Erfgoeddrager: Hajar

‘Gewone Duitse jongens’

Wij hebben meneer Kees Schakel ontmoet bij het oorlogsmonument van het Muiderpoortstation. Van daaruit werden in de Tweede Wereldoorlog ruim 11.000 Joden naar kamp Westerbork vervoerd. Meneer Schakel is lid van het 4 en 5 mei comité van Amsterdam-Oost. Hij vertelde ons over de oorlogservaringen van zijn familie in het dorpje Giessen-Oudekerk.

Wat heeft uw familie in de oorlog meegemaakt?
“Mijn zus stond eens als baby in een box in de huiskamer toen er een kogel door de ruit vloog, waarbij de scherven in de box vielen. Mijn ouders waren dankbaar dat er niet nog iets veel ergers gebeurd was. Ze hadden ook een onderduiker, Jacob Huisman. Hij werd gezocht omdat hij bonkaarten had buitgemaakt. Die waren erg kostbaar, je kon er voedsel mee kopen. Een keer zaten ze te eten in de keuken, toen er onverwachts iemand langskwam. De onderduiker schoot zo onder het grote tafelkleed. Mijn ouders hielden het bezoek aan de praat tot het weer opstapte. De onderduiker is nooit ontdekt.

Later moesten mijn ouders Duitse soldaten opnemen in huis, dat noem je inkwartieren. De frontlinie verschoof steeds meer naar de grote rivieren en mijn ouders woonden daar vlakbij. Soldaten werden daar gestationeerd om eventueel aan het front te kunnen vechten. Er waren slaapplaatsen nodig voor die jonge soldaten. Mijn vader heeft weleens verteld dat het eigenlijk gewone Duitse jongens waren, die helemaal geen zin hadden in oorlog, maar ze moesten van Hitler. Je kon eigenlijk best met ze opschieten en met ze praten.”

Had uw familie genoeg te eten om te overleven?
“Mijn ouders hadden melk van de koeien en eieren van de kippen, maar ze hadden eigenlijk behoefte aan meer, ze hadden ook die onderduiker. Voor de baby, mijn zusje, was op een gegeven moment een ledikantje nodig, daar was moeilijk aan te komen. Toen hebben mijn ouders melk en andere dingen geruild met iemand die een ledikantje over had. Dat gele ledikantje is nog steeds in de familie, de kleinkinderen van mijn ouders hebben er ook weer in geslapen. Er werd op die manier veel geruild in de oorlog.”

Hoe komt het dat u zo betrokken bent bij dit onderwerp
“Toen ik een jaar of 24, 25 was, ben ik drie jaar leraar geweest op een Amsterdamse MAVO. Ik gaf les over godsdiensten. De leerlingen vroegen aan mij of ik kon vertellen over Anne Frank. Omdat ik eigenlijk bijna niks wist over Anne Frank, ben ik me erin gaan verdiepen. Toen ik er op de MAVO over vertelde, waren de kinderen muisstil. Ik weet nog dat ik vertelde dat de douchekamer de gaskamer was en dat toen sommige leerlingen, van 13 of 14 jaar in huilen uitbarstten.

Ik kreeg steeds meer interesse in het lot van de Joden. Ik leerde steeds meer Joodse mensen kennen en zo ben ik in het 4 mei comité van Oost gekomen. Toen ik in 1999 las dat er op het station Gare de Lyon in Parijs een herdenkingsplaquette was aangebracht, ben ik naar Joke Koningh, de burgemeester van Oost, gegaan. Zodoende is het monument hier bij het Muiderpoortstation op 3 oktober 2002 onthuld, precies 60 jaar nadat de deportaties waren begonnen op 3 oktober 1942.”

foto’s: Marieke Baljé

Erfgoeddrager: Hajar

‘Onze buurman is een Jodenjager’

Wij zijn Hajar en Aya, 11 en 12 jaar. Wij interviewden mijnheer Oosterhuis. Hij was in de oorlog even oud als wij nu zijn. Hij woonde samen met zijn vader, moeder en zijn broertje. Zijn moeder was Joods. Mijnheer Oosterhuis had bijna geen vrienden toen hij jong was. Dat vond ik wel zielig. De oorlog is een heel nare tijd voor hem geweest. Toch zei hij in ons gesprek: ‘Het leven is onder alle omstandigheden zeer groots.’

Wat veranderde er voor uw gezin in de oorlog?
“Vanaf 1941 veranderde er heel veel. Mijn moeder was een Joodse vrouw en moest een ster dragen. Ze mocht bijvoorbeeld niet meer in de tram, in parken, op de markt, in openbare gebouwen en café’s komen. Wij mochten dat wel.

Onze buurman op nummer 103 werd een fanatieke Jodenjager. Abraham Puls heette hij. We waren bang voor hem. Hij verraadde Joodse mensen en leverde ze voor 10 gulden per Jood uit aan de Duitsers. En Puls werd ook een berucht verhuizer. Hij haalde alle spullen weg uit de huizen van gedeporteerde Joodse mensen. Die spullen kwamen na de oorlog nooit meer terug. Er kwam tijdens de oorlog een werkwoord voor het leeghalen van de joodse huizen: ‘pulsen’ noemden de mensen dat.”

Verraadde uw buurman uw moeder?
“Puls verraadde onze buren, de familie Cohen, op nummer 108. Het hele gezin is vermoord, behalve hun zoon Bob, die wist te ontkomen. Puls heeft mijn moeder twee keer verraden, waardoor ze terecht kwam in de Duitse gevangenis in de Euterpestraat, (nu Gerrit van der Veenstraat). Gelukkig wist mijn vader haar daar weg te krijgen. En Puls heeft mijn tante verraden. Op de dag van mijn verjaardag is ze in het concentratiekamp vergast.”

Kwam Abraham Puls na de oorlog in de gevangenis?
“Ja. Mijn moeder was bij de rechtszaak tegen Puls aanwezig. 20 jaar kreeg hij. Zijn vrouw bleef al die tijd op nummer 103 wonen. Na 20 jaar kwam Puls weer vrij. En waren we weer buren. Bob Cohen, de zoon van nummer 108, is nog eens naar mij toegekomen. Hij wilde samen met mij iets doen tegen Puls. Maar ik wilde dat niet. Wat heb je eraan? Daar heb je jezelf maar mee.” 

Verhuiswagen van de firma A. Puls, die in Amsterdam de woningen van weggehaalde families leeghaalde
Firma A. Puls
Tijdens het interview

 

Social Media


Meer zien van onze programma's en op de hoogte blijven van het laatste nieuws?
Volg ons op social media:

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

+31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892