Erfgoeddrager: Kaylee

‘Ik vond het heel naar om in zo’n betonnen ding te zitten, terwijl buiten bommen vielen’

Vanaf de tafel in het huis van Frans Strik kijken Kaylee, Noah en Rieky van de Trudoschool in Eindhoven uit op een mooie binnentuin. Daarachter staat een atelier; Meneer Strik is kunstenaar en heeft veel tentoonstellingen gehad. Overal in huis hangen portretten en landschappen van zijn hand. Ook zijn vrouw is kunstenares. De keramiektegels en schalen, beschilderd in vrolijke kleuren zijn door haar gemaakt. Na een drankje vragen de kinderen over de oorlog, toen meneer Strik met zijn ouders en vijf broers in de Annastraat woonde.

Hoe kwam u aan eten in de oorlog?
Ik heb geen honger geleden. Mijn vader kon in zijn geboorteplaats Oss eten krijgen van de boeren. En we hadden toen de Beemd, velden in Strijp waar mensen een tuintje hadden om eten te verbouwen. Daar gingen we dan stiekem eten weghalen. Ook pikte ik met mijn jongere broertje aardappelen op de aardappelvelden. Dan kropen we daar onder het prikkeldraad door en verzamelden we aardappelen in een grote zak op onze buik. Op een dag kwam er een Duitser aan. “Was machen sie hier?” vroeg hij. “Uh, Kartoffelen stehlen,” zei ik. We werden meegenomen naar het vliegveld waar we in een cel, met echte tralies en een deur met een luikje, werden gezet. Mijn broertje was heel erg bang en huilde de hele tijd. En ik zei alsmaar tegen hem: “Ach, ze doen ons niks”. Elke keer als het luikje openging en een Duitse soldaat zei: “Ohhh das kostet zwanzig Jahre im Gefängnis”. Dan begon mijn broertje nog harder huilen. En ik maar troosten en zeggen dat dat bluf was, maar ik was zelf ook heel bang. En zo ging dat maar door, met steeds een andere soldaat die weer hetzelfde zei. Tot een Duitser een keer vroeg wie ons gevangen had gezet. We moesten eruit komen en alle soldaten moesten op een rij staan en ik moest aanwijzen wie ons mee had genomen. Die soldaat werd toen in de cel gezet en wij mochten naar huis en kregen nog extra aardappelen mee ook. Maar we mochten het nooit meer doen, zei die Duitser.
Er waren aardige Duitsers. Ik hoorde van klasgenootjes dat ze van soldaten een Schwing kregen. Dat was een herkenningsteken in de vorm van een vleugeltje. Een keer vroeg ik dat ook aan een Duitse soldaat, dat was aan de Frederikslaan. Hij boog zich naar mij en begon in het Duits te praten. Ik was zo bang en rende naar huis. Hij riep “keine Angst, keine Angst!” Ik viel mijn  moeder om haar nek en zei dat die Duitser mij wilde pakken. Maar toen vertelde hij dat hij een zoontje met net zulk blond haar als ik thuis heeft, van mijn leeftijd. Hij had er niks kwaads mee bedoeld. Ik kreeg vijf Schwings waar ik mijn vriendjes mee kon overbluffen.’

Heeft u wel eens in een schuilkelder gezeten?
‘Jazeker. Dat vond ik heel beangstigend. Philips had in alle straten in Philipsdorp een schuilkelder gemaakt, dus ook voor de Annastraat waar wij woonden. Als ik het alarm hoorde, was ik zo bang. Nu hoor je het nog steeds elke eerste maandag van de maand en ik vind het nog steeds een heel angstig gehoor. De kelder was zo lang als hier deze huiskamer. Er waren twee ingangen, hier en daar, en banken langs de kant, alleen voor de ouderen. Alle mensen uit de straat zaten erin. Het was behoorlijk vol. Ik vond het heel naar om in zo’n betonnen ding te zitten, terwijl buiten werd geschoten en gebombardeerd en zo. Ik bleef altijd bij de ingang staan, zodat ik weer snel weg kon. Heel vaak kreeg ik op mijn kop. “Ga naar binnen,” zei men. Maar dan ging ik toch weer stiekem naar buiten. En het gebeurde ook ’s nachts bijna altijd. Dan kwamen Engelse vliegtuigen over om Duitsland te bombarderen. Omdat men niet wist waar die vielen, ging het luchtalarm af. Zaten we in onze pyjama in de schuilkelder. Een buurvrouw, een hele oude opoe, riep alsmaar: “Ik wil naar huis, ik wil naar huis”. Ik werd gek van dat mens. Ze  hield zich aan mij vast en ik moest haar dan weer uit de kelder trekken, verschrikkelijk.

Hoe was de Bevrijding?
‘Dat was een feest. We hoorden de nacht ervoor kanonnengebulder vanuit België. We wisten dat de Engelsen heel dichtbij waren. We gingen voor het dakraampje staan kijken en zagen toen in de verte allemaal parachutisten landen. We waren zo blij, het ontroert me nu nog. We zagen de militairen Eindhoven binnenkomen. De Engelsen over de Aalsterweg en de Amerikanen uit Son. De Duitse soldaten waren altijd zo streng, maar de Amerikanen en Engelsen kwamen heel vriendelijk binnenwandelen, heel ontspannen. De Amerikanen kwamen kauwgom kauwend aanlopen en wij begroetten ze. Maar een dag later riepen de Engelsen vanaf hun tanks “Go home, go home!”, want er vielen allemaal lichtkogels. Wij dachten dat dat bij de Bevrijding hoorde, maar dat was het niet. Ik was bang en ben hard naar huis gelopen.’

         

Erfgoeddrager: Kaylee

Mijn vader werd gefusilleerd, het stond in de krant

Wij interviewden Ruud Jansen. Zijn vader, Lou Jansen, had de Februaristaking mede georganiseerd. Hij werd gezocht door de Duitsers. Daarom moest het hele gezin onderduiken.

Vond u het moeilijk om onder te duiken?
‘Omdat we waren ondergedoken kon ik niet naar school. Ik moest heel voorzichtig zijn. We hadden ook een andere naam. Ik kon geen vrienden maken. Je speelde wel met andere kinderen, maar je mocht op een hoop dingen geen antwoord geven. Waarom ik niet naar school ging, enz. Die kinderen waren toch niet gek. Het was moeilijk om geheimen te hebben. Wij woonden in bij mensen die het verzet steunden. We bleven niet de hele dag binnen, maar je moest wel oppassen. Als je ondergedoken was bestond je niet meer en kreeg je ook geen bonnen. Dus je moest op een of andere manier aan bonnen zien te komen. Mijn vader bleef ook tijdens het onderduiken actief in het verzet en is uiteindelijk verraden.’

Weet u wie uw vader heeft verraden?
‘Ja. Mijn vader had een contactman in het verzet. Die man is opgepakt en hardhandig ondervraagd. Hij heeft toen adressen gegeven van een aantal mensen voor wie hij contactman was. Toen kwam de Sicherheitsdienst en is mijn hele familie opgepakt. Dat was de laatste keer dat ik mijn vader levend heb gezien. Hij werd naar de gevangenis gebracht en verhoord en nog een keer verhoord. Mijn moeder mocht mijn vader een aantal keer bezoeken. Hij zat in het Oranjehotel in Scheveningen. Ze heeft ons ook meegenomen, maar we mochten niet mee naar binnen van de Duitsers. Mijn vader mocht wel brieven schrijven. Ik heb nog drie brieven van mijn vader aan ons, waarin hij ons moed insprak.
Uiteindelijk is er ook nog een rechtszaak geweest. Mijn vader had sabotage gepleegd, gezorgd dat treinen ontspoorden enz.. Daarvoor is hij ter dood veroordeeld. Mijn moeder heeft nog gratie aangevraagd. Dat deed je bij Seyss-Inquart. Dat ging heel officieel naar allerlei instanties in Nederland.
Op een dag in oktober kreeg ze bericht dat gratie niet werd verleend en de volgende dag is mijn vader gefusilleerd. Mijn moeder heeft het ons pas een week later verteld, maar toen wist ik het al. Het had al in de krant gestaan.’

Wat gebeurde er met u toen uw vader werd opgepakt?
‘Op 6 april 1943 werden we in Eerbeek opgepakt, dat zijn van die data die je nooit vergeet. Mijn vader werd meegenomen en ging meteen naar de gevangenis. Mijn oudste broer ging naar een andere gevangenis. Mijn zussen zaten op een ander onderduikadres. Mijn moeder, mijn jongste broer en ik werden naar het huis van bewaring in Arnhem gebracht. Dat was een soort grote kamer, daar zat geen toilet in, maar een emmertje waarin je moest plassen. Met vier mensen ging dat snel stinken. ’s Ochtends brachten de bewakers boekjes voor de kinderen: Okki, een boek met veel plaatjes. Ik had alleen de eerste klas gedaan, maar ik kon goed lezen.
Later is mijn moeder weggevoerd en zijn mijn broertje en ik in een hoge jeep naar het weeshuis in Eerbeek gebracht. Mijn oudere zussen kwamen de volgende dag langs op de fiets omdat ze ons wilden zien, maar bij het huis werden ze gewaarschuwd en zijn ze weer teruggegaan naar de mevrouw waar ze onderdoken zaten. Mijn oudste broer werd in de gevangenis verhoord, hij deed ook al wat verzetswerk, maar zei dat hij niets gedaan had en mijn vader zei dat ook tijdens zijn verhoren. Toen is mijn broer vrijgelaten. Na drie maanden kwam volkomen onverwacht mijn moeder terug. Ik kon mijn ogen niet geloven. Ze heeft ons toen meteen meegenomen. We hoefden niet meer onder te duiken.
Daarna zijn we bij elkaar gekomen in Amsterdam. In de Scheldestraat kregen we een huis. Mijn moeder ging aan het eind van de oorlog met de fiets naar de boeren om daar nog aan eten te komen. Dan ruilde ze van alles. Ze is toen gefotografeerd door Emmy Andriessen, later een beroemde fotograaf.’

Social Media


Meer zien van onze programma's en op de hoogte blijven van het laatste nieuws?
Volg ons op social media:

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

+31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892