Erfgoeddrager: Fleur

‘En ik zei gelijk: “Dan ga ik wel met je mee naar Nederland”’

Mavis Hoogdorp (1949) zat al op de leerlingen te wachten toen we aankwamen, ze keek ernaar uit om hen te vertellen over haar leven in Suriname. Fleur, Sanna, Marianna, Jochem en Lucas stapten binnen bij een onbekende en we namen een uur afscheid van een mevrouw die ze naar ons idee heel goed kenden. Ze hebben veel geleerd van haar indrukwekkende verhalen, die ze vertelde met een hoop humor die ze niet snel zullen vergeten.

Hoe zag uw jeugd en opvoeding er uit?

‘Ik had een prachtige, maar beschermende jeugd. Dat hield in dat ik niet zo makkelijk kon spelen met andere kinderen. Ik werd liefdevol opgevoed, ook door opa en oma, ooms en tantes. Ik was best een verwend kind. Ik was gehoorzaam, dus het was niet nodig om streng tegen mij te zijn. Ik ben in een ‘familiehuis’ geboren, dat wil zeggen dat mijn hele familie daar woonden: moeder, opa, oma etc. Iedereen droeg een steentje bij aan de opvoeding en dat vond ik fijn. Dat huis stond in Paramaribo. Het was redelijk groot, maar had geen veranda. Mijn oma maakte altijd een grote pan eten zodat iedereen kon mee eten, zoals mijn neefjes en nichtjes.’

Hoe vond u het om naar Nederland te gaan en u aan te passen?

‘Ik had geen enkel probleem met de reis naar Nederland. Ik keek er onwijs naar uit! Ik dacht: hier is het al erg goed, maar er is altijd wel een plek die nog beter is. Een collega van mij kreeg een baan in Nederland aangeboden en ik zei gelijk: “Dan ga ik wel met je mee naar Nederland.” Zo gezegd, zo gedaan. Mijn collega en ik gingen een paar weken later met het vliegtuig naar Nederland. Ik was toen 21 jaar. Wij hadden in Paramaribo al heel veel gehoord over Nederland. Eenmaal hier aangekomen was het toch allemaal even wennen; er waren toch best wel veel verschillen. Alles was nieuw en ik moest veel dingen opnieuw ontdekken en leren. Alles achterlaten in Paramaribo vond ik niet heel moeilijk, want mijn familie en vrienden steunden mij volledig en ik wist dat ik naar een mooie plek ging.’

Vind u het fijner hier in Nederland dan in Suriname?

‘Het heeft allebei zo zijn charme. Jullie vragen dit vast omdat veel ouderen uit Suriname lichamelijk hier in Nederland zijn, maar geestelijk nog in Suriname. Het is een soort heimwee. Als je op vakantie naar Suriname gaat, dan lijkt het of de mensen niet zijn veranderd. Maar eigenlijk moet je Suriname en Nederland niet vergelijken.’

 

 

Erfgoeddrager: Fleur

‘In Nederland voelde ik me opgelucht’

Kunstenaar Jose Estevao ontvluchtte in 1972 zijn geboorteland Portugal, waar een dictatuur heerste. Wie niet de militaire dienst inging, werd opgepakt. Samen met een dienstweigerende vriend kwam de toen twintigjarige Jose naar Nederland. Sommige vrienden gingen terug toen Portugal na de Anjerrevolutie van 1974 weer een republiek werd. Jose was inmiddels geaard. Hij had een fijn huis in De Pijp en er was nog een goede reden. Aan Fleur, Nohayla en Hayat van basisschool de Rivieren vertelt hij zijn verhaal.

Waarom wilde u niet in dienst?
‘Portugal had vroeger koloniën in Afrika en de Portugese regering beschouwde dat als ‘van ons’. Als landen die ‘we’ moesten verdedigen. Maar ik dacht daar anders over én ik wilde geen mensen doodschieten. Als je weigerde, moest je de gevangenis is. In de dictatuur had je niet veel te zeggen. Daarom vluchtte ik, samen met een vriend. We kozen voor Nederland omdat we hier iemand kenden die al eerder vanuit Portugal naar Nederland was gegaan. In 1974 is het in Portugal allemaal veranderd. Toen werd het een democratie en kon ik weer terug. Maar ik ben gebleven, want juist in dat jaar kreeg ik een zoon!’

Vond u het spannend om naar Nederland te gaan? 
‘Ja, heel spannend. We hadden geen geld dus we moesten liften. We deden er een week over. In stukjes, per auto of vrachtwagen. In Parijs moesten we in een park met zwervers slapen. Bij de grenzen was het ook moeilijk, want we hadden geen documenten. We staken illegaal over, dat deden we dan stiekem ’s avonds. Mijn ouders hadden het moeilijk. Zij wisten niet waar ik naartoe ging en hoe lang ik weg zou blijven.
In Nederland voelde ik me opgelucht. Het was moeilijk in Portugal en hier was het net de tijd van de hippies, met overal vrolijke mensen. Ik had verschillende baantjes – in de haven, bij de trams – en dat vond ik allemaal leuk. Alleen had ik geen huis. De eerste dagen heb ik in het Vondelpark geslapen, wat verboden was. Daarna ging ik naar een opvangcentrum. Daar moest je elke dag al om zeven uur ’s ochtends de straat op. Toen ben ik een huis gaan kraken in De Pijp. Dat was een bijzondere tijd, waarin ik ook veel vrienden heb gemaakt. Mensen hielpen elkaar, er waren veel migranten. Nederlands heb ik samen met de Marokkaanse en Turkse migranten geleerd. Ik leerde door met hen te spreken, en later zelf uit boeken.’

Wat heeft u hier in Nederland wat u in Portugal niet heeft, en andersom?
‘Alles wat ik hier had, had ik niet in Portugal. Ik kon hier werken, ik had meer vrijheid, ik kon kunst maken, dingen doen met politiek. Wel moest ik mijn ouders achterlaten. De eerste twee jaar konden we elkaar niet zien, alleen schrijven of bellen. Ze konden niet hier naartoe komen want ze waren al ouder en mijn vader was ziek. Toen hij overleed, kon ik niet naar zijn begrafenis. Later mocht ik wel weer terug naar Portugal en heb ik mijn moeder vaak opgezocht, ook met mijn kinderen. Ik mis mijn familie en vrienden als ik hier ben. Het landschap ook, en het klimaat. Het is fijn om er op vakantie te gaan, maar eenmaal daar wil ik weer naar Nederland. Twee van mijn kinderen en mijn vrienden zijn hier, ik heb hier veel te doen. Dus ik kan niet op één plek blijven. Dat is  moeilijk. Maar ik heb nooit echt terug willen keren naar Portugal.’

      

Erfgoeddrager: Fleur

‘Ik had het fijn bij tante Cor en ome Kees’

Hanneke Groenteman was één jaar toen de oorlog begon en ze was Joods. Ze woonde samen met haar vader en moeder in de Geleenstraat in de Rivierenbuurt. In het begin van de oorlog kregen haar ouders een oproep om zich melden. Zogenaamd om te gaan werken. Maar haar moeder vertrouwde het niet. Toen zijn ze ondergedoken. Maar niet samen. Hanneke ging ergens anders naar toe.

Welk onderduikadres kunt u zich nog herinneren?
‘Ik was nog heel erg jong toen de oorlog uitbrak. Eigenlijk kan ik me niets meer herinneren van mijn onderduikadressen. Behalve het laatste adres in Rijnsburg, daar woonde ik bij een heel christelijk en ook lief en warm gezin. Het gezin van tante Cor en ome Kees. Tante Cor was een hele lieve vrouw, ome Kees was een strenge man. Ik wist dat ik me moest verstoppen en dat ik ondergedoken was, maar hoe het precies zat wist ik niet. Naar buiten gaan mocht alleen op zondag en naar school gaan ging niet. Dat vond ik eigenlijk helemaal niet erg, want dan kon ik fijn bij tante Cor blijven. Meehelpen afwassen en samen met haar dingen doen. Op zondag gingen we met zijn allen naar de kerk. Maar dan moest ik wel een hoedje op. Want ik zag er heel anders uit. Ik had zwart haar en krullen en de kinderen van tante Cor hadden rood haar.  Ze zeiden dat ik een nichtje uit Oegstgeest was.’

U heeft daar een fijne tijd gehad. Heeft u nog een verhaal over uw onderduikouders?
‘Zoals ik al vertelde was het gezin waar ik ondergedoken was een streng gelovig gezin en er moest dan ook altijd worden gebeden voor het eten. Op een dag, toen er nog voldoende eten was, had tante Cor een zuurkoolschotel gemaakt. Zuurkoolschotel! Mijn lievelingseten. Nu zei tante Cor dat ik alles at maar zuurkool was echt mijn favoriet. Tante had de schotel neergezet op de kachel en iedereen ging bidden. Tijdens het gebed knapte de schotel en al de zuurkool viel op de grond. Ik vloog op, dook richting de schotel en probeerde nog te redden wat er te redden viel van het overheerlijke eten. Dat kon ome Kees niet echt waarderen. Want opstaan van tafel tijdens het bidden was ten strengste verboden. Dus moest ik voor straf zonder eten  – dus ook zonder zuurkool – naar boven.’

Wat vond u het ergste van de oorlog?
‘Het klinkt misschien gek, maar het ergste van de oorlog vond ik dat hij voorbij was. Een maand na de oorlog was stonden er opeens een mevrouw en een meneer voor de deur in Rijnsburg. Twee vreemde mensen die zeiden dat ze mijn vader en moeder waren. Ik was heel erg teleurgesteld omdat ik ze heel anders had voorgesteld. Dat ik met ze mee moest vond ik helemaal niet leuk. Want het was erg fijn bij tante Cor en wilde dus helemaal niet weg. Mijn vader zei later dat ik op het moment dat ze voor de deur stonden ik meteen in hun armen rende en bij hen op schoot ging zitten. Maar dat was niet zo. Toen de bel ging en aan mij verteld werd “dit zijn je ouders en je moet met ze mee”‘, rende ik weg, naar achteren zo de tuin in. Ik heb me toen verstopt achter de kassen bij de bloembollen. En ze hebben mij met zijn allen moeten zoeken.’

 

Social Media


Meer zien van onze programma's en op de hoogte blijven van het laatste nieuws?
Volg ons op social media:

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

+31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892