Erfgoeddrager: Faas

‘De bom op ons huis ging dwars door onze slaapkamers!’

‘Pedicuresalon mevrouw de Jong’ . We zijn amper binnen of Jennie de Jong wordt gebeld door een van haar klanten. Ze is nu bijna 87 en werkt vanuit haar huis aan de Bilderdijkkade. Dat is hetzelfde huis waar ze tachtig jaar geleden is komen te wonen als meisje van zeven. Aan Kick, Faas en Rayan van de Rosa Boekdrukkerschool vertelt ze wat ze daar allemaal heeft meegemaakt tijdens de oorlog. De zenuwen die de jongens hadden voor het gesprek – ‘straks wordt ze misschien heel verdrietig’ – verdwijnen snel. Jennie, die voor de jongens een zakje snoep heeft klaargelegd, is heel hartelijk en kan goed vertellen. Misschien wel omdat ze heel veel toneel heeft gespeeld vroeger. Rayan moet denken aan zijn oma. ‘Die is ook altijd heel erg lief.’

Was u bang toen de oorlog uitbrak?
‘Ik was tien jaar toen het begon. Net zo oud als jullie nu. Toen ik hoorde dat het oorlog was wist ik niet wat er zou gebeuren. Ik dacht dat er allemaal mensen doodgeschoten zouden worden. Maar dat was niet zo. We merkten eerst bijna niks. Tot de derde dag. Ik was net bij de groenteman en toen ging het luchtalarm af. Een man van de Bescherming Bevolking zei tegen me dat ik de schuilkelder in moest komen. Maar dat durfde ik niet. Ik riep dat ik naar mijn moeder wilde. Ik heb mijn bloemkool weggegooid en ben héél hard naar huis gerend. Ik was zo bang!’

Zo’n luchtalarm was er niet voor niks vertelt mevrouw de Jong:

‘Wij waren in een vakantie een keer aan het logeren bij mijn grootvader en grootmoeder in Gelderland. Plotseling kregen mijn ouders een telegram. We moesten onmiddellijk terug naar Amsterdam. Wat bleek? Er was een bom op ons huis gevallen. Het was dwars door de slaapkamer van mij én van mijn vader en moeder gegaan en was toen blijven steken in de kast van de benedenburen. De bom moest eerst ontmanteld worden voor we terug konden. Ik heb de gedachte haast niet van me af kunnen zetten dat we hartstikke dood waren geweest als we niet toevallig bij mijn grootouders hadden gelogeerd.’

‘Een van de verschrikkelijkste dingen die ik heb gehoord is het verhaal van mijn tante. Zij werkte in een krantenkiosk op de Weteringschans. Zij vertelde me dat ze samen met andere mensen uit de buurt moest toekijken hoe een hele groep jonge mannen werd doodgeschoten.’

Had u joodse vrienden?
Bij mij in de buurt woonden bijna geen joodse kinderen. Wel weet ik nog goed dat Truusje, het enige joodse meisje bij mij in de klas, op een gegeven moment met een ster op naar school kwam. We reageerden daar een beetje op zoals dat gaat. We vonden het zielig voor haar en stom dat het moest. Sommige kinderen zeiden dat als zij joods waren ze het mooi niet op zouden doen.

Op een dag zaten we in de klas met de ramen open heel hard ‘Waar de blanke top der duinen’ te zingen – dat is een ouderwets liedje over Nederland. Dat deden we expres om de Duitsers te pesten. Toen ging opeens de deur open en kwamen er twee Duitsers binnen. Die namen toen onze lerares mee én Truusje, het joodse meisje. Zó gemeen streng gingen ze toen doen. De ouders van Truusje waren op dat moment al opgepakt. Van de hele familie is na de oorlog nooit meer iets gehoord. De lerares is wel teruggekeerd.

Was u blij dat de oorlog was afgelopen?
Ja, want we hadden zo’n verschrikkelijk honger. Er liepen geen katten meer rond. En zelfs de ratten werden opgegeten. En het eten uit de gaarkeukens was verschrikkelijk vies. Er werd een soort soep gekookt van aardappels met pitten, wortels en suikerbieten. Dat was zo weinig dat mensen toch van de honger dood gingen. Zo gek: toen mijn dochter me laatst mee uit eten nam in De Hallen in Amsterdam wilde ik meteen weg. Het deed me weer aan die gaarkeukens denken.  Gek he, hoe sommige dingen je blijven herinneren aan de oorlog. Ik ben nog steeds bang voor vuurwerk en onweer. En ik hou ook niet van het donker. Ik was bang toen laatst de stroom uitviel.

Het moment dat de oorlog afgelopen was weet ik nog heel goed. Uit het ziekenhuis aan de overkant kwamen verpleegsters naar buiten met een Nederlandse vlag. Met een vriendin ben ik toen naar de Dam gelopen. En toen gebeurde er iets verschrikkelijks. We zagen de balkondeuren opengaan van een van de gebouwen op de Dam en daar kamen Duitsers naar buiten die in het wilde weg begonnen te schieten. Er zijn toen nog een heleboel mensen doodgegaan. Zelfs een baby werd geraakt.

Fotografie: Shirley Brandeis

Later waren we wel vrolijk. We kregen lippenstift van de Canadezen en soms een knipoogje. 

Erfgoeddrager: Faas

‘Nu heeft mijn vader eindelijk een eigen stoel’

Wij hebben meneer Jan Willem Ittmann geïnterviewd vlakbij het monument Rozenoord in het Amstelpark. Meneer Ittmann was vier maanden oud toen zijn vader, Cesar Willem Ittman aan het eind van de oorlog als verzetsstrijder gefusilleerd werd door de Duitse bezettingsmacht in Amsterdam. Hij groeide op zonder vader. Met zijn moeder heeft hij niet kunnen praten over de oorlog.

Wat voor een man was uw vader?
“Ik heb mijn vader eigenlijk nooit leren kennen. Ik was vier maanden oud toen hij gefusilleerd werd. Tijdens de oorlog vertelde mijn vader niks aan mijn moeder over zijn werk in het verzet, om haar en ons in bescherming te nemen. Na de oorlog was het verdriet bij mijn moeder zó groot, dat we er thuis nooit over spraken. Behalve op 4 mei, want dan herdenk je de doden. Op 4 mei was het altijd een hel bij ons thuis. Alleen maar verdriet. Daarom heb ik mijn moeder ook nooit naar mijn vader gevraagd, ik wilde niet nog meer verdriet bij haar losmaken. Pas lang na de oorlog, toen schrijver Geert Mak een boek uitbracht over de erebegraafplaats in Bloemendaal waar mijn vader begraven ligt, ben ik meer over hem te weten gekomen. Over wat hij deed in het verzet, hoe hij als arts mensen hielp en hoe hij door een ander in het verzet verraden is.”

Hoe was het om zonder vader op te groeien?
“Eerst wist ik niet beter. Ik was gewoon met m’n broer en m’n moeder. Maar hoe ouder ik werd, hoe meer ik mijn vader miste. Toen ik zelf kinderen kreeg, werd ik opeens onzeker. Ben ik wel een goede vader? Ben ik te streng? Ben ik te slap? Ik heb geen voorbeeld gehad, dus ik weet niet hoe een vader zich gedraagt. En nu heb ik kleinkinderen en weet ik weer niet hoe je een goede opa bent. De hele ellende opnieuw. Tegenwoordig denk ik vaker aan mijn vader dan vroeger. Ik zou wel willen weten hoe hij was. Lijk ik op hem? Zijn laatste foto is van een half jaar voordat hij werd neergeschoten, 30 jaar oud. In mijn hoofd is hij nooit ouder geworden. Ik ben nu zelf twee keer zo oud, dat voelt heel vreemd.”

Wat betekent het oorlogsmonument voor u?
“Toen ik vier was verhuisden we van de Bos en Lommerweg naar de Churchilllaan.  Dat huis was ingericht zonder een plek voor mijn vader. Nu, bij dit monument, heeft mijn vader eindelijk weer een eigen stoel. Ik vind ook dat je op die stoel moet gaan zitten. Ik heb op mijn vaders stoel gezeten, mijn kleinkinderen hebben erop gezeten. Mijn vader ligt in Bloemendaal begraven. Daar ben ik maar een keer geweest. Die plek is voor mij minder belangrijk dan de plek waar hij gefusilleerd is. Omdat ik me juist daar met hem kan identificeren. Hoe zou ik me voelen als ik daar stond?”

 

oorlog in mijn buurt, interview met broers Ittmans, 25 januari 2016, foto: Katrien Mulder

 

Social Media


Meer zien van onze programma's en op de hoogte blijven van het laatste nieuws?
Volg ons op social media:

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

+31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892