Erfgoeddrager: Lisa

‘Het was mijn moeder, maar ze was een vreemde voor me’

Teun, Xanthe, Maggy, Lisa en Sam zitten in laatste groep van basisschool Floralaan in Eindhoven. Ze interviewen online en heel professioneel de 81-jarige Rolf Loewenstein, in Duitsland geboren en één jaar toen de oorlog begon. Ze zijn onder de indruk van zijn verhaal en de moeilijke relatie met zijn moeder komt binnen. De kinderen ronden de antwoorden mooi af door alles steeds even samen te vatten. Rolf is Joods en is in de oorlog zijn vader en broer verloren. Zijn moeder heeft altijd moeite met het verlies gehad en wilde er niet over praten.

Waarom bent u naar Eindhoven gevlucht?
‘Toen de oorlog uitbrak, woonde ik met mijn ouders en broer in Duitsland. Mijn vader liep als schoenmaker langs de deur. Dat deed hij zo goed dat hij later een schoenenwinkel kon beginnen. De winkel is op een nacht geplunderd. Op de gevel stond ‘weg met de Joden’ geschilderd. Toen mijn vader aangifte deed bij de politie kreeg hij te horen: “Rot op, Jood!” We zijn toen naar Eindhoven gevlucht. Waarom we hier terechtkwamen weet ik niet. We hadden geen familie of vrienden hier. Op de Demer 37 begon mijn vader een nieuwe schoenenzaak.’

Waar konden jullie terecht?
‘We moesten uiteindelijk ook uit Eindhoven vluchten en doken onder bij een boer in Maarheeze. Mijn moeder betaalde deze boer met gouden muntstukken. Hij was niet goed voor mijn moeder, hij wilde alleen maar geld. We sliepen in een hooiberg. Daar was een gat ingemaakt, dat ze achter ons dichtmaakten. Op een dag werd een Engels vliegtuig vlak bij de boerderij neergeschoten. De Duitsers gingen op zoek naar de Britten uit dat vliegtuig. Toen moesten we weg. De boer was bang dat mijn broer en ik, toen zes en drie jaar oud, zouden gaan huilen en dat dat gehoord zou worden door de Duitsers. We werden meegeven aan anderen. Ik werd bij een familie in Apeldoorn geplaatst en heb daar een goed leven gehad. Mijn broer heeft ze aan de moffen meegegeven en is kort daarop vermoord.’

Hoe was het in Apeldoorn?
‘Ik was heel blij daar en vond het ook gezellig bij deze boerenfamilie. Ik kreeg een andere naam, Wimpie, zodat mensen niet merkten dat ik Joods was. Ik mocht elke avond bij het grote meisje op haar rug en zo bracht ze me naar bed. Er waren ook twee jongetjes waarmee ik kon spelen. De dag bestond uit werken en vroeg naar bed gaan. Ik kan me het allemaal nog goed herinneren. Vlak bij de boerderij was een sloot met boomstammen eroverheen. Daar lagen weer golfplaten op met zand erop. Ik begreep later pas wat dat was, een schuilkelder. Vlak bij de boerderij stond een fabriekje waar ze souvenirs maakten. Daarvan heb ik deze spaarpot. Kunnen jullie lezen was erop staat? Mijn naam toen, ja! Wimpie.’

Weet u nog toen u opgehaald werd door uw moeder?
‘Dat kan ik me nog erg goed herinneren. Ik was zes en op een dag stopte een grote militaire auto en daar stapte een vrouw met lang zwart haar uit. Het was mijn moeder, maar ze was een vreemde voor me. Ik was bang voor haar en wilde niet mee. In de auto heb ik alleen maar gehuild. Ook voor mijn moeder moet dat vreselijk zijn geweest. Wat er met mijn vader is gebeurd, heb ik zo vaak aan mijn moeder gevraagd. Mijn moeder heeft een oorlogstrauma en als ik haar wat vroeg over de oorlog, snauwde ze: “Das weiß ich nicht!” Ze wilde er niet over praten. Ik vermoed dat mijn vader is opgepakt toen de Duitsers de Britten van het neergehaalde vliegtuig zochten. Ik had ook de indruk dat mijn moeder nog jaren na de oorlog hoopte dat mijn vader en mijn broertje terug zouden komen. Op een dag kwamen we een man tegen die zij kende. Toen ik vroeg wie deze man was, zei ze dat ze hem niet kende. Het bleek achteraf mijn opa te zijn. De relatie met mijn moeder was niet goed, ik heb het er wel moeilijk gehad.
Na de oorlog heb ik het Rode Kruis gevraagd wat er nu precies gebeurd is met mijn broer. Er zijn twee verhalen. De vrouw aan wie hij was meegegeven was een verraadster en heulde met de moffen. Of mijn moeder wist niemand voor mijn broer te vinden en heeft hem toen maar aan de moffen meegegeven.’

Ik ben ook Joods, hoe vindt u het om Joods te zijn?
‘Of je nu moslim bent of Katholiek, dat is hetzelfde. Je hebt orthodoxe, liberale en gematigde mensen, dat is zo bij elke godsdienst. Sommige mensen worden gehersenspoeld door geestelijke voorgangers, in het Jodendom mag je niet ophitsen. Hetzelfde is nu aan de hand met mensen die zeggen dat corona niet bestaat. Geloof hen niet!’

   

Erfgoeddrager: Lisa

‘Ik bleef alleen achter in het kamp’

John Slier vindt het belangrijk dat de kinderen meer over de oorlog willen weten. Hij is geboren aan de Tugelaweg, maar woont nu in de Jordaan. Tijdens de oorlog werd John met zijn ouders afgevoerd naar Westerbork, waar hij alleen achterbleef en bijna twee jaar heeft gezeten. Hij is één van de drie leden van zijn familie die de oorlog hebben overleefd.

U bent met uw familie opgepakt; hoe is dat gegaan?
‘De Duitsers zaten achter een groep oproerkraaiers aan en daar zijn mijn vader, mijn moeder en ik in terechtgekomen. Wij zijn opgepakt en naar de Hollandsche Schouwburg gebracht. Dat was eind 1942. En in 1943 zijn mijn ouders en ik op transport gezet. Dat wilde zeggen, joodse mensen en andere mensen die de bezetter niet aanstonden werden op transport gezet in veewagens naar concentratiekampen. Wij werden vervoerd naar Westerbork en van daaruit zijn mijn vader en moeder, mijn opa’s, één oma, tantes, ooms verder gedeporteerd. Alleen ik, ik zeg altijd “ik sufferdje”, ik mocht niet mee. Ik ben achtergebleven in het kamp met veel andere kinderen bij een hele goeie man, met een goeie dame, dokter Cohen. Hij heeft veel Joodse kinderen in Westerbork in leven weten te houden. Eten was er nauwelijks, koolraap, en koolraap en koolraap en oud brood. 

Dus u heeft daar ook echt herinneringen aan?
‘Ik heb wel veel herinneringen weggestopt. Ik was een jongetje van vier jaar aan het einde van de oorlog. Toen kon ik niet meer lopen. Ik had dunne beentjes en armpjes, een dikke buik, ribbetjes en woog nog maar 12 kilo. Na de oorlog ben ik direct door het Rode Kruis naar Zweden gestuurd en daar heeft men mij weer mens gemaakt. Ik heb weer leren lopen, leren praten. Het ging allemaal weer. Maar in die tijd had ik een oorlog meegemaakt, als klein kind. Ik was mijn vader en mijn moeder kwijtgeraakt, die zijn in Auschwitz vermoord. Ik was ook mijn oma, ooms, tantes, neefjes en nichtjes kwijtgeraakt. En daar stond ik, na de oorlog, helemaal alleen.
Westerbork was een groot kamp met allemaal barakken. En er was een Duitse meneer, die was kampcommandant, meneer Gemmeker. De man had een vrouw, die was er ook en die woonden in een heel mooi huis. Ze hadden een paar grote herdershonden. Met gevaarlijk grote bekken! We wisten niet waar we banger voor waren, voor de honden of voor meneer Gemmeker. Hij had een zweepje bij zich en als hij je zag kreeg je een knal. En zijn vrouw was degene die aan het eten was, zo echt voor je neus. Jij zat te watertanden, of te bedelen voor een stukje brood of koek. En zij stond te eten. Dat zijn dingen die je leven lang bij je blijven.

Wat was het spannendste moment in de oorlog?
‘Dat was in 1943, in Westerbork. Toen werd mijn moeder op transport gesteld en mocht ik mee aan de hand in de rij naar de trein, ze werd er ingeduwd, ingeslagen. Maar ik mocht niet mee. Tot mijn geluk, tot mijn ongeluk. Mijn moeder is nooit meer teruggekomen.’

Wat deed u overdag in Westerbork?
‘Je deed niet veel. Je ging op onderzoek uit met een vriendje. De honden werden op je afgestuurd. Je rende voor je leven. Zo klein als je was, zo bang was je ook. Als kind werd je bang gemaakt door de ouderen, maar je zocht ook altijd een mogelijkheid om te spelen. We maakten ballen van van alles, van stenen, van papier met touw eromheen.’

Erfgoeddrager: Lisa

‘Toen we trouwden, hadden we een stoet van drie koetsjes; de schillenboer met zijn hoge hoed reed die van ons.’

In het Twiskehuis gingen we op bezoek bij Suze Stuster-Korsse. Ze liet ons de voedselbonnen uit de oorlog zien. We vinden het een vreemd idee dat deze bonnen in de oorlog zo belangrijk waren om aan eten te komen. “Willen jullie er anders een paar hebben?”, vroeg mevrouw Stuster. “Als je ze voorzichtig afknipt mag dat best hoor.”

Hoe was het hier in de buurt tijdens de oorlog?
“Wij woonden vrij achteraf, helemaal op de Oostzanerdijk waar nu de Coentunnel ligt. Dat waren maar boerenhuisjes van hout en met een rieten dak. Maar we kregen wel wat mee uit het dorp hoor, want de tieners uit de buurt verzamelden vaak op het Zonneplein. Op dat plein heb ik tijdens de oorlog ook mijn man leren kennen. Het leven ging ook gewoon door, er hing een vrij gemoedelijke sfeer eigenlijk.”

Waren er NSB’ers in uw buurt?
“Ja, NSB’ers waren er ook. Niet ver van ons woonde bijvoorbeeld een familie die lid was van de SS. Die vader had een boksschool en we zagen hem vaak bij ons op de dijk tegen een lantaarnpaal boksen. Een heel gek gezicht natuurlijk, maar ik was wel bang voor hem. En ik herinner me wel dat er meiden kaalgeschoren zijn door jongens omdat ze verkering hadden gehad met een  Duitser. Eén van die meiden is later nog getrouwd met een van
die jongens die haar kaalgeschoren heeft.

U bent in die tijd getrouwd, was dat niet gek?
“Eten en drinken was heel duur geworden, dus een groot feest geven, dat ging inderdaad niet. We hadden een stoet van drie koetsjes; de schillenboer met zijn hoge hoed reed die van ons. Maar van de Duitsers mochten er maar twee koetsjes achter elkaar rijden, dus eentje kwam met een omweg naar het stadhuis. Als ik nu zou horen dat iemand in zo’n tijd wil trouwen, zou ik denken: ‘Ben je wel goed bij je hoofd?’. Normaal gesproken mag je na het tekenen van je huwelijksakte de felicitatiekamer in.   Nou, dat ging bij ons wel even anders: wij mochten de schuilkelder in. Het luchtalarm ging namelijk af vlak na de ceremonie. Daarna hebben we alsnog flink feestgevierd. We hadden zelf tarwe op water gezet om te laten gisten zodat we toch nog een borrel hadden om mee te proosten.”

Erfgoeddrager: Lisa

‘We zagen een neergestort vliegtuig, in het Volewijkspark (nu Noorderpark), het stond nog in brand’

Al bijna 100 jaar is To van der Pol, maar haar angst voor de bombardementen kan ze zich nog goed herinneren.Net als de razzia’s in Nieuwendam, waarbij Joden en jonge mannen uit hun huizen werden gehaald.

Was u bang dat ze uw huis gingen bombarderen?
“Doodsbang. Vlak achter ons huis, aan de Beemsterstraat, stond het afweergeschut van de Duitsers. Elke nacht hoorden we de vliegtuigen van de Engelsen overkomen. Tommies noemden we hen. Als het luchtalarm afging, kroop ik diep onder de dekens, ook al wist ik dat dit me niet zou helpen. Pas als de Tommies voorbij waren gevlogen, konden we weer slapen.

Gelukkig is ons huis nooit geraakt.
En met mijn man moest ik een keer schuilen tijdens luchtalarm. Toen we later naar huis liepen zagen we in het Volewijkspark (nu Noorderpark) een neergestort vliegtuig, het stond nog in brand. Het was angstig om te zien. Met een boogje konden we er omheen lopen.”

Heeft u gezien dat er Joodse mensen werden opgepakt?
“In Nieuwendam waren wel eens razzia’s. Op een zaterdagochtend in alle vroegte kwamen de Duitsers onze wijk binnen. Ze waren op zoek naar Joden. Overal belden ze aan en haalden de bewoners uit hun bed. Daar gingen die mensen, met z’n allen in een rij aan een touw vast. Ik stond buiten en zag het gebeuren. Het was een heel naar gezicht. Ik wilde wel helpen, maar ik was bang dat ik dan zelf ook werd opgepakt. Wat moest je?”

Hoe vierde u de bevrijding?
“Het was vrijdagavond laat, we hadden net op onze knieën gebeden of er alsjeblieft geen bombardementen zouden komen die nacht, toen er werd aangebeld. Jemig, het was al 9 uur, wie kon dat nog zijn? Bleken het de buren die ons vertelden dat we waren bevrijd. We gingen meteen de deur uit, en ja hoor, op het Purmerplein was het feest, met trommels en vlaggen. Iedereen liep in de rondte. Maar het was ook nog erg gevaarlijk. De Duitsers hadden geen officieel bericht gehad dat de oorlog voorbij was, dus die waren er nog. Toen er een vliegtuig overkwam, dook iedereen snel weg.”

Erfgoeddrager: Lisa

‘Ik heb een keer een potje met beschimmelde jam en een paar harde erwten gegeten.’


Lenie is 13 jaar als de oorlog begint en kan zich daardoor nog veel herinneren. Ze kan bijvoorbeeld geen eten meer weggooien, want ze weet veel te goed hoe het is om honger te hebben. Daarom is ze nu nog steeds heel zuinig op voedsel.

Hoe was de hongerwinter voor u?
In de hongerwinter hadden we helemaal niets. En na 8 uur ‘s avonds mocht je de straat niet meer op. Ook moest alles verduisterd worden, zodat er geen straaltje licht naar buiten kwam. De hongerwinter was koud en donker. We hadden geen elektriciteit en moesten zelf voor iets brandbaars zorgen. Dit was een hele klus omdat er weinig hout was. Mijn vrienden en ik gingen vaak hout sprokkelen, maar het was heel gevaarlijk, want er lagen mijnen die konden ontploffen als je erop stapte. Daarnaast moesten we ervoor zorgen dat de Duitsers ons niet zagen, anders werden we beschoten met mitrailleurs. Maar dat risico namen we, omdat we zonder hout niet overleefden in de kou. Slapen in een winterjas was niet warm genoeg.
Voedsel was heel schaars. Al het eten ging op de bon. Ik was al blij met één snee brood per dag. Er was ook een gaarkeuken waar een soort vieze, waterige soep werd gemaakt, maar dat kon me niks meer schelen. Soms lag er veel sneeuw, zodat de paarden met wagens waar de soep mee werd gebracht, er niet doorheen kwamen. Dan kregen we dagen niets te eten. Ik heb een keer een potje met beschimmelde jam en een paar harde erwten gekregen, of vieze bloembollen en suikerbieten. Daar was ik toen toch heel blij mee en heb alles opgegeten.
De boeren hielpen ons helaas niet. Ze hadden genoeg eten op het land, maar wilden niks delen. Ze vroegen er nieuwe kleren, juwelen of andere spullen voor. Hierdoor hadden de rijke mensen in de hongerwinter wel te eten.
Ook het water was schaars. De waterkraan ging één uur per dag open. Ik rende toen zo snel als ik kon met emmers naar de kraan om water te halen.

Hoe was uw middelbare schooltijd?
De eerste vier jaar van de oorlog ging ik nog naar school. Maar dit werd steeds minder. Veel mensen moesten onderduiken. In mei of juni 1945 was mijn eindexamen. Maar we kregen ons diploma cadeau. Er waren een paar mensen die ervoor kozen nog een jaar naar school te gaan en hun diploma zelf te halen. Een diploma was in deze tijd ook niet zo belangrijk; als je goed was in je werk mocht je blijven.
Toen ik 15 jaar was moesten mijn moeder en ik verhuizen. De Duitsers wilden op die plek gaan bouwen en wij zouden naar Gelderland moeten verhuizen. Wij zagen dit niet zitten en bleven als illegalen in Den Haag. Mijn moeder en ik zijn toen opgesplitst en bleven bij vrienden logeren. We zwierven rond in de stad en kwamen elkaar af en toe tegen. In deze tijd ben ik veel van mijn spullen kwijt geraakt.

Wat is u het meest bijgebleven?
Na 5 jaar bezetting en onderdrukking werden we bevrijd. Dat gevoel zal ik nooit vergeten. Toen kwamen de Canadezen binnengereden op hun tanks. Hoewel ik wist dat alles in ons land weer moest worden opgebouwd, was de bevrijding echt een moment van blijdschap.

Social Media


Meer zien van onze programma's en op de hoogte blijven van het laatste nieuws?
Volg ons op social media:

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

Christine: +31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892