Erfgoeddrager: Gijs

‘Dan riepen de mensen: “Onze Lieve Vrouw, geef ‘m nog een douke!”’

Gijs, Teun en Pepijn van basisschool De Hasselbraam in Eindhoven ontmoeten Carel Prinsen in de bibliotheek van De Wilgenhof. Bij aankomst geeft hij de jongens een boks en begint direct van alles te vragen en vertellen. Carel was 5 jaar toen de oorlog begon en woonde aan de Kettingstraat. Hij heeft heldere herinneringen aan de oorlogsjaren en vertelt alsof het een avontuur was.

Hadden jullie genoeg te eten in de oorlog?
‘Er was weinig eten. We waren veel tijd kwijt met het regelen daarvan. Mijn vader kende veel boeren uit zijn geboorteplaats Mierlo. Elke zondag stond hij om vijf uur op om daar naartoe te fietsen. Dan ging hij daar naar de mis, at een boterham bij familie en ging langs de boeren om rogge te verzamelen. Hij kon die zakken niet zelf meenemen naar Eindhoven, want Duitsers konden hem betrappen. Ik moest daarom met vriendjes en een bolderkar via de Voorterweg en de plek waar nu de Campinafabriek staat, langs het kanaal naar Mierlo om de zakken rogge op te halen. Daar waren we een hele dag mee bezig. We kwamen dan ’s avonds laat moe, maar net op tijd, thuis voor het eten. Het was wel eng, maar we zijn nooit gecontroleerd. Mijn twee oudere broers namen de zakken daarna op hun rug naar de Genneper watermolen in Gestel. Het was lang wachten tot het gemalen was. Thuis moesten mijn oudste broer en mijn vader het meel met wat water uren kneden tot deeg en dat in broodblikken gieten. Mijn taak was vervolgens die blikken naar Bakker Maessen aan de Geldropseweg te brengen. Die hielp ons altijd geweldig en hij had mooie dochters. Ik moest daar lang wachten tot de broden gerezen, gebakken en afgekoeld waren. En zo hadden we na vele kilometers fietsen en wandelen, vele uren wachten en werken weer brood op de plank.’

Kende u onderduikers of verzetsmensen?
‘Op de hoek van onze straat, bij de Sint Rochusstraat, woonde een vriendje van me. Voor de oorlog gingen we daar vaak spelen, maar toen de oorlog uitbrak, mochten we niet meer naar binnen. Hij kwam dan bij ons of we speelden buiten, maar we vonden het wel raar. Toen op 18 september de Bevrijding was, ging het zolderraam van het huis van mijn vriendje open en werd de vlag uitgestoken. Door het raam zagen we gezichten van mensen die we niet kenden en nooit eerder hadden gezien. Het waren Joodse onderduikers, die daar de hele oorlog verstopt hadden gezeten!
Mijn vader hielp het verzet. Wanneer verzetsleden een overval hadden gepleegd op bijvoorbeeld het distributiekantoor aan de Stratumsedijk moesten ze vluchten. Ons huis diende als een van de vluchtoorden. Het verzet had een sleutel van onze voordeur. Zo kon het zijn dat er ’s ochtends een vreemde op de bank lag te slapen. Of dat er ’s nachts opeens vreemde mannen door het huis renden.’

Hoe was de Bevrijding?
‘De bevrijding was een groot feest! Engelse tanks kwamen over de Aalsterweg binnengereden. Iedereen ging er naartoe en we kregen chocola en sigaretten van de soldaten. Eindhoven vierde twee dagen feest. Maar aan het eind van de tweede dag, op 19 september 1944, zagen we ineens allemaal lichtkogels in de lucht. Wij dachten nog dat het feestversiering was, maar iemand riep: “Maak dat je weg komt, het zijn Duitse vliegtuigen!” Wij renden naar huis. Een jongetje in mijn straat bleef te lang kijken. Samen met een Engelse soldaat verstopte hij zich achter het muurtje van de pastorie van de Joriskerk. De bommen vielen juist daar vlakbij en hij kreeg een granaatscherf in zijn hoofd waaraan hij is overleden. Daarna was Eindhoven bevrijd, maar de rest van Nederland en Europa nog niet. Er vlogen nog veel V1 raketten over de stad, bestemd voor Londen en Antwerpen.  We waren altijd bang dat er eentje te vroeg zou neerkomen. Dan riepen de mensen: “Onze Lieve Vrouw, geef ‘m nog een douke!” Zo vroegen ze de heilige Maria om een duwtje aan de bommen te geven, zodat ze niet in hun wijkje of op de stad zouden vallen. Op 16 december 1944 sloeg een V1 bom in op de hoek van de Kruisstraat. Twintig mensen kwamen om, terwijl de oorlog in Eindhoven al voorbij was.’

      

Erfgoeddrager: Gijs

‘Het hele plafond was naar beneden gekomen’

Hans van ‘t Veer is wat te vroeg bij basisschool De Weidevogel in Ransdorp. Kaitlin, Sterre, Gijs en Femke zijn zich nog aan het voorbereiden op het interview in het Dorpshuis. Gelukkig laten ze hem niet heel lang wachten. ‘Kom maar binnen’, roepen ze, en dan kan het gesprek beginnen. Hans was 4 jaar toen de oorlog begon. Hij woonde in de Van der Pekstraat in Amsterdam-Noord. Zijn vader was slager dus echt honger heeft hij nooit gehad.

Vond u het spannend dat het oorlog was?
‘Als kind vind je een hoop spannend. Op de eerste dag dat het oorlog was, waren er boven ons huis in de Van der Pekstraat een Duitse en een Engelse jager op elkaar aan het schieten. Daar stond ik wel als jongetje van 4 jaar met open mond naar te kijken, dat weet ik nog wel. Ik had nog nooit in mijn leven een schot horen vallen. Het waren ook geen vliegtuigen zoals je die nu hebt natuurlijk, het waren vliegtuigen met propellers. Ik vond dat hartstikke spannend, maar ik werd binnengehouden. De Engelse jager werd neergeschoten en die piloot sprong eruit met z’n parachute. Hij kwam op het dak terecht van het huis tegenover ons. De Duitsers kwamen er meteen bij en hebben hem van het dak afgehaald. Hij schijnt ook zijn been gebroken te hebben, maar hij is gelijk in een Duitse auto weggevoerd. Wat er verder met hem is gebeurd weten wij eigenlijk niet, het was wel heel naar.’

Kende u ook goede Duitsers?
‘Wij woonden vrij dicht bij de Tolhuispont. Daar waar nu het Eyemuseum staat, was een basis van de Duitsers met marineschepen. De officier van die basis, met veel strepen op zijn uniform, kwam nogal eens bij ons in de slagerij. Hij moest dan altijd even door mijn haar strijken. Mijn vader vond dat niet per se heel geweldig. Als ie te lang in de winkel bleef, konden de buren denken dat mijn vader heulde met de vijand. Op een bepaald moment vroeg hij aan die officier: ‘Kun je niet zorgen dat mijn zoon een paar schoenen kan krijgen?’ En ja, ik heb diverse keren van hem schoenen gekregen.’

Het rubber werd van fietsbanden afgehaald in de oorlog, toch? Had u ook een fiets eigenlijk?
‘Ja, ik had een fiets. Rubberbanden, die hadden we inderdaad niet. Dus wat deden we, een beetje een dikke tuinslang knipten we in stukken. Die werden dan gelegd in de velg van de wielen. Dat was niet zo comfortabel fietsen als nu, maar het was altijd beter dan fietsen alleen op de velg. Want alleen op dat ijzer… dat sleet en dan ging je snel onderuit. Wij noemden dat anti-plof banden. Die fiets was voor mij eigenlijk een beetje te hoog. Maar we hadden op de trappers houten blokjes gedaan en het zadel stond heel laag. Als ik er nu nog aan denk, het was een belachelijke fiets. Maar ja, als je die blokken eraf haalde, kon er een volwassene op fietsen. Ik heb mijn fiets niet heel lang gehad want hij werd door mijn vader meegegeven aan iemand die langs de boeren ging om eten te halen.’

Waarom ging u na het bombardement in 1943 op de Van der Pekbuurt naar familie in Bussum?
‘Na het eerste bombardement was er veel onrust bij ons in de buurt. Iedereen dacht dat er nog wel een bombardement zou komen want de Fokkerfabriek hadden ze gemist. Maar er was ook nog iets anders aan de hand. Alle ruiten van de huizen en de winkels in onze buurt waren eruit gesprongen. Bij ons huis waren ook de ruiten stuk, het hele plafond was naar beneden gekomen, het was één grote rotzooi. Er werd veel geroofd. Niemand die buiten Noord woonde mocht er komen. Op maandag ben ik naar mijn oom en tante in Bussum gebracht. Daar ben ik wel zes weken geweest, totdat mijn vader en moeder het huis weer een beetje hadden opgeknapt.’

           

Erfgoeddrager: Gijs

‘Bleek dat mijn school op het Mosplein was platgebombardeerd’

Met de auto rijden Steffan, Magnus, Hugo en Gijs van De Weidevogel in Ransdorp naar het huis van Jan van de Linden in Oostzaan. Ze worden hartelijk ontvangen door meneer en mevrouw Van der Linden, met chocolademelk en een koekje. ‘Goh’, zegt hij, ‘dat jullie helemaal uit Ransdorp zijn gekomen, jongens… Zijn jullie ook allemaal op die toren geweest?’

Wat was het moeilijkste aan de oorlog?
‘Ik was nog maar heel jong. Het zei me allemaal niet heel veel, maar ik vond het eigenlijk best spannend. Om je heen gebeuren dingen die je op dat moment niet kunt verklaren. Eigenlijk realiseer ik me soms nu pas echt wat er is gebeurd. Daarom kan ik af en toe ook best een beetje emotioneel worden.’

Ging u naar school?
‘We gingen aanvankelijk gewoon naar school. Hebben jullie gehoord van het bombardement op Noord? Ik lag in mijn bed en het leek opeens alsof er een zak aardappelen op zolder werd leeggeschut. Bleek dat mijn school op het Mosplein bij het bombardement helemaal was platgebombardeerd. We zijn toen allemaal ingedeeld bij een andere school in de Azaleastraat. Als er luchtalarm was, kwamen de mensen uit de buurt naar school om de juffrouw een beetje bij te staan, ook mijn moeder. Op een gegeven moment was er zo’n herrie. Ik weet nog dat we met z’n allen tegen de achtermuur van de school waren gedrukt, angstig te zijn.’

Had u Joodse kinderen in de klas?
‘Nee, wij hadden geen Joodse kinderen in de klas, maar er zijn wel Joodse mensen bij ons in de straat weggehaald, tenminste dat begreep ik achteraf. Ik speelde op straat en zag ineens een kind met een stuk speelgoed in de hand. Aan het eind van de straat woonden Joodse mensen, en dat huis werd leeggehaald. De mannen die het huis leeghaalden, waren van de firma Puls, ze hadden een contract met de Duitsers. Het speelgoed dat ze uit het huis haalden, deelden ze uit aan de kinderen op straat. Men zei toen ook wel: ‘de huizen van de Joden worden gepulst’. Mijn vader is ook een keer weggevoerd want hij moest net als alle mannen die in dienst waren geweest, in Duitsland gaan werken. Dat waren allemaal gevangenen, dwangarbeiders. Toen hij in de buurt van Amersfoort kwam, mocht hij gelukkig terug. Waarom hij terug naar huis mocht, weten we nu nog steeds niet. Misschien was hij overtollig. Maar dat maakte niks uit, hij mocht terug naar huis!’

Had u genoeg te eten in de Hongerwinter?

‘De Duitsers hadden alles gerantsoeneerd. Eten was op de bon. Maar ik heb nooit echte honger gehad. De aanleiding voor de Hongerwinter was de spoorwegstaking. De Duitsers hebben toen alle aanvoer gestopt. Zo raakten de voorraden op en begonnen de hongertochten naar de boeren in Friesland en Noord-Holland om eten op te halen. Mijn vader is ook gegaan. De tweede keer ging hij naar de Wieringermeerpolder. Ik herinner me dat mijn vader helemaal in shock thuis kwam. Wat bleek: onderweg werd hij staande gehouden door de Duitsers en moest hij toekijken hoe tien mannen uit een vrachtwagen werden getrapt, op een rij werden gezet en werden gefusilleerd. Hij is in paniek naar huis gefietst. Helemaal in shock. De kolen waren ook op in de Hongerwinter. Het was hartstikke koud en er lag veel sneeuw. Lege huizen werden direct gesloopt en al het hout verdween in de kachel. Mijn vader werkte bij Shell als stoker. Ze hakten de brokken stookolie van de gebombardeerde fabriek in stukken. Als een soort appelstroop. Dat deden ze in het kacheltje. Het kacheltje werd helemaal rood van de hitte! Weten jullie dat ik dat kacheltje nog heb? Willen jullie het zien?’

    

Erfgoeddrager: Gijs

‘Midden in de nacht kwamen de Duitsers bij ons thuis’

Gijs, Guusje, Julian en Lotte van Het Wespennest gaan op de fiets naar Floradorp, naar het huis van Riet de Groot aan het Duindoornplein. Ze woont al 50 jaar op nummer 14, maar in de oorlog woonde ze op nummer 10. Het is een mooi afgeschermd hofje en de kinderen parkeren hun fietsen tegen een paar bomen aan de kant van de weg. Mevrouw De Groot komt al naar buiten om ze te begroeten en vol verwachting gaan ze haar kleine, maar knusse woning binnen. Iedereen voelt zich meteen welkom. Er staan al pakjes drinken op tafel, en een schaaltje met snoep en rozijnen.


Had u in die tijd veel vrienden?

‘Ik woon mijn hele leven al op het Duindoornplein. De huizen waren niet zo groot, maar de mensen hadden veel kinderen. Ik had dus veel vriendjes en vriendinnetjes. Als het luchtalarm afging, vonden we dat allemaal heel eng. We mochten niet buiten blijven. Waren we op zo’n moment in het zwembad, dan moesten we er allemaal uit en de schuilkelder in. En speelden we hier op het plein, dan moesten we allemaal naar binnen. De kinderen van wie de ouders aan het werk waren, gingen naar de buren toe. Iedereen lette goed op elkaar. Het luchtalarm ging vaak af omdat de vliegtuigfabriek van Fokker in Noord was. De fabrieken waren gecamoufleerd. Over de hangar met vliegtuigen werden netten gespannen, met huisjes van stro en watten erop, zodat het leek alsof het een woonwijk was. Doordat niet duidelijk was waar de Fokkerfabriek precies stond, is in 1943 de buurt rond de fabriek gebombardeerd.’

Heeft u onderduikers gehad?
‘We hebben één onderduiker gehad. Op nummer 8 woonde een NSB’er, een landverrader, en die heeft ons verraden. Midden in de nacht kwamen de Duitsers bij ons thuis, maar we hadden een vluchtroute bedacht. De onderduiker sliep in het kamertje aan de achterkant, en hij kon dus over het platje en via het schoolplein hierachter vluchten. Mijn zus, die 5 jaar ouder is dan ik, ging snel in zijn bed liggen, en toen de Duitsers boven kwamen, zagen ze mijn zus in dat bed liggen. Omdat ze toch wel door hadden dat er een onderduiker was geweest, werd mijn vader meegenomen. Maar ze konden het niet bewijzen dus mijn vader werd twee dagen later weer vrijgelaten.’

Ging u gewoon naar school?
‘Ik zat op een christelijke school en tijdens de oorlog ging het er eigenlijk best wel normaal aan toe. We hadden alleen wel altijd honger. In de Hongerwinter van 1944 was het heel erg. De meester had soms een paar extra bonnen voor de gaarkeuken, voor kinderen die heel weinig eten hadden zoals wij. Wij gingen dan altijd heel netjes zitten, met onze armen over elkaar, omdat we die bonnen natuurlijk heel graag wilden hebben. En als je er eentje kreeg, mocht je naar de gaarkeuken. Daar kon je eten halen in een kannetje. Dat eten was eigenlijk helemaal niet lekker, maar het was heel fijn omdat we heel erg honger hadden.’

Erfgoeddrager: Gijs

‘Er was iemand teruggekomen uit de kampen!’

Mevrouw Eliel-Wallach woonde in het begin van de oorlog in Haarlem en ging naar school bij instituut Pollatz, aan het Westerhoutpark 14. Mevrouw Eliel is al eerder geïnterviewd door Oorlog in mijn Buurt, ’Ik zie het als mijn plicht om mijn verhaal te vertellen.’

Hoe kwam u in Nederland terecht?
‘Ik ben in 1928 geboren in Düsseldorf. Ik was 11 jaar toen we in Keulen de Reichskristallnacht meemaakten, daarop besloten mijn ouders te vluchten. De broer van mijn moeder woonde in Amsterdam en heeft dat kunnen organiseren. In december 1939 vertrokken we, mensensmokkelaars namen ons mee. Ik had pijn aan mijn voet en kon niet lopen. Eén van die smokkelaars was een grote man, hij tilde me over de Nederlandse grens.

We waren illegaal en we moesten ons verstoppen voor de Nederlandse politie. Anders werd je teruggestuurd naar Duitsland. Eind januari 1940 kwamen we in Haarlem, daar was de vreemdelingenpolitie coulanter, je hoefde je niet elke week te melden dat je illegaal was. Ik ging naar school bij de familie Pollatz aan het Westerhoutpark 14. Tijdens de oorlog heeft de familie Pollatz meer dan 40 Joodse kinderen onderdak gegeven, zonder dat iemand in de buurt ervan wist.

In mei 1940 viel het Duitse leger Nederland binnen en wij moesten de kuststreek verlaten. We kwamen terecht in Arnhem. Wat we zo vreselijk vonden, was de gedachte: wat in Duitsland gebeurt, gebeurt hier ook. Dat was uiteindelijk ook zo. We kregen opnieuw met anti-Joodse maatregelen te maken.

Eind 1942 werden we opgepakt. Mijn vader had in de Eerste Wereldoorlog gevochten en daardoor kregen we in Westerbork een beetje bescherming. Ons transport werd uitgesteld, ik werkte in het naaiatelier. In Westerbork werd ik 15 jaar.’

Wist u waar de treinen naartoe gingen?
‘In Westerbork werd je binnen een week gedeporteerd maar je wist niet waarnaartoe. Je had weleens gehoord van Auschwitz en je vond het hartstikke eng. Elke dinsdag ging er een trein weg van 1000 tot 3000 mensen. Volgepropt in een veewagon, ongeveer 60 mensen. Baby’s en oude mensen. Vanaf toen, maar dat wisten we niet, gingen van januari 1943 tot oktober 1943 wel 19 treinen naar Sobibor. Sobibor ligt aan de grens van Polen en Rusland. Daar werden de Joden meteen vergast. Bijna niemand heeft het overleefd.

Ik moest met mijn ouders op het eerste transport naar Bergen Belsen. We waren met 300 mensen, we hadden nog nooit van Bergen Belsen gehoord. Op het terrein stond een hele grote tent, zoals een circustent, het was helemaal gevuld met schoenen. Hoe kwamen die daar? Dat vroeg ik me maar niet af. We werkten aan lange tafels en tornden het bovenleer van de schoenen los. Het leer werd hergebruikt.

Eind januari 1944 kregen we bericht, ‘morgen gaan jullie naar Theresienstadt’. Twee dagen en twee nachten zaten we in een gesloten veewagon. In Theresienstadt ben ik veel ziek geweest. Ik verzorgde de baby’s, samen met een ander meisje van mijn leeftijd, ik was inmiddels 16 jaar. We sjouwden met emmers water om de baby’s en luiers te wassen. De moeders waren aan het werk. Na zes weken moesten de moeders met de baby’s op transport naar Auschwitz. Het heeft mij altijd ongelooflijk geraakt, wat er met kinderen gebeurde.

In september 1944 was het zuiden van Nederland door de geallieerden bevrijd. Maastricht en Eindhoven waren al vrij, maar bij Arnhem ging het helemaal mis. Toen kwam toch nog het laatste transport uit Westerbork van 3.000 mensen naar Theresienstadt. En altijd wanneer er mensen aankwamen, wist je ook: er gaan weer mensen weg. Maar je wist niet waarheen, waarnaartoe. Dat was heel eng.

De treinen vertrokken opnieuw. Eerst moesten de mannen weg, ik zag mijn vader weggaan. En veertien dagen later kreeg ik de oproep om ook op transport te gaan. Mijn moeder wilde met me mee en heel energiek heb ik gezegd, ‘Je doet niets vrijwillig, ik ga alleen.’ En daardoor heeft mijn moeder wel het leven gered.

Ik kwam aan in Auschwitz-Birkenau. Ik heb helemaal geen zin om te beschrijven hoe vreselijk het daar was. Ik heb de selecties meegemaakt. In oktober 1944 moest ik weer op transport, waarheen wist ik niet.

De trein stopte in Linz, in Oostenrijk. Maar ik was vreselijk bang, want het was vlakbij Mauthausen. En dat was een heel berucht concentratiekamp. ‘Nou gaan we eraan’, dacht ik. Maar we werden naar een vrouwenkamp gebracht en te werk gesteld in een celwolfabriek. We hadden verschrikkelijke honger, en stonden onder leiding van een groep sadistische SS-vrouwen. Het was gruwelijk en afschuwelijk.

Hoe bent u bevrijd?
‘Begin mei, we waren ontzettend uitgeput, van honger en ellende. De leiding van die SS-vrouwen, zei na het appèl,‘We laten jullie nu over aan het noodlot, wij gaan weg.’ Maar om het kamp heen waren allemaal mitrailleurs opgesteld. Ze konden ons allemaal doodschieten. Er kwam een jeep met drie Amerikaanse soldaten, die deden de poort open en zeiden:’You are free’.
Ik ging alleen naar buiten. Een Rus gaf me een beetje erwtensoep, dat was mijn eerste eten.

Op de radio hoorden we de berichten uit Theresienstadt, de namen van de mensen die nog leefden. Zo kwam ik te weten dat mijn moeder Mathilde Wallach nog in leven was. Maar andersom wist mijn moeder niet dat ik nog leefde.’

Hoe kwam u weer terug in Nederland?
‘Het was een lange reis. Met een Amerikaans militair vliegtuig zijn we naar Constanz aan de Bodenzee gebracht. Twee weken waren we in Reichenau. De hele reis zijn mijn vriendin Hella en ik een beetje beschermd door mr. Vrolijk, hij was als gijzelaar gevangen geweest en voor de oorlog werkte hij bij de rechtbank van Den Haag. Met een slaaptrein gingen we naar Lyon en daar konden met moeite ergens overnachten, het was in een bordeel! Ik had keelpijn en hoge koorts en bij de Amerikaanse medicijnenpost kreeg ik penicilline. Na drie dagen gingen we van Lyon met de trein naar Brussel. In Brussel trakteerde mr. Vrolijk ons op de kermis. We zaten in de botsautootjes en aten een ijsje. Toen voelde ik me voor het eerst bevrijd.

In de nacht van 26 juni 1945 kwam ik aan in Amsterdam. Ik vond het adres van oom Erwin in de kaartenbakken van ondergedoken personen. Hij woonde op de Tweede Jan van der Heijdenstraat. Hij was die dag jarig en in de vroege morgen stond ik voor de deur. De hele straat liep uit, er was iemand teruggekomen uit de kampen! Op 12 augustus kwam mijn moeder aan op het Centraal Station. We besloten in Amsterdam te blijven wonen. In het begin was het niet makkelijk, maar later werd het beter. We hadden zoveel meegemaakt.

In 2014 was ik met een groepje vriendinnen bij de heropening van het Rijksmuseum. Ik hou altijd erg veel van kunst. Op de zolder was een tentoonstelling over de oorlog en daar hing een gestreept kampjasje. Toen ik het goed bekeek herkende ik het nummer. Het was het kampjasje van mijn vriendin Isabelle Wachenheimer! Zij had nummer 918 en ik had nummer 919, mijn meisjesnaam Wallach. Haar nummer verschilde één cijfer met dat van mij. Het hangt nog in het Rijksmuseum.’

 

 

Erfgoeddrager: Gijs

‘Dat ik het heb overleefd is een wonder’

Koos Bonke is een echte Haarlemmer. Hij groeide op in de Amsterdamse buurt en het interview is daar vlakbij, in een mooi oud huis aan het Spaarne. Mauro, Gijs en Boris luisteren aandachtig naar zijn verhaal en bekijken zijn fotoboeken over de Hongerwinter en de bombardementen in Haarlem. ‘Tijdens de bevrijding kreeg mijn zus een reep chocolade van de Canadezen. Ze at ‘m helemaal op! Ik mocht aan het papiertje ruiken…’

Hoe oud was u toen de oorlog uitbrak en wat deed u in die tijd?
‘Ik was vier jaar en ik woonde met mijn zes jaar oudere zus en mijn ouders in de Vooruitgangstraat. Mijn vader was tewerkgesteld in Duitsland vanwege de ‘Arbeitseinsatz’, dus we waren meestal met z’n drieën. Ik ging naar de Broederschool aan het Teylerplein. Daar hadden ze gaskachels dus de school bleef open en het was er lekker warm. ‘s Avonds in bed hoorde ik de Engelse vliegtuigen overkomen. Ze gingen naar het Ruhrgebied in Duitsland. Op de heenweg maakten ze een zwaar ronkend geluid, want dan hadden ze bommen aan boord. Een uur of vier later kwamen ze terug en maakten ze een veel lichter geluid omdat ze de bommen hadden gedropt.’

Wanneer was het bombardement op de Amsterdamse buurt en wat weet u daar nog van?
‘Het was in 1943. Mijn moeder en mijn zus waren naar de kerk, om te bidden voor vrede denk ik… Ik was thuis en lag in bed. Opeens was er een enorme klap, de wekker viel van het nachtkastje. Mijn moeder had gezegd: “Als er iets gebeurd, blijf in bed liggen!” Dus dat deed ik. Toen mijn moeder en zus thuiskwamen, moest ik snel meekomen. Mijn zus zei dat je buiten bijna niets kon zien door de stofwolken. Er waren twee huizen in de straat helemaal weg. Wij hadden nog geluk, want bij ons was alleen een raam stuk. Er zijn 86 mensen omgekomen bij het bombardement. Dat ik het heb overleefd is een wonder.

Er lag een ‘blindganger’ in de straat, dat is een bom die nog niet was afgegaan. Dat was gevaarlijk en dus moesten we naar het huis van een oom en tante in de buurt. Overal op straat waren kleine brandjes die waren ontstaan door ontplofte kachels. In de Van Zeggelenstraat zag ik hoe het dak van een huis was opgetild door de luchtdruk van de ontploffing. Het lag op straat. Aan de Zomervaart zat een man met zijn arm in het water. Hij had fosfor op zijn arm gekregen, van een fosforbom, een brandbom. Fosfor blijft branden als er zuurstof bij komt, dus elke keer als die man zijn arm uit het water haalde begon die weer te branden. Ik weet niet hoe het met hem is afgelopen, want we moesten verder… ‘

Wat kreeg u te eten in de oorlog en hoe was het voor u in de Hongerwinter?
‘Na het bombardement mocht mijn vader naar huis komen. Hij had Duits brood meegenomen, van dat zure brood! Ik had honger maar vond het niet lekker. Mijn moeder kookte suikerbieten op een heel klein noodkacheltje, een vuurduiveltje heette dat ook wel. Ik moest houtjes hakken voor het kacheltje. Mijn zus mocht een boom halen in de Haarlemmerhout. Die heeft ze met een touw er omheen helemaal mee naar huis gesleept. Om het eten warm te houden had mijn vader een hooikist gemaakt. Je zette het pannetje in het hooi en dan bleef het eten lekker warm.

De Hongerwinter was de laatste winter van de oorlog. Het zuiden van Nederland was al bevrijd, maar de Duitsers probeerden het noorden uit te hongeren. Ik moest ik eten halen bij de gaarkeuken in de Broederschool. Daar hadden ze waterige soep in hele grote pannen: gamellen. Je moest een pannetje meenemen en voedselbonnen. Soms kende ik een broeder van school en dan kreeg ik iets extra’s. Dan leverde ik drie bonnen in en kreeg ik toch 4 scheppen uit de pan!’

 

 

Erfgoeddrager: Gijs

‘Dankzij mijn hoofdpijn bleef ik in leven, anders was ik maar 26 geworden. Nu ben ik 100 jaar’

Wim Blank (100) werd geboren in Wormerveer en woonde daar ook in de oorlog, aan het Sluispad. Hij was 22 toen de oorlog begon en werkte als vertegenwoordiger in gloeilampen voor Philips. Hij is de oudste nog in leven zijnde verzetsstrijder uit de Zaanstreek. Ondanks zijn hoge leeftijd weet hij zich nog veel te herinneren. Nawal, Kingsley, Dilara en Gijs van basisschool Et Buut in Zaandam, interviewen hem in het verzorgingstehuis Mennistenerf.

U zat in het verzet, maar bent u eerst ook gewoon soldaat geweest?

‘Ja, maar gevochten heb ik niet. Ik werd samen met mijn kameraden zes weken voor de oorlog uitbrak opgeroepen. We zaten in drie grote barakken bij Schoorl en wisten eigenlijk amper wat er aan de hand was. Op een ochtend hoorden we vliegtuigen overvliegen, dat waren de moffen. Toen was de oorlog begonnen, maar wij wisten van niks. Een paar dagen later werd de helft van onze groep naar Wormerveer gestuurd. De andere helft, waaronder ikzelf, moest naar de Afsluitdijk om te vechten. We stonden al te wachten op de bus om ernaar toe te gaan, toen onze kapitein eraan kwam, op de fiets. ‘Hoeft niet meer jongens’, zei hij. De oorlog was voorbij. Daarna werden we door de Duitsers gevangen gehouden in onze eigen barakken. Na een week of zes had ik er genoeg van, toen ben ik stout geweest en naar huis gefietst en niet meer teruggekomen

U had een joodse verloofde, hoe heeft zij de oorlog overleefd?

‘Ik had een Joodse verloofde in Zaandam, Miep. Zaandam was de eerste plaats in Nederland waar de Joden weg moesten. Op donderdag kregen ze te horen dat ze op zaterdag hun huizen moesten verlaten. Miep had een zus die getrouwd was met een christenman en die hoefde niet weg. Dus we wisten wat ons te doen stond: trouwen. Ik zat toen al in het verzet en kende iemand op het gemeentehuis in Wormerveer. Die heeft er voor gezorgd dat we ’s morgens in ondertrouw konden. En die middag zijn we toen getrouwd.’

U heeft onderduikers gehad, hoe is het daar mee afgelopen?

‘Slecht. Dat waren twee jonge verzetsmannen van een jaar of 19, 20 uit Amsterdam. Het werd hun daar te heet onder de voeten, dus wij boden ze onderdak. Echt verstopt zaten ze niet, daarvoor was ons huis te klein. Maar dat was op zich geen probleem. Het lastigste was om genoeg eten voor die jongens bij elkaar te krijgen. Op een dag ben ik op de fiets naar de Beemster gegaan om aardappelen en groente te halen bij een boer. Onderweg moest ik twee keer dekking zoeken vanwege het luchtalarm. Toen ik thuiskwam wilden die jongens gaan varen, want ze verveelden zich. Ze konden het bootje gebruiken van de buurman, die ook in het verzet zat. Omdat ze de weg niet kenden, vroegen ze mij om mee te gaan. Maar dat wilde ik niet, want ik had barstende koppijn gekregen van die fietstocht en dat luchtalarm. In mijn plaats ging er een andere jongen uit Wormerveer mee. Allemaal zijn ze toen opgepakt. Een van de jongens had namelijk nog een oranje bandje in zijn zak dat we net daarvoor hadden gemaakt voor op onze overalls, voor als de oorlog voorbij zou zijn. Dus de Duitsers hadden meteen door dat ze in het verzet zaten. Meteen de dag erop zijn ze bij de Zaanse Schans gefusilleerd, op de plek waar nu het monument staat. Dankzij mijn hoofdpijn bleef ik in leven, anders was ik maar 26 geworden. Nu ben ik 100 jaar.

Als verzetsstrijder heeft u ook iemand moeten neerschieten. Waarom?

‘Daar praat ik eigenlijk liever niet over. Die man was gevaarlijk. Hij was geïnfiltreerd in het verzet en had ervoor gezorgd dat al vijf mensen van ons waren opgepakt en gefusilleerd. Hij was een verrader en moest dood. Wat hij precies gedaan had wist ik niet, maar ik kreeg de opdracht om het tedoen, samen met een kameraad. We waren met z’n tweeën op de fiets en volgden de die jongen en schoten hem neer. Hij was niet helemaal dood, en werd naar het ziekenhuis gebracht. Iedereen was bang dat hij daar zou gaan praten. Naar het schijnt hebben de verpleegsters toen een handje geholpen om te zorgen dat-ie gauw dood ging.’

 

 

 

 

 

 

Erfgoeddrager: Gijs

‘Vanaf het dak van de Ridderzaal gooiden we steentjes naar een Hollandse politieagent.’

Koos van Belle groeit op in de Haagse binnenstad, boven de meubelzaak van zijn vader. Twee van zijn oudere broers worden tewerkgesteld in Duitsland en Luxemburg. Bang is Koos tijdens de oorlog niet. ‘Bang, bang, wat is bang? Je groeit erín, in de oorlog’.

Hoe dacht u over de Duitsers tijdens de oorlog?
In het begin was ik nog onder de indruk van de macht van het Duitse leger, met hun uniformen. Maar dat veranderde snel, toen we in onze bewegingsvrijheid werden beknot.
Ik woonde vlakbij het Binnenhof, waar de Duitsers de dienst uitmaakten. Ik was natuurlijk een jong ventje, dus samen met een nog brutaler vriendje heb ik enorme kattenkwaad uitgehaald. We gingen stiekem het Binnenhof binnen, langs al die indrukwekkende kamers. Plots kwam een Duitse officier zijn kantoor binnen, waar wij zaten! We hebben ons een kwartier lang verstopt en stil moeten houden. Dat was ongelooflijk spannend. Daarna hebben we vanaf het dak van de Ridderzaal kleine kiezelsteentjes naar beneden gegooid naar een Hollandse politieagent. Gelukkig zijn we niet gesnapt.
Eén van de winkeliers in onze straat was een Duitser, die al in de jaren ’20 naar Nederland was gekomen. Wij spraken met de hele straat af, dat hij een goede Duitser was. We zouden hem met rust laten. Maar een andere Duitser uit onze straat, een vioolbouwer met lange haren, kwam direct aan het begin van de bezetting plots met kortgeknipt haar, een pet op en een geel hemd de straat inlopen. Bleek dat hij zich had aangesloten bij de de SA (red. Sturmabteilung, een paramilitaire knokploeg die Adolf Hitler door intimidatie aan de macht hielp) . Zijn zoon werd lid van de Hitlerjugend. Op D-Day zijn ze de stad uitgevlucht, ik heb ze nooit meer gezien.

Hoe was de hongerwinter voor u?
Echte honger heb ik niet geleden, alleen gebrek. Op straat zag ik wel mensen in elkaar zakken door de honger. Wij hadden gelukkig ook boerenfamilie waar we wat eten van kregen. We aten ook pulppannenkoeken en regeringsbrood. Dat was zo vies, nu zou je zeggen, zelfs de varkens lusten het niet. Mijn vader heeft eens voor 1000 gulden 50 kilo tarwe gekocht. Dat zaten we dan met zijn allen te vermalen. Er was ook geen brandstof in de hongerwinter, maar we gebruikten het hout uit mijn vaders meubelzaak voor in de kachel.

Wat weet u nog van de bevrijding?
Op de hoek van het Spui stond een grote meubelzaak. Daar zaten we met z’n allen te wachten tot de Canadezen binnenreden. Maar wat reed daar voor een gek wagentje? Het was een jeep, zoiets had ik nog nooit gezien! Een week lang hebben we straatfeesten gehad. Al het voedsel dat men bij elkaar had gesprokkeld en had bewaard, werd nu gedeeld. Ook kregen we van de geallieerden chocola en sigaretten. Eindelijk mocht ik ook weer naar de boulevard toe. Het strand kon je niet op, er lag nog veel prikkeldraad. Maar ik zag de zee weer! Er stond een Engelse soldaat, met op zijn mouw genaaid ‘Jewish Brigade’. Dat was natuurlijk heel bijzonder. Ik heb even met hem gepraat. Ik weet niet meer wat ik zei, maar ik wilde vooral laten horen dat ik op school Engels had geleerd.

Erfgoeddrager: Gijs

‘Met hoge koorts in bed ’

Wij zijn Loes, Isabella, Gijs en Sophie en wij interviewden mevrouw Lodder. Zij woonde tijdens de oorlog met haar ouders in de Jordaan. Haar grootouders en oom en tante woonden ook in de Laurierstraat, tegenover en boven hen. Het gezin van mevrouw Lodder was tijdens de oorlog erg arm. Zo had mevrouw Lodder nooit echt speelgoed. Toen ze na de oorlog een pop kreeg van haar moeder, was ze daar verschrikkelijk blij mee. 

Wat vond u van de oorlog?
“Ik heb vooral herinneringen aan de lange rij, waar ik met m’n moeder in stond om eten te krijgen. De honger tijdens de oorlog, die was vreselijk. Er was bijna niets meer te krijgen. Hier verderop in de Jordaan hebben ze zelfs een Duits paard gestolen en het vlees met de straat gedeeld. Ook wij hadden nauwelijks te eten. Mijn ouders moesten eten kopen op de zwarte markt. Mijn moeder had gouden oorbelletjes met parels, die ruilde ze voor een grote zak bruine bonen. Voor het avondeten stak ze de kachel aan. Een allesbrander, alles wat we konden vinden dat kon branden, gooiden we erin. Als de kachel dan brandde, nam ze het pannetje en daar kookte ze vijf boontjes in. En die vijf boontjes kreeg ik. Het was niks. Maar je bleef wel in het leven. 
En boven ons woonden twee blinde mensen. Als die mijn vader thuis hoorden komen, werd er geklopt: ‘Buurman Piet, buurman Piet! Heeft u een bietje voor ons?’ Dan gaf mijn vader ze een bietje, die twee oudjes boven.” 

Heeft u alleen maar nare dingen meegemaakt of ook leuke dingen? 
“Toen ik vier was, mocht ik naar school. Daar deed je nog wel eens iets leuks. We maakten vlechtmatjes voor moeder of een knutselwerkje met kerst. We hadden ook een hele lieve juf, juf Kommens heette ze. Toen de difterie uitbrak, is ze daaraan overleden. Ik vond het zo vreselijk dat juf Kommens dood was. Heel veel kinderen uit de klas kregen ook difterie, ik ook. Toen ben ik weer een tijd bij moeder thuis geweest. Ik had zulke hoge koorts dat ik helemaal blauwe oren had.”

Wat herinnert u zich van de bevrijding?
“Toen zijn mijn moeder, mijn tante, mijn nichtje en ik naar de Dam gegaan. Mijn nichtje was vier en ik was vijf. Opeens zei mijn tante dat er mensen met geweren in een gebouw stonden. M’n moeder zei: ‘Dat kan niet, we zijn bevrijd en we hebben feest!’ Maar toen begonnen die mensen te schieten! Mijn moeder en mijn tante hebben ons meteen bij de hand gegrepen en we zijn gaan rennen. Ik hoorde die schoten om me heen… Het was één rennende massa. Iedereen probeerde in paniek van de Dam af te komen. Pas toen we op de Rozengracht kwamen, zijn we rustig gaan lopen. Je kunt niet eeuwig blijven rennen. Ik kan het me nog goed herinneren hoor, op die Dam.. We waren zo bang!”

Mevrouw Lodder
Tijdens het interview

Erfgoeddrager: Gijs

‘’Dapi was een onschuldig jochie, wat was er op tegen om met hem te spelen?’’

Met een flinke vragenlijst komen Jo, Gijs en Lava naar de flat van Ria Schifflers in Amsterdam-Noord gefietst. Zou ze hun vragen alleen maar met een kort ‘ja, en ‘nee’ beantwoorden? De kinderen hebben zich voor niks zorgen gemaakt. Mevrouw Schifflers geeft uitgebreid antwoord en legt alles goed uit, vinden ze na afloop. “Wat lijkt me dat eng om op de wc te moeten schuilen voor een bombardement”, zegt Lava. Gijs is onder de indruk van het verhaal over een kennis uit het verzet die zo maar op straat werd doodgeschoten.

 

In de Latherusstraat woonde onder u een NSB-gezin. Hoe was dat?
“Soms was dat best gevaarlijk. Een van hun dochters had verkering met een Duitse soldaat die altijd zijn Jeep bij ons voor de deur zette, precies op de put waarop wij spelletjes speelden. Dat vond ik heel vervelend. Maar we moesten wel oppassen met wat we zeiden. Ik riep eens heel hard over straat toen ik die Jeep zag staan: “Oh, die Mof is weer bij ze op visite”. Mijn moeder werd boos omdat ik me had versproken, want ik wist wel dat ik woorden als ‘Mof’ niet mocht zeggen. Maar gelukkig gebeurde er niks.”

Kende u als kind ook Joodse kinderen?
“In Noord woonden in die tijd niet zo heel veel Joden, zo’n tweehonderd. Maar we wisten wel precies waar ze woonden. Twee huizen verderop stond het huis van David, een jongetje dat twee jaar ouder was dan ik. Ik kon zijn naam niet zo goed uitspreken dus ik noemde hem Dapie. Zijn ouders hadden een kapsalon en als zijn moeder op zaterdag moest werken, kwam Dapi altijd een bij ons spelen. Dan at hij een boterhammetje mee. In 1942 mochten Christenen niet meer met Joden omgaan. Maar Dapi was een onschuldig jochie van 7, dus wat was er op tegen om met hem te spelen? Vanaf dat moment kwam hij altijd achterlangs, via onze tuin, naar ons huis. Niemand in de buurt heeft daar ooit iets over gezegd. Maar uiteindelijk moest het gezin zich melden voor transport naar Westerbork, net als alle andere Joden in Amsterdam. Ze zijn afgevoerd en nooit meer teruggekomen.”

Zijn er in de oorlog mensen overleden die u kende?
“Ja. Mijn vader had een houthandel op de Papaverweg. Omdat hij 35 jaar was, moest hij eigenlijk werken in Duitsland voor de Duitsers. Maar dat wilde hij niet. Daarom had ie aan de achterzijde van de winkel een schuilplaats gemaakt, onder een berg zaagsel, zodat hij meteen kon verdwijnen als dat nodig was. Aan de achterzijde zat ook een kolenhandel. De eigenaar ervan, meneer Schipper, is op een dag doodgeschoten door de Duitsers omdat hij wapens vervoerde voor het verzet. Het was nog een jonge man met twee kinderen. Zijn vrouw moest daarna alleen voor de kinderen zorgen.”

Social Media


Meer zien van onze programma's en op de hoogte blijven van het laatste nieuws?
Volg ons op social media:

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

Christine: +31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892