Erfgoeddrager: Imran

‘Anne Frank had een trein eerder’

Normaal gesproken spreekt Virry de Vries Robles voor een hele klas. Vanwege de coronacrisis beperken we ons tot drie leerlingen, in een ontsmette ruimte, direct bij de ingang. Ze is dolblij dat ze na maanden weer mag vertellen over haar leven in oorlogstijd, dat ze onder andere in kamp Westerbork doorbracht. Imran, Amy en Amir hebben heel veel vragen en vragen ook goed door.

Hoe oud was u toen de oorlog begon?
‘Ik ben in 1932 geboren en was bijna acht jaar toen de oorlog begon. Het eerste jaar merkte ik daar niet veel van, in het jaar daarna wel. Hitler had een ontzettende hekel aan Joodse mensen – ik weet niet waarom – en zette hen apart, voerde ze af en maakte ze dood. Dat begon onder andere met het verplicht melden bij de burgerlijke stand, waar je een J van Jood in je paspoort kreeg. Ook moesten we een Jodenster dragen. Of ik me daarvoor schaamde? Ik wist niet eens dat ik Joods was, ik vond het dus maar raar dat dat moest. En je viel ermee op, je werd als ‘anders’ gezien. Opeens werd ik uitgescholden voor vieze vuile rotJood. Ik begreep dat niet.’

Wat deed uw vader voor werk?
‘Mijn vader was huisarts met een praktijk aan huis aan de Willem de Zwijgerlaan. Via de Joodse Raad ging hij werken in de Hollandsche Schouwburg, de plek waar ze opgepakte Joden verzamelden om ze vervolgens naar doorgangskamp Westerbork te sturen. Op de eerste etage maakte hij een ziekenboeg. Aan de overkant van de schouwburg zat een crèche. De opgepakte Joodse kinderen werden daar tijdelijk geplaatst, tot hun vertrek. Maar velen zijn door het verzet daar weggehaald. Ze ‘verdwenen’ in de onderduik.
Zelf werden wij twee keer opgepakt in 1943. De eerste keer mochten we toch weer naar huis. Alle spulletjes van waarde bleken bij thuiskomst gestolen door de buren. De tweede keer dat we werden opgehaald van huis, keken de buren op straat gewoon toe. Niemand zei iets, dat was heel naar. We moesten naar de gevangenis op het Leidseplein, waar nu café De Balie is. Als je daar een keer een colaatje drinkt, moet je maar aan dit verhaal denken. Ik zat daar als kind van elf jaar tussen de gekken en was hartstikke bang. Een iemand zat de hele tijd achter z’n eigen duim aan. Na twee weken gingen we naar kamp Westerbork.’

Had u vrienden in het kamp?
‘Bijna niet. Elke week kwamen er nieuwe mensen en gingen er ook mensen weg. Dat is lastig vrienden maken. Ook heb je geen privacy in een kamp. We woonden in barakken en sliepen op stapelbedden met drie bedden boven elkaar. Ik had de bovenste en kon daar gelukkig rechtop zitten. Het was de enige plek voor mezelf. We hadden geen verwarming, weinig water, amper licht. ’s Nachts ging ik naar de wc met een knijpkat. Het was er niet leuk. Er was een centrale keuken waar je elke dag met een soort hondenbak in een rij kon staan voor een kwak eten. Met kampgeld kon je brood en beleg kopen, dat je in een hoekje aan een tafel in de barak kon bereiden.
Elke week gingen er dus mensen weg, naar een volgend kamp. Mensen werden dan in een veewagen gestopt, zonder wc en drie dagen lang konden ze alleen maar staan. Mijn vader ging ook weg, maar ging terug naar Amsterdam waar hij nodig was als arts. Dat was begin 1944. Mijn moeder was toen al zwanger en in juli 1944 kreeg ik een broertje, Eric. Op 13 september 1944 waren wij aan de beurt om per trein te vertrekken richting Bergen-Belsen. Anne Frank had een trein eerder. Ik heb haar kort gekend toen we batterijen uit elkaar haalden, een heel vies giftig werkje dat je in Westerbork moest doen. SS-kampcommandant Gemmeker wilde liever een compleet gezin afvoeren en zo mochten wij een half uur voor vertrek uit de trein om op mijn vader, die nog in Amsterdam zat, te wachten. Vier dagen later brak de spoorwegstaking uit en daarna is er nooit meer een trein vertrokken. En daarom kan ik jullie dit nu vertellen. Achterlijk, hè. Dat verzin je niet, hè!’

Hoe was de Bevrijding voor u?
‘Op 11 april 1945 waren opeens alle Duitse kampbewakers verdwenen. ’s Nachts hebben ze nog alle dieren in stukken gehakt en in de vuilnisbak gegooid. Woest was ik daarover, klootzakken vond ik het. Toen ze weg waren wisten we niet wat er nu met ons zou gebeuren. Na een dag wachten, zagen we plotseling in de verte een stofwolk. We renden ernaartoe. Het waren tanks met Canadese soldaten! We werden erop gehesen, reden met ze mee, zo het kamp binnen. Twee weken bleven ze bij ons. Eén soldaat kwam bij ons koffie drinken en door mijn moeder zelfgemaakte appeltaart eten. Zo sprak ik al snel mijn eerste woordjes Engels ook. Ik kreeg ook een Canadees vriendje. Ik was een leuk meisje, hoor. Half juni 1945 gingen we naar Amsterdam en zagen we mijn vader weer. De gemiste schooljaren werden niet opgevangen. Ik moest meteen naar het gymnasium. Dat was niet makkelijk, kan ik je vertellen.’

Amir vindt het een heftig verhaal. Om het gesprek ietwat vrolijk af te sluiten, vraagt hij of mevrouw De Vries Robles nog een mop weet. Dat weet ze niet, maar wel heeft ze nog een verboden, grappig liedje uit de oorlog dat ze voor de kinderen zingt.

Op de hoek van de straat staat een NSB’er,
‘t Is geen mens, ‘t is geen dier, ‘t is een farizeeer.
Met de krant in de hand, staat hij daar te venten.
En verkoopt zijn Vaderland, voor slechts enk’le centen.

Op de hoek van de straat, staat een orgeldraaier.
‘t Is geen mens, ‘t is geen dier, ‘t is een landverraaier.
Schiet hem dood, net als Koot. Doe hem in een kissie.
Doe er dan wat water bij, dan zwemt ie als een vissie.

         

Erfgoeddrager: Imran

‘Dertig jonge jongens werden zo neergezet en ter plekke doodgeschoten’

De 88-jarige Jennie de Jong looft Emirhan, Raouan, Malin en Imran van De Boomgaard voor wat ze doen: “Jullie leven zo mee met mijn verhaal, ik vind het zo knap dat jullie zo aandachtig luisteren en dat jullie beloven om mijn verhaal verder te vertellen.”

Heeft u vriendinnetjes verloren tijdens de oorlog?

‘In het derde oorlogsjaar mochten we geen Nederlandse liedjes meer zingen, zoals het Wilhelmus. Wij hadden een hele leuke juffrouw en op een dag zei ze: “Jongens, zullen we nou even stout gaan doen? We gooien de ramen open en we gaan de liedjes zingen die we niet mogen zingen, lekker hard.” Maar opeens werden de deuren met een klap opengegooid. Er stonden drie Duitse soldaten met een machinegeweer. “Meekomen juffrouw” en “Das ist ein Jude Kind, mitkommen”, riepen ze. Toen moest Truusje ook mee. Als ik eraan denk kan ik nog huilen. De directrice van de school ving ons op en zei: “Wees nou maar niet bang, de juf komt vast morgen terug en Truusje ook”. En inderdaad, de juffrouw kwam de volgende dag terug, maar Truusje is nooit teruggekomen. Haar vader, moeder en broers ook niet. Dat is zo verschrikkelijk en dan krijg je een vreselijke haat tegen de Duitsers. Langzamerhand ebt dat een beetje weg. Wij wisten natuurlijk niet dat Truusje weg zou blijven.’

Wat is een nare herinnering?
‘We hadden een ongelooflijk leuke tante, tante Marie, zij woonde bij ons in. Zij werkte in een kiosk op de Weteringsschans. Op een dag zat mijn tante verschrikkelijk hard te huilen bij mijn moeder.  Die ochtend om 9 uur, de tram reed al niet meer, gingen allerlei mensen naar hun kantoor op de Weteringsschans. Tante Marie zat in de kiosk toen er drie grote overvalwagens kwamen aanrijden. Uit de eerste wagen sprongen Duitse soldaten met hun geweren. Iedereen die daar stond of liep, moest stoppen, tante Marie werd uit het huisje gehaald. Als je niet meewerkte kreeg je een klap. Toen kwam er een tweede vrachtwagen, 30 jonge jongens werden zo neergezet en ter plekke doodgeschoten. De Duitse soldaten schreeuwden: “Allemaal stil zijn. Gucken Sie mal!” De dode jongens werden in de vrachtwagen teruggegooid en iedereen mocht weer doorlopen. Bij het Weteringplantsoen staat nu een monument, als ik daar langskom leg ik altijd even mijn hand erop. Door het verhaal van mijn tante vergeet je het nooit meer.’

Welke gebeurtenis is u het sterkst bijgebleven?
‘Op de tweede dag van de oorlog zei mijn moeder tegen mij: “Jennie, jij moet aardappels en bloemkolen gaan halen.” Ik loop naar huis, via het pleintje en plotseling gaat het luchtalarm af. Een stel mannen die bij de schuilkelder staan riepen dat ik snel moest komen, maar ik schreeuwde: “Ik wil naar mijn moeder”, dus ik holde naar huis. Al het eten viel op straat, de vliegtuigen vlogen over. Toen ik thuis kwam gaf mijn moeder mij wat lekkers, ik was zo van streek. Op de eerste dag van de bevrijding heb ik ook hard moeten hollen. We hoorden dat de Canadese soldaten zouden komen op de Dam, dus mijn vriendinnetje en ik gingen erheen. Overal hingen vlaggen, er was vrede. Het was heel erg druk op de Dam. Aan de overkant was een hotel en in dat hotel zaten nog een paar Duitse soldaten, dat wist niemand. Wij stonden te wachten op de Canadezen. Ik keek naar dat hotel en ik zag daar opeens drie Duitse soldaten met een machinegeweer die begonnen te schieten. Voor ons stond een moeder met een kinderwagen die omviel, het baby’tje was dood, dat zag je meteen. Daar moet ik altijd aan denken, dat ik de eerste dag van de oorlog heel hard moest hollen met mijn mandje en dat ik de eerste dag van de vrede heel hard heb moeten hollen, uit angst dat je doodgeschoten werd.’

          

Erfgoeddrager: Imran

‘Jullie kinderen zijn strijders van de vrede’

De 89-jarige Frits Neijts woonde tijdens de oorlog in Amsterdam Noord tegenover de Fokkerfabriek. De eerste tijd woonde hij in de Bestevaerstraat. Hij staat Elham en Imran van de Meidoorn al op te wachten in de hal van de Klinker, waar hij samen met zijn vrouw Ans woont. Elham en Imran zullen tijd te kort hebben voor al hun vragen. Gelukkig zijn we volgend jaar weer welkom, want zegt Frits Neijts na afloop: “Ik ben van plan 100 jaar te worden”.

Is er iemand uit uw familie ondergedoken?
Ik niet, maar mijn vader wel. Mijn moeder zat in de politiek voor de oorlog en zij hoorde van de Kristalnacht in Berlijn. Dat er joodse winkels werden vernield en dat Joden werden gearresteerd. Daar begon het mee en daarom zei ze tegen mijn vader dat hij moest onderduiken. Hij heeft de hele oorlog boven een drogisterij ondergedoken gezeten. Hij was mede directeur van bioscoop Tuschinski. Hij heeft de oorlog overleeft, zijn zussen niet want zij wilden niet onderduiken. Zij dachten dat ze gewoon moesten werken in Duitsland.

Wat is het engste dat u heeft meegemaakt in de oorlog?
Ik werkte in een medicijnenfabriek in de Jordaan in 1944,  ik was leerling, ik werkte in het magazijn. Twee huizen verder van ons woonden een familie en die hadden een zoon van mijn leeftijd, dat was mijn vriend; Pietje. Dat was een verzetsfamilie en zij vroegen toen aan mij om vitamine te smokkelen uit de fabriek. Ik had sportkousen met een elastiek eromheen aan en daar deed ik die kokers vitamine in. Maar als het personeel de fabriek verliet, moesten ze een stuiter trekken die in een kauwgomballenautomaat zaten. Trok je een rode dan werd je gefouilleerd, trok je een groene dan mocht je door. Op een keer moest ik mee naar het kantoor. Daar zat een oude Duitse soldaat. Ik begon te huilen en die man vroeg: “Waarom heb je gestolen?” Ik zei: “Wij hebben honger thuis.” Toen keek hij me aan en zei: “Ach, du bist noch ein kind”. En toen mocht ik naar huis.

Wat gebeurde er daarna?
Ongeveer een half jaar later werd onze wijk omsingeld door Duitse soldaten. Die verzetsfamilie was verraden en zij werden gearresteerd en afgevoerd. Toen werd mijn moeder bang en gingen wij verhuizen. Een week erna kwamen Engelse vliegtuigen die de Fokkerfabriek wilden bombarderen en toen viel er een bom op het huis waar wij hadden gewoond. Als we niet verhuisd waren had ik hier nu niet gezeten. Ik heb in die tijd ook nog met mijn vriendje enveloppen naar adressen gebracht en daar zat een krant in; de illegale Waarheid. Via de radio hoorden ze berichten die ze vervolgens in die krant schreven. Na de oorlog was het feest. We kregen kauwgom, sigaretten en chocola. Dat was fantastisch, we rookten niet dus de sigaretten gaven we weg.

Fotografie: Saskia Gubbels

Frits Neijts geeft de jongens een mooie boodschap mee: “Voor jullie is het heel belangrijk dat het niet weer gaat gebeuren. Als je het niet eens bent, moet je het oplossen met praten. Geen geweld gebruiken. Er gebeurt heel veel narigheid in de wereld en je moet goed met elkaar samenleven waar je ook vandaan komt. Jullie zijn strijders van de vrede!”

 

 

Erfgoeddrager: Imran

‘Het geschreeuw hoorde je tot het einde van de staat, het was verschrikkelijk en ik zal dat nooit vergeten’

Henny van Herpen stond al voor het raam op de uitkijk toen Yasmin, Diego, Imran en Yurensley van basisschool De Springstok bijna haar huis voorbij liepen. Het interview, in haar tuin, vonden ze allemaal best spannend. Achteraf vertelde zij de kinderen dat ze het heel bijzonder vond dat ze hen, uit alle windstreken, over haar tijd als kind in de oorlog kon vertellen. 

Had uw familie genoeg te eten tijdens de oorlog?
In de laatste winter van de oorlog was er gebrek aan alles in de stad. Er was geen eten, geen elektriciteit, geen gas. Mijn vader werkte op de centrale groentemarkt in West. Hij kon af en toe wat rotte appels mee naar huis nemen of pikte groente als de spoorwagens voor de Duitsers geladen werden. Hij kon dat als ruilmiddel gebruiken voor andere dingen waar we gebrek aan hadden.

Aan het einde van de oorlog werd ik 14 jaar. Mijn vader wist dat ik een mooi horloge had gezien in de etalage bij een juwelier op de Overtoom. Hij heeft toen aan de juwelier gevraagd of hij in ruil voor een tas met groente het horloge kon krijgen. En zo kwam het dat ik als grote verrassing een horloge voor mijn verjaardag kreeg! Jammergenoeg raakte ik het kort na de oorlog kwijt toen ik samen met een vriendin in de Van Woustraat achter op een schillenkar ging hangen om stiekem een stuk mee te kunnen rijden.

Is iemand van uw familie opgepakt tijdens de oorlog?
Mijn vader en broer moesten zorgen dat ze uit handen bleven van de Duitsers, die wilden dat alle mannen naar Duitsland gingen om te werken. Daarom verstopten ze zich soms onder het luik in het trappenhuis, Gelukkig zijn ze tijdens de huiszoekingen nooit gevonden. Wel is mijn broer een keer opgepakt. Mijn moeder had gehoord dat de boter bij de kaasboer in de Van Woustraat in de aanbieding was. Ze stuurde mijn broer met alle boterbonnen die ze had ernaartoe. Hij werd aangehouden door de Duitsers en zij vonden de bonnen. Ze dachten dat hij een zwart handelaar was en de bonnen wilde verkopen.Hij is toen meegenomen naar het politiebureau aan de Ferdinand Bolstraat. Onze buurman was rechercheur van de politie en zag bij toeval mijn broer op het bureau. Hij vertelde het aan mijn moeder, die natuurlijk heel ongerust was. Ze is er met een boterham voor hem heen gegaan maar moest die achterlaten omdat ze niet bij hem mocht. Gelukkig werd hij dezelfde avond vrijgelaten.

Wat vond u het ergste aan de oorlog?
Het allerergste vond ik de Jodenvervolging. In onze buurt woonden heel veel Joodse gezinnen. Zij werden zomaar meegenomen en kwamen nooit meer terug. Ze konden alleen een klein koffertje met spullen meenemen. Dan kwam er een grote vrachwagen en werd het hele huis leeggehaald. Pulsen noemden ze dat, omdat het bedrijf die dat deed Puls heette.
Tegenover ons woonde een verstandelijk gehandicapt meisje. Ze heette Elly en zij spuugde veel en als ze boos was schreeuwde ze heel hard. Toen zij in de  open wagen meegenomen werd, is ze enorm tekeer gegaan. Haar geschreeuw hoorde je tot het einde van de staat, het was verschrikkelijk en ik zal dat nooit vergeten.

Social Media


Meer zien van onze programma's en op de hoogte blijven van het laatste nieuws?
Volg ons op social media:

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

+31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892