Erfgoeddrager: Kasper

‘Mijn vader werd opgepakt en opeens was ik de baas in huis’

Ras-Amsterdammer Piet van Heusden woont tegenwoordig niet meer in de stad, maar kwam graag naar de Rosa Boekdrukkerschool om geïnterviewd te worden door Anton, Kasper, Pjotr en Zeger. Hij was elf jaar toen de oorlog begon, bijna net zo oud als de leerlingen nu zijn. Piet had zijn persoonsbewijs uit de oorlog meegenomen. Zoiets hadden de jongens nog nooit gezien!

Bent u wel eens opgepakt?
‘Nee, maar ik ben wel geregeld aangehouden. Ik was namelijk vrij groot en zelfstandig. Je moest altijd je persoonsbewijs bij je hebben. Ze dachten soms dat ik joods was en ik zag er ouder uit. Mijn vader is wel opgepakt. Hij kwam maar niet thuis. Dan vermoed je wel wat er aan de hand was. Op een gegeven moment kregen we een briefje door de bus en toen wisten we pas zeker wat er met hem was gebeurd. Achteraf bleek dat hij op straat is opgepakt en naar Duitsland moest om te werken. Hij werkte in een fabriek voor de oorlogsindustrie. Toen mijn vader weg was, was ik opeens de baas in huis. Dat werd van mij verwacht. Ik moest de boel regelen. Mijn grootvader woonde ook bij ons in huis maar hij was ziek dus hij lag altijd in bed. Na de bevrijding zag ik mijn vader pas weer. Hij was al eerder bevrijd door de Russen. Toch kon hij niet meteen terug naar huis komen omdat Amsterdam nog steeds bezet was.’

Luisterde u wel eens naar radio oranje?
‘Nee wij hadden zelf geen radio, maar we werden wel goed op de hoogte gehouden. Mijn moeder heeft wel illegale krantjes van het Parool weggebracht. Dat was bij ons thuis altijd de krant die we lazen. Later heb ik zelfs nog 20 jaar bij het Parool gewerkt. Ik heb nog geprobeerd om zelf een radio te maken. Dat was wel ingewikkeld maar soms kwam er geluid uit. In zulke tijden word je creatief hoor. Ik had ook zelf een telefoonverbinding gemaakt met de buurjongen. En ik heb bij een oude fiets een standaard gemaakt zodat we licht konden krijgen van de dynamo. Dan was ik midden in de kamer aan het fietsen om nog wat licht te krijgen.’

Hoe was de hongerwinter?
‘In de laatste jaren werd het steeds minder wat er te koop was. We kregen distributiebonnen om eten mee te kopen. Uiteindelijk kreeg je nog maar een half brood in de week. Je vertrouwde bijna je eigen familie niet met eten, bang dat iemand van je zou pikken. Eigenlijk kan ik dit natuurlijk niet zeggen, maar ik heb zelf ook wel eens wat gepikt. Dan stonden we in de rij bij de bakker en als je de kans kreeg, kroop je onder de rij langs om wat te pakken. Er waren ook geen kolen meer voor de verwarming. Ik sloopte de boel thuis om hout te hebben voor in de kachel. Aan het eind van de oorlog hadden we alleen nog een voordeur en een deur voor de wc. De rest van de deuren waren in stukjes in de kachel verdwenen. Ik was verantwoordelijk dat er brandstof kwam, in wat voor vorm dan ook. Dat heb ik wel kunnen doen omdat ik al wat groter en zelfstandiger voor mijn leeftijd was, maar eigenlijk was ik nog heel jong. Ik had ook een klein kacheltje gemaakt. Op school was er ook geen verwarming meer. Niemand ging dus meer naar school. Toen de oorlog was afgelopen moest ik de laatste klas weer opnieuw doen.’

Hoe was de bevrijding?
Ja dat was groots. Het leger kwam aangereden over de Hoofdweg. Die stopte hier en daar en er werd uitgedeeld. De soldaten vonden de meisjes ook wel interessant. Als je een beetje bietste, kon je wel chocola van ze krijgen. Ook hadden ze vierkante blikken met biscuit. Die lege blikken bonden we aan elkaar en daar maakten we een vlot van. De eerste week van de bevrijding was eigenlijk het ergst. Van de Duitsers kregen we natuurlijk niks meer, maar het duurde ook even voordat de bevrijders de hele distributie van eten weer op gang hadden. Er kwamen wel voedseldroppings uit de lucht vallen. Dat was vooral meel, waar de bakkers brood van bakten. Dat eerste brood smaakte zo lekker dat het net cake was.’

 

Erfgoeddrager: Kasper

‘Opeens voelde ik een harde duw in mijn rug en toen was het voorbij’

Yassir, Jens, Kasper en Ties van basisschool De Hasselbraam bellen aan op de vijfde verdieping van Residentie Wilgenhof. Ria Hoens (tien jaar toen de oorlog begon) doet vrolijk de deur van haar gezellige appartement open. Aan de muur hangen foto’s van de familie. Trots laat ze nog wat foto’s en filmpjes van de (achter)kleinkinderen zien. Op tafel staat een mooi, zelf geschikt bloemstuk. Samen maken ze de tafel leeg, zodat er ruimte is voor limonade en koekjes. De kinderen willen als eerste weten over eten in oorlogstijd.

Had u genoeg te eten in de oorlog?
‘Ik had geluk, we hadden in de oorlog altijd genoeg te eten. Mijn vader was meubelmaker en vlak voor de oorlog had hij veel hout ingeslagen. Alsof ie het aan voelde komen. Als dochters van boeren of fabrikanten gingen trouwen, kwamen ze bij mijn vader voor meubels. In ruil daarvoor kreeg hij van de boeren melk en eieren en van de fabrikanten stof om kleren van te maken. Ook had mijn vader, omdat hij machines had, een koffiemolen gemaakt in de oorlog. De boeren kwamen dan bij ons gebrande tarwe malen. Daar werd dan koffie van gezet, surrogaatkoffie. Mensen hielpen elkaar allemaal vroeger. Iedereen zat in hetzelfde schuitje. Mensen die in gevaar waren, werden op zolders of in kelders verborgen en kregen stiekem te eten. Een klasgenootje uit de Rochusstraat vertelde me dat zij thuis boven joden hadden zitten. Dat mocht niemand weten, want dan werden ze opgepakt. Wij hadden mensen die vanuit Tiel moesten evacueren in huis. Een gezin met twee zoontjes sliepen boven op stro met een laken eroverheen, want bedden hadden we niet voor ze. Ze waren zo ontzettend bang. Van angst plasten de jongetjes in bed. Het lekte door het plafond heen in onze huiskamer.’

Heeft u  ook vrienden verloren?
‘Eén klasgenootje is omgekomen bij de bombardementen op 19 september, de dag na de bevrijding. Iedereen was blij dat we bevrijd waren en vierde feest. ’s Avonds verschenen er vliegtuigen van de Duitse Luftwaffe boven de stad. Ze bombardeerden onder andere de Aalsterweg, de Stratumsedijk en de Rechtestraat, de doorgangsroutes van de Engelsen. Sommige mensen vluchtten, anderen verscholen zich in de schuilkelder. Eén verdwaalde bom kwam op een schuilkelder aan de Biesterweg terecht. Het was geen echte schuilkelder, maar een soort loopgraaf die de bewoners zelf hadden gegraven. Het uitgegraven zand was nog niet weggekruid en lag naast de rand. Door de luchtdruk van de bom is het in de ingang van de schuilkelder terechtgekomen. Alle mensen zijn toen gestikt. Ook mijn klasgenootje. Het maakte veel indruk op me.
Wij zaten toen ook in de schuilkelder, die mijn vader halverwege de tuin had gemaakt. We zaten dicht tegen elkaar aan. Het was heel beangstigend. Opeens voelde ik een harde duw in mijn rug en toen was het voorbij. De volgende dag zagen we allemaal blindgangers, niet-ontplofte bommen. Eentje lag bij ons onder de heg. Die hadden we gevoeld toen we in de schuilkelder zaten. Gelukkig was hij niet ontploft, anders waren we allemaal begraven geweest.
Ik was in die tijd veertien en zie nog voor me hoe de Engelsen op bevrijdingsdag vanuit de stad over de Geldropseweg marcheerden. Duitse soldaten schoten bij de Burcht. Ik deed snel de voordeur open. “Kom maar binnen,” riep ik tegen de Engelse soldaten. Maar ze waren bang dat ik hen in de val wilde lokken, dat er Duitsers binnen zaten die mij als kind stuurden om hen binnen te halen.’

Wat gebeurde er na de 19e september met jullie?
‘We kregen van de luchtbescherming de opdracht te evacueren. Samen met mijn vader, mijn zwangere moeder en mijn vijf broertjes en zusjes ben ik naar Waalre gelopen. Daar, in het parochiehuis, stonden veldbedden klaar. Op de Willibrorduslaan kwam mijn vader een kennis tegen. “Komen jullie maar met mij mee,” zei hij. De man maakte één slaapkamer voor ons leeg. Daar mochten wij, op stro, slapen. Omdat mijn moeder in verwachting was, mocht zij bij de vrouw des huizes liggen met ook mijn jongste zusje, in een hekjesbedje. De kennis kwam bij ons liggen. De wc was buiten, daar durfden we niet naar toe. Dus stond er een emmer op de gang. We moesten van angst zoveel plassen dat de emmer al snel overliep.’

                     

Erfgoeddrager: Kasper

‘Het is niet voor te stellen wat mensen elkaar kunnen aandoen’

Aan de ronde tafel in de woonkamer praten Kasper, Jurre, Thomas en Jurriaan met Ab Hopman. Tijdens de oorlog woonde meneer Hopman op het Westerhoutpark. Samen praten ze over de honger en de spanningen van de oorlog, ’Wat mensen elkaar kunnen aandoen is niet voor te stellen.’

Waar zag u de eerste Duitsers in Haarlem?
‘De eerste Duitsers zag ik hier bij smederij Felix op de Wagenweg. Ze hadden de smid nodig voor de verzorging van de paardenhoeven. Ik liep erlangs op weg naar de Dreefschool. In het begin van de oorlog ging het nog wel, maar in de loop van de tijd werd het terreur. Je moest in de oorlog gauw opgroeien.
Wij hadden thuis zeven kinderen, ik had twee broers die moesten onderduiken. Mijn oudste broer zat in het verzet en mijn andere broer moest zich verstoppen voor de ‘Arbeitseinszats’. Ze werden achtervolgt, ik weet nog dat mijn broer als vrouw verkleed de straat opging.
Bij ons in de straat, naast het huis van Harry Mulisch, woonde de familie Pollatz. Zij hebben wel 40 joodse kinderen opgevangen. Pas na de oorlog wist ik dat. Tijdens de oorlog wilde je niet zien en niet horen, je was aan het overleven.’

Hoe kwam u aan eten?
‘Er was honger en samen met mijn broers pakten we een hert uit het hertenkamp in de Hout om op te eten. We zijn gesnapt. Ik werd meegenomen door de Duitse politie. Ik kreeg een pak rammel en als plagerijtje werd het mes me op de keel gezet en werd overgeleverd aan de Nederlandse politie, drie dagen zat ik in de cel. Ze lieten me toch weer gaan gelukkig.
Stiekem gingen we op school naar de gymzaal, ik klom in de touwen en sneed het los. Mijn broers vingen me op. Dat touw konden de boeren in het Noorden goed gebruiken, we ruilden het voor eten.
De Duitsers gooiden een stukje brood op straat en de mensen vochten erom. Die Duitsers lachen, alsof het geen mensen waren. Het was wreed. Iedereen was op zoek naar eten, mensen konden niet meer lopen van honger en slapte. Honger deed zo’n pijn. Het verbaasde niemand meer, maar de doden lagen in de portieken op de Wagenweg. Een mensenleven telde niet meer.’

Hoe heeft u de bevrijding gevierd?
‘Die laatste dagen van de oorlog waren juist het gevaarlijkst. Er was een totale anarchie. Wie is hier de baas? De Binnenlandse Strijdkrachten, de politie of de Sicherheitsdienst? Het was een rotzooi. Pas later kwamen de Canadese tanks de Wagenweg binnenrijden. Feest! en ik klom op een tank. De Canadese officier vroeg, ‘Waar zitten de Duitsers verstopt? Ik wees ze de weg naar het pand op de Zandvoortselaan. Daar moest ik afstappen, de tank draaide en reed zo door de voortuin het pand binnen. De verstopte Duitsers renden eruit. Ik liep alleen terug naar huis.’

 

  

 

 

 

 

Social Media


Meer zien van onze programma's en op de hoogte blijven van het laatste nieuws?
Volg ons op social media:

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

+31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892