Erfgoeddrager: Hidde

‘Zelfs de Duitsers waren blij dat de geallieerden er bijna waren’

De dochter van Riet Bakker doet open voor Hidde, Ike en Jikke van de Matthieu Bergmanschool in Bergen. Binnen zit de 91-jarige, goed voorbereid met een blocnote vol aantekeningen. De kinderen mogen vragen stellen.

Wat merkte u van de oorlog?
‘Wij woonden tegenover de Pilaren en daar zaten allemaal Duitse officieren en soldaten. Vaak hoorden we schoten. Duitse soldaten die de oorlog zat waren, schoten zichzelf dood, op het toilet. Na de oorlog ging ik kijken en zag ik allemaal kogelgaten in de muren.
Ik herinner me een vliegtuig dat we neer zagen storten. We zagen de vliegenier met een parachute naar beneden komen. We waren zo nieuwsgierig hoe die eruit zag dat we niet naar school gingen,  maar naar de plek fietsten waar hij terecht was gekomen. Hij hing ondersteboven in een boom en kon er zelf niet uitkomen. Dat was natuurlijk heel interessant.
Ook hadden we een onderduiker in huis en ik was koerierster voor onderduikers in de omgeving. IK bracht ze nieuwtjes. Zadelnieuws noemden we dat.’

Moesten jullie ook weg uit Bergen?
‘Mijn ouders hadden de speelgoedwinkel Intertoys in Bergen en de Buskerfietswinkel. In 1942 moest iedereen uit Bergen evacueren, ook wij. We hebben een maand in Alkmaar gezeten en daarna zijn we stiekem naar huis teruggegaan. We maakten de ramen wit en verscholen ons. De Duitsers lieten dat toe. Ik denk omdat de fietswinkel waardevol voor ze was; alle Duitsers wilden wel een fiets. In die winkel hadden we een kaart met daarop met een vlaggetje aangeven hoe de geallieerden vorderden. Zelfs de Duitsers kwamen daarop kijken en waren blij dat de geallieerden er bijna waren. Ze hadden ook genoeg van die oorlog en wilden graag naar huis toe.’

Wat is het verhaal over uw broer?
‘Ik had één broer; hij zat bij het ondergronds verzet voor de jeugd. Hij saboteerde dingen van de Duitsers, zoals het onklaar maken van accu’s. Ook ging mijn broer een keer met twee jongens van de familie Vrasdonk de duinen in om mijnen te demonteren. Dat hadden ze op school geleerd. Dat ging verkeerd. Een mijn ontplofte waar zij bij waren. De twee jongens van Vrasdonk overleefden het niet , mijn broer zat alleen onder de splinters. Dat was verschrikkelijk.’
           

Erfgoeddrager: Hidde

‘Een Chinees gezin naast ons zorgde voor ons’

Rosalie, Moël, Milijan en Hidde van het Vox College in Amsterdam Noord lopen vanaf school naar het huis van Boen van der Waa. Ze woont op een etage met wanden vol foto’s. Aan tafel in de keuken vertelt ze veel over haar jeugd en laat ze foto’s zien. Familieportretjes en prachtige foto’s van het oude Indonesië. Trauma’s heeft ze niet, ondanks de heftige dingen die ze heeft gezien. Mevrouw Van der Waa is nog heel actief en danst iedere week.

Hoe was uw jeugd in Batavia?
‘Ik ben opgeroeid in een huis aan de rivier en was 4 jaar toen de oorlog uitbrak. Tijdens de Japanse bezetting werd mijn vader opgepakt en in een kamp gezet. Mijn moeder was van Zwitserse afkomst waardoor wij gelukkig niet naar een kamp hoefden te gaan. Mijn vader heeft het overleefd, maar heeft het waarschijnlijk heel zwaar gehad. Hij heeft daar niks over verteld, maar ik weet dat hij hele dagen heeft moeten werken en weinig of niks te eten heeft gehad. Ook wij hadden niet veel te eten en we hebben het in die tijd ook niet makkelijk gehad. Mijn moeder werd vreselijk ziek en moest naar een ziekenhuis. Dus wij waren alleen. Ik werd, samen met mijn broertje, verzorgd door mijn 14-jarige zus.’

Wat weet u nog van de oorlog?
‘Ik was natuurlijk veel te klein om iets van de Japanse bezetting te snappen. Wel vond ik het soms heel spannend. Ik heb een keer eten gestolen van een tuin bij ons verderop. Dat deed ik met mijn buurjongens. Achteraf was dat heel gevaarlijk want de Japanners hebben ook wel kinderen doodgeschoten. Ook heb ik een keer een kar gezien met lichamen waarvan de keel was door gesneden. Toch heb ik geen trauma’s. We woonden naast een Chinees gezin. Zij zorgden een beetje voor ons, want veel eten was er niet. Ze hadden een gat gemaakt in de muur zodat ze ons eten konden geven. Ik leek een beetje op een Chinees en dat vonden zij wel leuk volgens mij.’

Waarom bent u naar Nederland gekomen?
‘Mijn vader kreeg de kans om Indonesisch te worden, maar dat wilde hij niet. Toen moesten we in korte tijd naar Nederland. We reisden met de boot, de reis duurde ongeveer een maand. We kwamen aan in Vught en zaten daar in een pension. Daar werd niet heel goed voor ons gezorgd. Het eten was verschrikkelijk. We hebben gewoon honger geleden. Mijn zus zat in de groei en kreeg niet genoeg. Mensen vroegen mij soms waar ik Nederlands had geleerd. Ze hadden echt geen idee hoe ons leven in Indonesië was geweest… Na Vught verhuisden we naar Amsterdam en daar werd het beter.’

 

Erfgoeddrager: Hidde

‘Ik dacht alleen maar: ik moet doorspelen’

In een flat tegenover hun school, de Bos en Vaart School in Haarlem, luisteren Quint, Hidde en Ismael naar het oorlogsverhaal van André Kaart, een beroemd dirigent in Haarlem. Hij vertelt ze over het bombardement op de Amsterdamse buurt, het oppakken van zijn joodse bovenburen en de beruchte Sinterklaasrazzia waar hij ternauwernood aan ontkwam.

Waar was u toen de oorlog begon?
‘Ik woonde toen op de Kampersingel. Ik was dertien en zat nog op de basisschool. Op een dag liep ik naar school en kwam ik een onderwijzer tegen. Die zei tegen mij: blijf vandaag maar thuis. Toen was de oorlog begonnen. Zo’n twintig meter van ons huis kwam de Ortskommandant te wonen, een soort burgemeester van de Duitsers. Ondertussen zaten er Engelse piloten ondergedoken bij onze buren. Weer een huis verder was een wasfabriek. De eigenaar van die fabriek die heulde een beetje met de Duitsers.
Boven ons woonde mijnheer Oudhuis. Die had een Joods echtpaar in huis, de familie Roos. Meneer Roos gaf Franse conversatieles – ik ben nog weleens bij hem geweest om Frans te oefenen.  Op een dag zijn ze verraden en kwam de SD ze halen. Ze probeerden te vluchten maar de Duitsers klommen bij ons in de tuin. Toen is de hele familie meegenomen – ik zie die vrachtwagen nog steeds voor me. We hebben pas later, na de oorlog, gehoord dat joden naar vernietigingskampen gingen. In de oorlog zeiden ze tegen ons dat deze mensen werden afgevoerd naar werkkampen.’

U speelde orgel vertelde u, hadden de Duitsers daar last van?
‘Nee ze hadden daar geen last van. De meeste Duitsers waren juist heel muzikaal. Die hielden erg van klassieke muziek.
In de meimaand mocht ik spelen tijdens ‘het lof’, dat is een katholieke gebedsdienst, in de Spaarnekerk. Op een dag vlogen er Engelse vliegtuigen over. Ze waren van plan om de treinremise te bombarderen maar ze vergisten zich. De bommen vielen op de Amsterdamse buurt. Iedereen vluchtte de kerk uit maar ik bleef spelen. Ik weet niet waarom ik dat deed. Ik dacht alleen maar: ik moet doorspelen.’

Was u bang in de oorlog?
‘In het laatste jaar van de oorlog was ik achttien. Dat is een gevaarlijke leeftijd omdat je dan opgepakt kan worden voor de ‘Arbeidseinsatz’. Omdat ik dat niet wilde, heb ik me ‘s nachts verstopt. Eerst sliep ik boven de schuifdeuren. We hadden daar een luikje gemaakt en dan kroop ik naar binnen. Als ik erin zat werd daar een schilderijtje voor gehangen. Maar op een gegeven moment vonden we dat ook te gevaarlijk worden. En toen heb ik een poos geslapen in een grote centrifuge in de wasfabriek van de buurman, die eigenlijk een beetje voor de Duitsers was. Hij had blijkbaar toch met mij te doen.
Op Sinterklaasavond wilde ik voor een keer niet in de wasfabriek slapen; ik wilde gewoon Sinterklaas vieren. Maar mijn moeder zei: je gaat toch. Dat was heel wijs van haar. Want diezelfde nacht vond de beruchte Sinterklaasrazzia plaats. Die Duitsers waren heel leip. Ze wisten dat veel families het feest vierden en veel mannen daarbij zouden zijn. Ze hebben die nacht 1200 mannen opgepakt.’

Erfgoeddrager: Hidde

‘Alles was angst, zo lelijk zat die oorlog in elkaar’

Ineens zat er een kogelgat in de auto van de bovenbuurman. Pas toen hij dat kogelgat zag, begreep de 6-jarige Harry Sablerolle dat het echt oorlog was. Aan Hidde, Fabio, Lovelene en Jenairo van de Twiskeschool vertelt meneer Sablerolle over zijn oorlogsherinneringen aan Noord. De kinderen luisteren aandachtig.

Had u te maken met onderduikers?
‘Ja, er waren meerdere onderduikers in mijn familie. Aan het einde van de oorlog hadden we zelf een onderduiker in huis. Het was een collega van mijn vader, ze werkten samen bij de kustverdediging. Hij leefde gewoon mee met ons, zat met ons aan tafel en had een eigen slaapkamer. Tijdens de Hongerwinter lokte hij katten en honden op straat, die hij doodmaakte om op te eten. Wij aten dit vlees omdat er verder bijna geen eten was. Ook is mijn moeder, samen met mijn broer en de onderduiker, drie keer op Hongertocht geweest. Dan liepen ze met een kar richting Lutjebroek en zochten ze onderweg naar eten. Ze wisten nooit of het eten op de terugweg misschien wel zou worden afgepakt door de Duitsers: dan was die hele tocht voor niets geweest. Ook mijn opa en oma in Amsterdam-West hadden onderduikers in huis, twee Joodse mensen die aanvankelijk bij mijn oom woonden. Tot hij werd verraden. Voor hij werd opgepakt kon hij nog net tegen die twee mensen zeggen dat ze naar zijn ouders moesten gaan. Dat hebben ze gedaan. Mijn oom is naar kamp Vught gebracht en daar vreselijk gemarteld, hij kon natuurlijk niet zijn ouders en de Joodse onderduikers verraden. Zo verschrikkelijk zit oorlog in elkaar.’

Was u bang om over straat te gaan?
‘Nee, ik was niet bang omdat ik jong was. Je moest wel goed oppassen met wat je deed. Ik zong bijvoorbeeld wel eens een liedje waarin NSB’ers werden beledigd, maar dat mocht ik niet zomaar op straat zingen. Aan het eind van de oorlog was alles schaars: er was behoefte aan veel dingen maar je kon niks kopen. Eén van die dingen was hout. Dat hadden we nodig voor in de kachel en op het fornuis. Bij ons om de hoek lag hout opgestapeld, dat in de stad tussen de rails van de tram lag. Mensen hadden dat daar tussenuit gestolen. Je kon niet zomaar bij die stapel hout komen, je moest onder het prikkeldraad door om erbij te komen. Ik ging proberen om wat houtjes mee te pakken en mijn broer stond op de uitkijk. Op een gegeven moment kwam er een bewaker aan, met een grote herdershond… Door me te verstoppen achter een stapel treinwielen werd ik uiteindelijk niet gepakt en kon ik ontsnappen, met mijn zakken vol houtjes.’

Heeft u iets ergs meegemaakt in de oorlog?
‘Het ergste dat ik me kan herinneren is het bombardement van juli 1943, in Amsterdam-Noord. Wij zaten die dag met veel kinderen van school in de Ritakerk in Noord. Op de kerk viel een bom. Ik weet nog hoe het klonk: een heftig piepen en suizen. Met mij is het goed afgelopen, maar sommige kinderen van mijn klas hielden er erge littekens aan over, over hun hele lichaam. Weer een ander had voor de rest van zijn leven een stijf been. Ik was tot die dag nooit bang geweest, maar na het bombardement schrok ik telkens van alarmen of het geluid van vliegtuigen in de lucht. Dat heb ik nog steeds.’

Social Media


Meer zien van onze programma's en op de hoogte blijven van het laatste nieuws?
Volg ons op social media:

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

+31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892