Erfgoeddrager: Lois

‘We vonden het spannend dat Nederland zo laag lag’

Amerie, Bekir, Jessie, Loïs en Younes van het Vox College in Amsterdam-Noord bezoeken de 75-jarige Lucia Bouva in haar flat. Ze worden warm ontvangen en gaan zitten in haar gezellige huiskamer vol familiefoto’s en culturele spulletjes, waar ze tijdens het interview uitgebreid over zal vertellen. Ook luisteren ze naar muziek van populaire Surinaamse bands waarin de zoon van mevrouw Bouva als gitarist meespeelt. Ze is op haar zestiende vanuit Paramaribo met haar familie naar Nederland gekomen en woont al decennia in Amsterdam-Noord. Als ze haar Surinaamse hoofddoek goed heeft opgezet, beginnen de leerlingen hun interview.

Hoe was uw schooltijd in Suriname?
‘Het was heel prettig, ik heb het goed gehad. Ik zat mijn hele jeugd bij de padvinderij, dus dan ken je bijna iedereen. Ik heb nog steeds contact met vriendinnen van toen. Mijn vader had een meubelzaak, hierdoor zaten we financieel goed. We hebben eigenlijk nooit problemen gehad. Mijn ouders hebben elkaar ontmoet toen ze allebei voor meneer Van Wou werkte. Hij was een belangrijke man, een ‘kopstuk’ in de waterbouw. Mijn moeder was kamermeisje en mijn vader was timmerman. Die Nederlandse familie Van Wou heeft toen mijn vader gestimuleerd om een eigen zaak te beginnen.’

Heeft uw familie te maken gehad met slavernij?
‘Mijn overgrootmoeder heeft slavernij gekend, maar wij wisten er eigenlijk weinig over. We hadden er wel op school over gehoord en elk jaar werd feest gevierd op 1 juli (Keti Koti: de jaarlijkse herdenkingsdag van de afschaffing van de slavernij). Hier in Nederland werd onder de Surinamers veel meer over de slavernij gepraat dan in Suriname.’

Waarom bent u naar Nederland gegaan?
‘Mijn vader kon in Nederland studeren aan de technische school. Hij heeft de eerste vijf jaar alleen in Nederland gewoond en toen zijn wij als familie in etappes naar Nederland gekomen. We hadden een groot gezin met tien kinderen. Ik was 16 jaar en pas van school geslaagd. De bootreis was geweldig! We waren ongeveer vier weken op zee. Er waren feestjes en we kregen Nederlandse maaltijden. We zijn met het gezin in Landsmeer gaan wonen. Bij aankomst waren de buren heel aardig, ze kwamen appeltaart brengen en ze leerden mijn moeder Nederlands koken. Maar ze kookte al vaker Nederlands op z’n Surinaams. We vonden het spannend dat Nederland zo laag onder de zeespiegel lag en dat er altijd gevaar voor overstromingen was. Later ben ik in Amsterdam-Noord gaan wonen en kreeg ik twee zoons en negen kleinkinderen. Ik heb altijd heel erg van kinderen gehouden, dus ik heb altijd veel opgepast, ook op andermans kinderen. Vroeger liep ik vaak ‘shows’ door de buurt met die kinderen. Dan had ik Surinaamse drachten aan, maar ook drachten uit andere landen. Die kinderen vonden het geweldig. De drachten draag ik nog steeds. Ik wil heel graag weer eens een show organiseren. Ik zit ook bij allebei clubjes, ik haak veel en ik maak kaarten. Je moet bezig blijven.’

Wat vindt u beter in Nederland dan in Suriname?
‘Ik was kind toen ik in Nederland kwam, dus je vindt het precies hetzelfde even leuk. Ik miste de padvinderij heel erg. Toen heb ik mij ook hier aangesloten, maar dat was niet zoals in Suriname, dus ik ben snel afgehaakt. Ik kan niks slechts zeggen over Nederland, maar tegenwoordig gaat het hier wel minder goed met de leefstijl. Ik bedoel met de manier waarop we met elkaar omgaan. En ik mis de warmte van Suriname. Soms ga ik terug, maar ik zou er niet meer willen wonen. Hier in Nederland heb ik alles.’

Bent u ooit gediscrimineerd?
‘We hebben in het verleden wel last gehad van mensen die ‘zwarte piet’ naar ons riepen. Naar mijn vader, maar ook naar mij. Dat vond ik niet zo leuk. Een keer toen ik uit de bus stapte, riep een klein jongetje mij na. Ik heb hem bij mij geroepen en hem streng toegesproken. Maar die kinderen weten niet wat ze zeggen, het komt van de ouders.’

Wat is uw geloof?
‘Ik ben katholiek opgevoed en in Nederland ben ik bij de Jehova’s Getuigen geweest, maar op dit moment heb ik geen geloof meer. Ik geloof nu in het ‘culturele’, dat lijkt wel een beetje op een geloof. Kijk, ik heb hier op tafel een ‘bekken’ (een koperen teil) met drankjes en parfums, met ernaast een lege stoel, een ‘djarusu sturu’. Dit is een traditionele Surinaamse stoel die vroeger vaak door mannen aan hun vrouw werd gegeven. En als mensen in trance zijn, gaan ze in zo’n stoel zitten. Soms ga ik in de stoel zitten in mijn Surinaamse dracht. Ik ben ook weleens in trance geraakt, dat gebeurt plotsing. Niet iedereen gelooft hierin, maar zoetjes aan wel steeds meer mensen. Het komt allemaal uit de slaventijd. Toen de tot slaaf gemaakte mensen naar Suriname kwamen, hadden ze dit culturele geloof. Nederlandse slavenhouders verboden het, waarop de slaven stiekem hun geloof uitoefenden.’

 

Erfgoeddrager: Lois

‘Ik kreeg een pistool in mijn nek’

Met de auto rijden de kinderen van Oostzaan naar Zunderdorp, een klein dorpje in landelijk Noord. Daar zijn Gwen, Aurelius, Lois en Tyrone van basisschool De Kweekvijver nog nooit geweest. Aagje Verweij woont niet ver van het huis waarin ze opgroeide tijdens de oorlog. Achter haar geboortehuis stond een schuur en daarin was een groentewinkel. Ze hadden ook twee paarden en een kar, waarmee haar broer en vader de groente rondbrachten.

Merkte u veel van de oorlog?
‘Wij hebben hier in de oorlog niet zo veel gemerkt van al die narigheid, maar we hadden wel veel Duitsers in het dorp. Aan het begin van het dorp staat de Stadshoeve, dat is nu een soort kinderopvang, maar in de oorlog stonden daar allemaal barakken met Duitsers. Die waren hier gelegerd. Ongeveer een kilometer hier vandaan, op de Poppendammergouw bij de boerderij van boer Smit, zat een bataljon met zoeklichten. Die gingen ‘s avonds schijnen in de lucht. Een kilometer de andere kant op, bij de Nieuwendammergouw, stond een afweergeschut. Die schoten dan op de vliegtuigen. Dus de zoeklichten schenen in de lucht en als er dan een vliegtuig vloog, schoot dat afweergeschut hem uit de lucht. Ik herinner me wel dat ik ‘s nachts bang was als er vliegtuigen overkwamen en er werd geschoten. Maar de volgende dag ging ik dan weer granaatscherven zoeken voor mijn verzameling. We waren dus wel helemaal omringd door Duitsers, maar geweld is hier nooit geweest.’

Wat is het ergste dat u heeft meegemaakt?

‘Op zaterdagavond moest ik altijd melk halen bij de boer hier iets verderop, de familie Kranstauber. Op een keer was de boer niet thuis. Er was nog nog een andere jongen en een man die ook voor de melk kwamen en we stonden met z’n drieën bij die boerin. Ineens was er een overval. We moesten met ons gezicht tegen de muur gaan staan. Ik kreeg een pistool in mijn nek. Ze vroegen de boerin om geld en eten, maar dat wilde ze niet geven. Het ging allemaal heel moeilijk want die man die er ook was, draaide zich steeds om. En de overvallers schreeuwden telkens heel hard. Ik vond dat heel beangstigend. Later kwam de boer thuis en die begreep toen dat het mensen van het verzet waren geweest die langskwamen. Ze pleegden overvallen om aan eten en geld te komen voor de onderduikers, die moesten natuurlijk ook eten hebben. Mijn ouders wilden eerst niet geloven wat er was gebeurd.’

Heeft u ook honger gehad?
‘Nee, wij hebben het niet zo slecht gehad. Mijn vader had natuurlijk ook een groentezaak dus er was altijd wel eten. Alles werd wel steeds minder. Bij ons in het dorp werd ook clandestien geslacht. Dat betekent dat er stiekem koeien geslacht werden. Het vlees werd dan verkocht of verdeeld onder dorpsgenoten. Wij wisten altijd precies waar en wanneer dat gebeurde want onze hond Hertha kwam dan weer thuis met een klomp of schoen. Herta rook de geur van het vlees natuurlijk en die schoenen of klompen stonden dan buiten de deur en die nam ‘ie dan mee. Later kwam de eigenaar zijn schoen dan weer bij ons ophalen. Dat was wel grappig.’

Was u blij toen de oorlog voorbij was?
‘Op 7 mei ging ik met mijn broer vanuit het dorp naar Amsterdam om de bevrijding te vieren. Toen we vanuit de Nieuwendijk naar de Dam wilden lopen, kwamen ineens allemaal mensen aanhollen. Op de Dam werd op de mensen geschoten. Iedereen zocht een schuilplaats. Het was heel eng. Toen het weer wat rustiger was, zijn wij ook weer teruggegaan, via de Tolhuispont. Ik was blij dat mijn broer Gerrit bij me was en dat we weer veilig in Noord aankwamen.’

     

Erfgoeddrager: Lois

‘Ik zeg altijd: “Suriname is mijn thuis maar hier in Nederland staat mijn huis”’

Britt, Lois, Ben en Take van de VOX-klassen in Amsterdam-Noord rijden met de auto naar het huis van Yvonne Terborg (71 jaar) in de Stadionbuurt. Yvonne heeft een parkietje in een grote kooi, Tweety. Iedereen vindt het leuk als hij vrij rondvliegt. Britt en Lois blijken echter toch bang te zijn voor het kleine vogeltje dat zomaar op je hoofd komt zitten. Veel gelach en gegil, dus de sfeer zit er goed in.

Hoe was het om op te groeien in Suriname?

‘Ik ben geboren in Paramaribo. Mijn vader was dominee in het binnenland. Maar je moet je voorstellen: daar kon je toen niet komen met de auto. Als we er naartoe moesten, dan zaten we de hele dag op de boot. Mijn vader was niet alleen dominee, maar ook onderwijzer en arts. In het binnenland woonden de nazaten van de tot slaaf gemaakte mensen, die daarheen waren gevlucht. Ze woonden in verschillende dorpen en spraken ook een andere taal. Alleen in de vakanties waren we met z’n allen in ons huis in Paramaribo. Ik heb vaak bij verschillende tantes gewoond, want we konden niet altijd allemaal mee naar het binnenland. Soms bleef ik bij een leuke tante, maar soms ook bij een strenge. Die strenge tante had een heel groot erf, dat leek wel een plantage. Moet je je voorstellen, er groeiden fruitbomen, koffie- en cacaoplanten en allerlei citrussoorten. We gingen altijd in de bomen klimmen. Voor mij als kind was het daar geweldig. We speelden er altijd buiten.’

Hoe was het in Suriname op school?

‘In Suriname was vroeger geen universiteit. Er waren wel goede middelbare scholen in Paramaribo, dat wel. Maar om te studeren gingen veel Surinamers naar Nederland toe. Ik zal je zeggen; één van mijn broers kwam hier als eerste, omdat zijn vrouw hier ging studeren. En daarna kwamen mijn twee zussen ook over om te studeren. En ik ben hier gekomen in 1975. Ik was kapster en wilde ook graag een opleiding voor schoonheidsspecialiste volgen. Die had je niet in Suriname. Ik ben hier toen een poosje gebleven en in 1981 weer teruggegaan. Kort daarna waren de “Decembermoorden” in Suriname. Ik weet niet of jullie daar iets vanaf weten: in 1980 hadden de militairen onder leiding van Desi Bouterse een staatsgreep gepleegd. Zij vonden dat het niet goed ging met het land en waren vanaf toen de baas. Er zijn daarna in december 1982 een aantal belangrijke mensen vermoord. Op school leerden we veel over Nederland. We spraken de Nederlandse taal en we lazen boekjes over kinderen die in de schuur en in de sneeuw speelden. Ik weet wel dat ik me als kind altijd afvroeg hoe dat zou zijn; spelen in een schuur en in de sneeuw. En hoe een molen eruit zou zien. Het eerste wat ik deed toen ik in Nederland aankwam was een molen bekijken. Er zijn nu nog altijd veel koloniale sporen in Suriname. Iedereen spreekt nog steeds Nederlands. Je kan ook nog gewoon het NOS nieuws volgen in Suriname. Heel veel straten zijn vernoemd naar bijvoorbeeld Nederlanderse schilders; je hebt daar de Van Hallsstraat, de Jan Steenstraat en de Albert Cuijpstraat. En we hebben het Julianagebergte en het Margrietgebergte.

Waarom gingen er zoveel Surinamers naar Nederland?

Toen Suriname onafhankelijk werd in 1975 heeft Nederland het niet goed achtergelaten, er waren geen universiteiten of hogere scholen, dus je kon er niet studeren. Ook economisch was het in Nederland beter. Hier in Nederland heb je een goed sociaal stelsel, maar in Suriname is dat nooit geregeld, ook niet toen het land nog van Nederland was. En omdat wij altijd een kolonie van Nederland waren, hadden we ook de Nederlandse nationaliteit – ik heb niet eens een Surinaams paspoort – en konden wij dus komen en gaan waneer we maar wilden. Dus eigenlijk kan je ons niks kwalijk nemen; iedereen wil een beter leven. En Nederland was ons moederland. Ik denk dat iedereen dit moet weten: wij zijn geen vreemdelingen in Nederland. Want Suriname, de Nederlandse Antillen en voormalig Nederlands Indie waren gewoon kinderen van Nederland. En je laat je kinderen toch niet achter zonder dat het goed met ze gaat?’

Komt u nog wel in Suriname?

‘Ik kom nog regelmatig in Suriname, want mijn broer woont daar nog. Van de zomer zijn we daar met mijn twee dochters en mijn zusje naartoe gegaan, toen mijn broer zeventig jaar werd. Mijn jongste dochter wilde heel graag naar naar een dorp in het binnenland waar nog de oorspronkelijke bewoners van Suriname wonen. ‘Inheemsen’ noemen we die, want indianen mag je ze niet noemen. We zijn er met een klein vliegtuigje naartoe gevlogen en daar is ze verliefd geworden op een Inheemse. Nu wil ze in Suriname gaan wonen. Zelf woon ik inmiddels langer in Nederland dan in Suriname. Ik voel me heel erg thuis hier. Ik ben zelf nooit gediscrimineerd en ik ben even graag hier als in Suriname. Ik zeg altijd: “Suriname is mijn thuis maar hier in Nederland staat mijn huis”.’

 

 

 

Erfgoeddrager: Lois

‘Ren naar huis, ik heb ook kinderen’, schreeuwde de Duitser

Omdat ze zo goed de verhalen van haar inmiddels overleden moeder kent en ze in haar werk ook veel op podia vertelt, mag Marja Ruijterman als naoorlogse vertelster meedoen aan Oorlog in mijn Buurt. Simone, Lois en Indy van de Meidoornschool ontmoeten haar in huiselijke sfeer in een café op de hoek waar de verhalen die ze zal vertellen zich afspeelden.

Waar woonde uw moeder precies?
‘Dat is zo vreemd. Ik heb zoveel met haar gesproken over haar jeugd in de oorlog, maar nooit het huisnummer gevraagd en nu is het te laat. Ze is negen jaar geleden overleden. Maar waar we nu zitten, als je naar buiten kijkt, daar is het allemaal gebeurd. Hier groeiden mijn moeder Greet en haar zus Annie op, voortgekomen uit een Joodse vader en niet-Joodse moeder die – heel bijzonder in die tijd – gescheiden waren. Ze hebben veel honger gehad in de oorlog. Veel mensen aten hun eigen huisdier op. Ook hun poes kwam in de pan terecht, maar toen mijn moeder wist dat dat haar poes was, wilde ze het niet eten! Ook deed mijn moeder verzetswerk; dan bracht ze kousen die hersteld moesten worden naar onderduikers in De Pijp, die daardoor wat geld konden verdienen. Daar wist haar moeder niets vanaf!’

Heeft uw moeders familie de oorlog overleefd?
‘Mijn moeder, haar zus en hun moeder wel. Hun vader, mijn opa dus, niet. Van al zijn tien broers en zussen en hun ouders heeft maar één iemand het overleefd: mijn tante Engeltje. Door zich te verstoppen in een voddenkar (een bakfiets met allemaal troep erop) is ze uit kamp Westerbork ontsnapt. Na de oorlog werd ze gek in haar hoofd door alles wat er gebeurd was. In het centrum had ze een armoedig woninkje waar ik met mijn moeder weleens kwam. Als je naar het toilet was geweest, moest je doortrekken middenin de huiskamer! Ze had er allemaal beeldjes die elk een omgekomen familielid voorstelden. Ze kon heel lief doen, maar dan opeens in woede uitbarsten. Dan schold ze mij, een klein meisje, uit voor nazi of vieze Duitser. Na de dood van mijn ouders vond ik een doos met papieren van haar. Ze bleek prachtig te kunnen dichten! Ze had zich altijd geschaamd voor het beroep van haar broer, mijn opa Sem. Die was voddenman op het Waterlooplein. Na de oorlog dichtte ze: “Vergiffenis Sem, miljoenen keer dat ik mij voor U schaamde als ik bij Uw voddenkar was aan het Waterlooplein… en een voddenkar redde mijn leven en heeft mij uit Westenbork gereden”. Ze vond het erg dat zij als enige de oorlog had overleefd en daar schaamde ze zich ook voor.’

Wat is er met uw opa gebeurd?
‘De vader van mijn moeder was hertrouwd met een vrouw die al een dochter had. Samen kregen ze nog een baby. Elke week gingen mijn moeder en haar zus langs. Op een dag ging d’r zus alleen en zag dat alle ramen van het huis van haar vader ingegooid waren. Het gezin was opgepakt, hoorde ze waarna ze naar de Hollandse Schouwburg rende. Daar zag ze net hoe de wagen met opgepakte Joden werd uitgeladen. Haar vader kon ze nooit meer zien, omdat een grote soldaat haar boos wegstuurde. Zo veel als mijn moeder praatte over de oorlog, zo weinig deed haar zus dat. Dit verhaal vertelde m’n tante me pas aan het eind van haar leven. Alleen het baby’tje, hun halfzusje dus, heeft het overleefd. Die werd stiekem weggehaald en naar een gezin in Delft gebracht. Mijn moeder en tante wisten van haar bestaan, maar het gezin wilde geen contact. Als volwassene nam dat meisje contact op met mijn moeder en haar zus. Ze had ontdekt dat ze Joods was, dat wist ze niet, en dat ze nog familie had. Ik heb nog altijd contact met haar. Ze heet Sara, en is mijn tante dus.

Mijn moeder heeft de Duitsers na de oorlog vergeven. Ze wist overigens heel goed dat niet alle Duitsers slecht waren. Toen ze een keer tijdens het stelen van blokjes hout uit de tramrails werd gepakt door een Duitser, riep die in het Duits: “Ik heb ook kinderen, ren naar huis!” Ik ben heel trots dat zij dat kon, vergeven na alles wat er gebeurd is.’

 

Social Media


Meer zien van onze programma's en op de hoogte blijven van het laatste nieuws?
Volg ons op social media:

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

+31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892