst terug op de moeilijke gebeurtenissen in de oorlog, die getekend zijn door het onderduiken, het verzet van zijn vader en het omkomen van zijn oudere broer. Omdat zijn vader zijn werk als machinist staakte, moest het gezin in september 1944 onderduiken op een boerderij. Daar heeft ook leuke herinneringen aan, vertelt hij aan Eddy, Mayla en Lotus van de 1e Montessorischool.

U was heel jong. Heeft u nog verhalen uit de oorlog?
‘Ik was pas twee toen de oorlog begon. Ik weet nog wel wat van de tijd dat we als gezin moesten onderduiken. Dat was in september 1944, toen ik zes was. Mijn vader was machinist en ging naar zijn werk. Daar hing een proclamatie met daarop de melding dat de spoorwegen gingen staken als verzet tegen de Duitsers. De beslissing was snel genomen. Mijn vader deed mee, meldde zich bij de ondergrondse en ging naar huis om ons te informeren. Diezelfde nacht kregen we de opdracht om naar een boerderij te gaan. Met mijn broertje in de wandelwagen trokken we over prikkeldraad en platteland naar onze onderduikplek. Op de boerderij hadden we genoeg eten en konden we goed schuilen, met extra geluk dat de vrouw van de boerderij Duits was.’

Hoe was het om onder te duiken?
‘Dat was allemaal niet zo slecht, omdat ik toen nog zo jong was. Het was op de boerderij op een bepaalde manier ook schitterend als kleine jongen. Er was genoeg te eten, er was genoeg te doen, zoals ‘de stier verzetten’, en er was genoeg plaats voor het gezin. Soms ging ik met mijn oudere zus spelen op het land. Dan keken we of er Engelse of Canadese soldaten landden. Ik kon hen herkennen door hun landingspatroon. Als er dan geschoten werd, moesten we snel dekking zoeken. Naderhand gingen we dan op zoek naar kogelhulzen.
Natuurlijk was er ook gevaar, maar ik was zo jong dat ik dat niet altijd zo ervaren heb. Op een boerderij, een kilometer verderop, werden mensen verraden. Ze werden opgepakt en de boerderij werd in brand gestoken. Dat kwam wel heel dichtbij. Daarnaast was het ook riskant voor mijn vader, die een andere identiteit van de ondergrondse beweging gekregen had. Hij moest een keer zijn persoonsbewijs aan Duitsers laten zien en was vergeten dat hij zijn machinistenjas nog onder zijn winterjas aan had. Dit bleek zijn redding te zijn, omdat de Duitserd ervan uitgingen dat hij nog een machinist was en hij kon ze overtuigen dat hij nog in dienst was, waardoor hij zijn persoonsbewijs niet hoefde te tonen.’

Kende u mensen die de oorlog niet hebben overleefd?
‘Dat raakt me diep, omdat mijn oudere broer de oorlog niet heeft overleefd. Hij was, omdat hij oud genoeg was, door de Duitsers opgeroepen om voor hen in dienst te gaan. Veel jonge mannen wilden dit niet en kozen ervoor om onder te duiken. Mijn broer ook. Maar in de trein terug naar Alkmaar is hij verraden door een NSB’er. Hij is de trein uitgehaald en afgevoerd naar een concentratiekamp in Amersfoort. Door de erbarmelijke omstandigheden daar heeft hij de oorlog niet overleefd. Mijn moeder is het verlies nooit te boven gekomen en vond het daarom moeilijk om na de oorlog naar de herdenking te kijken.’
         

Erfgoeddrager: Lotus

Ik ging op een platte schuit naar Coevorden, helemaal alleen

Het is nog best een stukje met de tram helemaal naar Osdorp. Bij het Osdorpplein stappen Kyomi, Tirza, Siem, Raaf en Lotus van basisschool de Meidoorn uit. Als ze aangebeld hebben, staat Lenie Ekelschot hen al aan het eind van de lange galerij op te wachten. De kinderen worden onthaald met thee, limonade en koekjes. Ze schuiven bij elkaar op de bank en Lenie neemt plaats in de gemakkelijke stoel bij net raam.

Wat is er met uw familie gebeurd tijdens de oorlog?
‘Ik was negen jaar toen de oorlog afgelopen was dus ik weet nog het meeste van het laatste jaar. De kerk tegenover jullie school, daar ben ik gedoopt, ging ik naar de kleuterschool en ben ik getrouwd. Wij zaten met zeven broers en zussen in een kleine woning, maar verhuizen was er niet bij. Dat is nu voor jullie gelukkig wel anders. Mijn moeder maakte al onze kleding zelf op de naaimachine. Mijn vader was betrokken bij de spoorwegstaking en zat ondergedoken. ’s Avonds om elf uur kwam hij dan stiekem even thuis. Maar we moesten wel voorzichtig zijn, want er woonden NSB’ers in de buurt en je was zo verraden. Dat is trouwens gauw bekend, wie die NSB ‘ers zijn, want die bemoeiden zich met alles. Naast ons woonden ook Joodse mensen, maar die hebben de oorlog overleefd. We hebben ook het bombardement op Noord gezien, toen kwam er een parachutist naar beneden. En de neef van mijn latere man, Jan Verleun, is doodgeschoten nadat hij had geprobeerd het bevolkingsregister op te blazen.’

Hoe was de hongerwinter?
‘Honger hadden we, en kolen voor de kachel hadden we niet. Als je het koud heb, is dat heel erg. We hadden een tweepersoonsbed in de kamer gezet, zodat we warm bij elkaar konden zitten. De bielzen van het spoor brandden er heerlijk, of de tramblokjes uit de Kinkerstraat. Al het eten was op de bon en dan moest je naar de gaarkeuken voor een pannetje eten. Mijn zus ging helemaal naar de stad, want daar werkte de buurvrouw. Dan had je een mazzeltje en kreeg je wat extra’s. Mijn tante kreeg een baby, die is doodgegaan door de honger. We zaten op een fiets in de kamer, want dan hadden we licht en kregen we nog beweging ook.
Omdat er in Coevorden nog wel eten was, ben ik daar naartoe gestuurd. Ik ging op een platte schuit waar stro op de grond lag en een emmer in de hoek stond. Ik mocht niets meenemen en moest mijn moeder gedag zeggen. Ik was dus helemaal alleen en ik heb heel veel gehuild. Onderweg zijn we zelfs nog gebombardeerd. Ik liep met een kindje van een jaar of twee in de kinderwagen, ik kan zijn gezichtje nog herinneren. In augustus 1945 reden de treinen weer en kon ik daar pas weg. Ik zat op een vrachtwagen en op de Admiralengracht was het feest. Mijn broer zag mij zitten en riep mijn moeder. “Mama, Lenie is er weer!” Vijf jaar geleden hadden wen een reünie met die kinderen uit Coevorden. Toen kon ik het afsluiten.’

Hoe voelt u zich als u aan de oorlog denkt?
‘Er gaat gelukkig een hoop langs je heen als kind. Dat vergaat dan gewoon. Ik zit er niet mee, maar kan het me wel herinneren. Ik ben er toch soms mee bezig, dan ga ik op zoek naar foto’s. Nu ik zo zit te praten, komt er ook veel meer naar boven. Er is altijd een voor en na de oorlog, maar je moet wel meegaan met de moderne tijd. Zo zit ik bijvoorbeeld op Facebook. We geloven allemaal in hetzelfde. Ook niet alle Duitsers zijn slecht hoor. Ik was eens na de oorlog bij een Duitse boer om hout te halen, hij bleef maar excuses maken voor het bombardement op Rotterdam. Oorlog is echt niet in een paar woorden te beschrijven.’

 

Erfgoeddrager: Lotus

‘Op een platte schuit ging ik naar Coevorden, helemaal alleen en ik mocht niets meenemen’

Het is nog best een stukje met de tram helemaal naar Osdorp. Bij het Osdorpplein stappen Kyomi, Tirza, Siem, Raaf en Lotus van basisschool de Meidoorn uit. Als ze aangebeld hebben, staat Lenie Ekelschot hen al aan het eind van de lange galerij op te wachten. De kinderen worden onthaald met thee, limonade en koekjes. Ze schuiven bij elkaar op de bank en Lenie neemt plaats in de gemakkelijke stoel bij net raam.

Wat is er met uw familie gebeurd tijdens de oorlog?
‘Ik was negen jaar toen de oorlog afgelopen was dus ik weet nog het meeste van het laatste jaar. De kerk tegenover jullie school, daar ben ik gedoopt, ging ik naar de kleuterschool en ben ik getrouwd. Wij zaten met zeven broers en zussen in een kleine woning, maar verhuizen was er niet bij. Dat is nu voor jullie gelukkig wel anders. Mijn moeder maakte al onze kleding zelf op de naaimachine. Mijn vader was betrokken bij de spoorwegstaking en zat ondergedoken. ’s Avonds om elf uur kwam hij dan stiekem even thuis. Maar we moesten wel voorzichtig zijn, want er woonden NSB’ers in de buurt en je was zo verraden. Dat is trouwens gauw bekend, wie die NSB ‘ers zijn, want die bemoeiden zich met alles. Naast ons woonden ook Joodse mensen, maar die hebben de oorlog overleefd. We hebben ook het bombardement op Noord gezien, toen kwam er een parachutist naar beneden. En de neef van mijn latere man, Jan Verleun, is doodgeschoten nadat hij had geprobeerd het bevolkingsregister op te blazen.’

Hoe was de Hongerwinter?
‘Honger hadden we, maar kolen voor de kachel hadden we niet. Als je het koud heb, is dat heel erg. We hadden een tweepersoonsbed in de kamer gezet, zodat we warm bij elkaar konden zitten. De bielzen van het spoor brandden er heerlijk, of de tramblokjes uit de Kinkerstraat. Al het eten was op de bon en dan moest je naar de gaarkeuken voor een pannetje eten. Mijn zus ging helemaal naar de stad, want daar werkte de buurvrouw. Dan had je een mazzeltje en kreeg je wat extra’s. Mijn tante kreeg een baby, die is doodgegaan door de honger. We zaten op een fiets in de kamer, want dan hadden we licht en kregen we nog beweging ook.
Omdat er in Coevorden nog wel eten was, ben ik daar naartoe gestuurd. Ik ging op een platte schuit waar stro op de grond lag en een emmer in de hoek stond. Ik mocht niets meenemen en moest mijn moeder gedag zeggen. Ik was dus helemaal alleen en ik heb heel veel gehuild. Onderweg zijn we zelfs nog gebombardeerd. Ik liep met een kindje van een jaar of twee in de kinderwagen, ik kan zijn gezichtje nog herinneren. In augustus 1945 reden de treinen weer en kon ik daar pas weg. Ik zat op een vrachtwagen en op de Admiralengracht was het feest. Mijn broer zag mij zitten en riep mijn moeder. “Mama, Lenie is er weer!” Vijf jaar geleden hadden wen een reünie met die kinderen uit Coevorden. Toen kon ik het afsluiten.’

Wat voelt u zich als u aan de oorlog denkt?
‘Er gaat gelukkig een hoop langs je heen als kind. Dat vergaat dan gewoon. Ik zit er niet mee, maar kan het me wel herinneren. Ik ben er toch soms mee bezig, dan ga ik op zoek naar foto’s. Nu ik zo zit te praten, komt er ook veel meer naar boven. Er is altijd een voor en na de oorlog, maar je moet wel meegaan met de moderne tijd. Zo zit ik bijvoorbeeld op Facebook. We geloven allemaal in hetzelfde. Ook niet alle Duitsers zijn slecht hoor. Ik was eens na de oorlog bij een Duitse boer om hout te halen, hij bleef maar excuses maken voor het bombardement op Rotterdam. Oorlog is echt niet in een paar woorden te beschrijven.’

Social Media


Meer zien van onze programma's en op de hoogte blijven van het laatste nieuws?
Volg ons op social media:

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

Christine: +31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892