Erfgoeddrager: Cees Kleijn

‘Omdat ik bij een elite-onderdeel wilde dienen, heb ik toen voor de Waffen-SS gekozen’

Tijdens het interview bij hem thuis, in een stadje in het oosten van Duitsland, vertelt hij hoe hij nog dagelijks aan zijn jeugd in Amsterdam denkt, de stad waar hij zijn hart aan heeft verpand.


Hij vertelt over zijn verplichte dienstname in het Duitse leger, zijn keuze voor de Waffen-SS – ‘het was een elite-onderdeel’ –, de desillusie, en zijn jaren in een Russisch gevangenenkamp in Siberië. Nog altijd heeft hij contact met zijn jeugdvriend in Amsterdam. Ze bellen elkaar regelmatig op, vooral als er spannende voetbalwedstrijden zijn. Dan kan hij eindelijk weer even Nederlands spreken. 


Zorgeloze jeugd
“Mijn ouders zijn na de Eerste Wereldoorlog vanuit Halberstadt in Duitsland naar Nijmegen gekomen, waar ik in 1925 als kind van Duitse ouders werd geboren. Al spoedig daarna verhuisden we naar Amsterdam-West, naar de Jan van Galenstraat. Van de crisistijd en armoede merkte ik als kind eigenlijk niets. Mijn vader was een bekwame reclametekenaar en had altijd veel werk. Zodoende kreeg ik zelfs pianoles. Niet dat ik dat zelf zo graag wilde en ik was er ook niet goed in, maar voor de meesten was het überhaupt niet weggelegd. Aan mijn schooltijd heb ik ook alleen maar mooie herinneringen. Mijn school was in de Chasséstraat en ik ging er graag naartoe, leerde makkelijk, had veel vriendjes en deed veel aan sport. Zo nu en dan gingen we op familiebezoek in Duitsland. Daar merkte ik toch wel op dat het leven er heel anders was. Mijn leeftijdsgenootjes droegen allemaal een uniform van de Hitlerjugend en ook waren er veel meer soldaten op straat. Ik vond het een mooi gezicht, maar toch was ik altijd blij om weer terug in Amsterdam te zijn.”


Oorlog
“Toen de oorlog utibrak, ontstond er in Amsterdam grote paniek. Alle mensen die als bedreigend werden gezien, Duitse burgers maar ook NSB’ers, werden door de politie opgehaald en geïnterneerd. Mijn moeder werd tijdens een controle op straat ook meegenomen omdat ze een Duits accent had. Ze werd opgesloten in de Markthallen aan de Jan van Galenstraat, waar normaal gesproken groenten en fruit werden verhandeld. Een buurman had echter alles gezien en lichtte mijn vader in. Ze waren volgens de wet immers Nederlanders geworden en de politie had niet het recht om hen te arresteren. Wonder boven wonder lieten ze mijn moeder gaan.”


Oproep voor militaire dienst
“Op een dag kreeg ik een oproep in de brievenbus dat ik mij voor de Hitlerjugend moest melden. Het bleek dat mijn ouders wel Nederlander waren geworden, maar dat ik Duitser was gebleven, ondanks dat ik in Nederland was geboren. Mijn ouders probeerden het nog recht te breien, maar de Amsterdamse gemeenteambtenaar durfde er niets tegen te doen. Ik moest me melden voor de Hitlerjugend en daarna, op mijn zeventiende, ook voor militaire dienst. Omdat ik bij een elite-onderdeel wilde dienen, heb ik toen voor de Waffen-SS gekozen. Mijn vader was er, mede vanwege zijn religieuze overtuigingen, fel op tegen dat ik zou gaan en heeft nog geprobeerd om me eruit te krijgen. Natuurlijk had dat geen zin. Toen ik na de opleiding op verlof kwam, bekeek hij mismoedig mijn uniform met de SS-runen op de kraag en het doodshoofd op de uniformpet. Zachtjes maar nadrukkelijk, zoals hij altijd sprak, zei hij: ‘Het uniform dat je draagt, bevalt me niet, maar de mens die het draagt is mijn zoon.’ Hij omhelsde me stevig en zei: ‘Blijf altijd menselijk en laat je niet misleiden. Denk erom dat ook achter andere uniformen mensen schuilen, die, zoals jij en ik, ook een thuis, ouders, een vrouw en kinderen hebben.’”


Vernietigingskamp Majdanek
“In 1943 was ik in de buurt van Lublin in Polen voor het volgen van een onderofficiersopleiding. Tijdens deze opleiding werd mijn groep op een nacht uit bed gehaald en naar Lublin gebracht. Daar gebeurde iets wat ik nooit meer zal vergeten. We moesten bij de uitgang van een concentratiekamp een groep gevangenen bewaken. Ik was toen achttien jaar en had geen idee waar ik aan meehielp. Vlakbij mij liepen twee mooie meisjes in witte bontjassen langs. Het waren twee zusjes die bang waren en elkaar moed insparen. Ik hoorde ze Nederlands praten en besloot om ze aan te spreken, wat eigenlijk streng verboden was. ‘Wees niet bang’, zei ik, ‘jullie komen in een nieuw kamp omdat dit kamp te vol is geworden.’ Dat was ons immers verteld. Aanvankelijk schrokken ze, maar ze waren ook verrast en vroegen vervolgens of ik bij ze kon blijven. Ze vertelden dat ze uit Amsterdam kwamen en nog niet zo lang geleden waren aangekomen, en dat ze zo blij waren dat ze in hun eigen taal en op een menselijke manier werden aangesproken. De andere SS’ers hadden hen zeer slecht behandeld. Ik bleef bij ze, totdat we die groep bij een bosrand aan de SD moesten overdragen. ’s Avonds hoorde ik pas wat er werkelijk met ze gebeurd was. De gevangenen hadden zich in het bos uit moeten kleden en zijn daar doodgeschoten, vermoord, ook die twee Amsterdamse zusjes. Toen ik dat hoorde, moest ik overgeven. Ik dacht dat de SS een elitetroep was, maar toen dacht ik: je vader heeft gelijk, het is een misdadige organisatie. Vanaf dat moment was ik er niet meer trots op om soldaat te zijn. Ik probeerde het later te vergeten, heb aan het front gevechten meegemaakt en ben diverse keren gewond geraakt, maar dit is nog altijd het allerergste wat me is bijgebleven. Daar heb ik nog steeds nachtmerries van.”

Erfgoeddrager: Cees Kleijn

‘De NSB zou de armoede aanpakken’

Onderzoekers Cees Kleijn en Stijn Reurs interviewden meer dan 400 Nederlandse NSB’ers en SS’ers en hun kinderen. In hun interviews bespraken Kleijn en Reurs de misstappen die mensen gemaakt hadden, maar zij vonden ook de menselijke verhalen achter de ‘foute mensen’.

In dit interview het verhaal van Nol Koot. Zijn vader, Hendrik Koot, was lid van de WA, (knokploeg van de NSB), en werd tijdens rellen tussen de WA en Joden gedood. Zijn dood gebruikten de Duitsers als aanleiding om heel veel Joden op te pakken. Nol was de jongste in het gezin, hij had vijf broers en twee zussen. Na de oorlog viel het gezin uit elkaar.

Vader
“Op deze foto sta ik in het midden. Ik ben dat kleine blonde jongetje. Het was op de begrafenis van mijn vader, die enkele dagen daarvoor was overleden na een vechtpartij op het Waterlooplein. Van die dagen, en ook van de begrafenis, weet ik eigenlijk niets meer. Ik heb het allemaal in een roes meegemaakt.

Mijn vader was een lieve, vrolijke man, die met iedereen wel op kon schieten. Hij had voor de oorlog veel Joodse vrienden, omdat hij in de Diamantslijperij Asscher had gewerkt en later een stoffenwinkel was begonnen. Door zijn werk had hij altijd veel contact met Joden. Ik kan me niet herinneren dat mijn vader een hekel had aan Joden.”

Zingen en varen bij de Jeugdstorm
“Halverwege de jaren dertig waren mijn ouders lid geworden van de NSB. Eerst mijn moeder en daarna mijn vader. Ze hoopten dat de armoede in Nederland door de NSB aangepakt zou worden. Mijn drie broers gingen bij de Jeugdstorm en meldden zich later voor de SS. Zelf werd ik ook lid van de Jeugdstorm en dat was eigenlijk een heel leuke tijd. We deden daar veel leuke dingen, zoals zingen en varen. Mijn oudste twee broers zaten in Engeland, die heb ik pas na de oorlog teruggezien. Door de oorlog raakte ons gezin verscheurd.”

Bevrijding
“In september 1944 kwam ‘Dolle Dinsdag’. Deze dag werd zo genoemd omdat er geruchten waren over de bevrijding van Nederland. De geallieerde soldaten zouden in aantocht zijn. Tienduizenden NSB’ers en hun families vluchtten halsoverkop naar Duitsland. Ik kan me herinneren dat ik met mijn moeder in een trein naar Dantzig vluchtte, in wat nu Polen is. Daar zagen we mijn broer Rien, die bij de SS was en vanwege verwondingen in het ziekenhuis lag.

Toen we weer in Nederland kwamen, was de oorlog net voorbij. Mijn moeder werd gearresteerd omdat ze lid was van de NSB. Ik was 13 jaar en werd in een pleeggezin ondergebracht. Kort daarna kreeg ik een ongeluk. In het ziekenhuis lag ik lange tijd tussen gewonde Canadese en Duitse soldaten. Ik zag de Canadese soldaten sigaretten en snoep geven aan de Duitsers. Ze waren heel aardig tegen elkaar, en dat na al die jaren van oorlog.” 

De begrafenis van Hendrik Koot. Nol Koot is het kleine jongetje in het midden. Zijn broer Rien Koot staat achter hem met verband om zijn hoofd.

Nol Koot vertelt in de klas over de oorlog en de Jeugdstorm

Erfgoeddrager: Cees Kleijn

‘Door mijn oudere broer werd ik ook lid van de Jeugdstorm’

Het is een mooie nazomerse middag als we aanbellen bij een rijtjeswoning in Slotermeer. Een 86-jarige man doet open en laat ons snel binnen. Hoewel we ons bezoek hadden aangekondigd, neemt hij ons direct mee naar boven, naar zijn slaapkamer. Daar zitten we met zijn drieën op zijn bed. Hij is onrustig en vertelt gehaast zijn verhaal.


Zijn drie zonen weten van niets en ook zijn vrouw weet het alleen in grote lijnen. Op dat moment gaat de bel. Het blijkt één van de zonen te zijn. Henk maant ons snel weg te gaan en op het moment dat we de trap aflopen, zegt hij tegen zijn zoon dat we historici zijn die onderzoek doen naar de geschiedenis van de buurt. Voordat we enige vragen krijgen, bedanken we zijn ouders voor de gastvrijheid en verdwijnen naar buiten. Het is een voorbeeld hoe deze geschiedenis zeventig jaar later nog doorwerkt.


De NSB
“Mijn vader was een echte SDAP’er, een socialist in hart en nieren. Op 1 mei, de Dag van de Arbeid, liep hij steevast met een grote rode vlag mee aan optochten. Hij was altijd iemand die op wilde komen voor de zwakkeren in de samenleving. Mijn broer werd al voor de oorlog lid van de Jeugdstorm. Hij was enthousiast geraakt door mijn tante en neef, die al vroeg bij de NSB waren gegaan. Zijn uniform droeg hij onder zijn kleren en thuis verstopte hij het, zodat mijn ouders er lange tijd niets vanaf wisten. Door mijn oudere broer werd ik ook lid van de Jeugdstorm. Mijn vader was in 1940 lid geworden van de NSB. Ik denk dat hij het als een partij zag die een einde zou maken aan alle sociale misstanden.”


Arbeidsdienst
“In 1943 werd ik opgeroepen voor de verplichte tewerkstelling in Duitsland en kwam in een garage in in de buurt van Berlijn te werken. Het leven was daar helemaal niet slecht, totdat in 1945 de Russen kwamen. De dwangarbeiders werden ongemoeid gelaten, maar ik heb eens gezien hoe een paar Russische soldaten een Duitse soldaat in elkaar sloegen. Vervolgens legden ze hem voor een tank en reden zo over hem heen. Ook heb ik gezien hoe een Russische soldaat van iemand de vinger afsneed omdat hij zijn ring wilde hebben. Ik had het geluk dat ze me niet naar Siberië stuurden, maar dat ik naar Nederland teruggebracht werd. In de trein zaten ook overlevenden van de concentratiekampen. Ik zat in de wagon met een joodse jongen wiens hoofd helemaal was opgezwollen. Die jongen vertelde dat het in de concentratiekampen allemaal niet zo best was geweest, en pas veel later, toen de volle omvang van de verschrikkingen in de kampen mij duidelijk werden, besefte ik pas dat die jongen door ondervoeding zo dik was geworden.”


Arrestatie
“Toen ik weer thuiskwam, bleek dat mijn vader in de gevangenis zat en mijn broer vermist was aan het Oostfront. Na een paar dagen werd er opeens aangebeld. Mijn moeder en ik werden door de BS gearresteerd, terwijl we mijn zusje en jongste broertje moesten achterlaten. Ik werd meegenomen naar een bureau aan de Stadstimmertuin bij het Weesperplein. Hier moest ik mijn naam opgeven. De bewaker vroeg me toen of ik er soms onderuit had denken te kunnen komen. Ik antwoordde dat ik helemaal niets had gedacht, waarop die bewaker uit zijn slof geschoot en me begon te slaan. Vervolgens werd ik naar de Levantkade gebracht. Daar heb ik nog een vluchtpoging gewaagd, maar werd vrijwel meteen weer gepakt. Het was een verschrikkelijke tijd, met heel weinig eten en veel mishandelingen. Van de Levantkade ben ik in 1946 overgebracht naar een kamp in de Noordoostpolder. Hier werkte ik bij de boeren en moest vooral het land dorsen. Dit was vervelend werk, want het zorgde voor een brandend gevoel in de ogen, maar al met al was het daar niet slecht. In 1947 kwam ik uiteindelijk weer op vrije voeten en keerde ik terug naar Amsterdam.”

Erfgoeddrager: Cees Kleijn

‘Vader had bewondering voor het nationaalsocialisme ’

Onderzoekers Cees Kleijn en Stijn Reurs interviewden meer dan 400 Nederlandse NSB’ers en SS’ers en hun kinderen. In hun interviews bespraken Kleijn en Reurs de misstappen die mensen gemaakt hadden, maar zij vonden ook de menselijke verhalen achter de ‘foute mensen’. In dit interview het verhaal van Alexander de Wit uit de Ceintuurbaan. Jan groeide op bij zijn moeder met zijn broer en twee zussen. Zijn ouders waren gescheiden. Als zestienjarige jongen zocht hij het avontuur en meldde zich aan bij de SS.

Prettige jeugd
“Als ik nu terugkijk op mijn jeugd, kan ik alleen maar zeggen dat het een enorm prettige tijd was. Van de crisis merkten we niets. Mijn vader was een fabrikant van lichtreclame en hield van een grootse levensstijl. Zo zijn we voor de oorlog eens met de auto naar Hongarije op vakantie gegaan. Dat was in die tijd heel wat. Ook bij mijn moeder thuis aan de Ceintuurbaan hadden we het erg goed. Waarschijnlijk zal mijn vader daar wel voor gezorgd hebben.

In de jaren dertig ben ik enige tijd lid geweest van de Jeugdstorm, de jeugdclub van de NSB. Mijn moeder wilde dat ik lid werd van een jeugdvereniging en bracht me naar de Jeugdstorm. Waarom mijn moeder me juist daarnaar heeft toegebracht, dus niet naar bijvoorbeeld de padvinderij of wat dan ook, heb ik nooit geweten. Ik kan me namelijk niet herinneren dat mijn moeder zich met politiek bezighield. Toen ze bij de Jeugdstorm meer politieke bijeenkomsten gingen organiseren kreeg ik er genoeg van. Ik wilde jongen zijn en met andere jongens spelen. Voor politiek was ik nog veel te jong. Toen ben ik bij de Jeugdstorm weggegaan.”

Bewondering voor het nationaalsocialisme
“Van mijn vader kan ik me heel goed herinneren dat hij bewondering had voor het nationaalsocialisme. Hij was al heel vroeg lid geworden van de NSDAP en ging later ook bij de NSB. Als ik bij mijn vader kwam, dan vertelde hij ons over het ‘goede’ van het nationaalsocialisme. Hij zei altijd dat het de nationaalsocialisten in Duitsland was gelukt een oplossing voor de crisis te vinden en dat alle andere partijen dat niet was gelukt. Daar sprak hij vol bewondering over. Echt politiek bewust was ik niet, maar ik werd natuurlijk wel in hoge mate door mijn vader beïnvloed.”

Naar Duitsland voor de SS
“Mijn moeder heeft het mijn vader heel erg kwalijk genomen dat ik en mijn broer ons uiteindelijk aanmeldden voor de SS. Ze vond dat hij ons had opgejut om in dienst te gaan, en vond het onbegrijpelijk dat hij daar toestemming voor had gegeven. Die toestemming van hem had ik nodig, want ik was nog maar 16 jaar. Waarom ik mij aanmeldde voor de SS? Ik was jong en zag het als een groot avontuur. Toen ik in de zomer van 1940 naar Duitsland vertrok, had ik eigenlijk geen idee waar ik aan begon. Ik raakte zwaargewond aan het Oostfront. Acht jaar later zou ik pas weer thuis zijn. Ik was inmiddels 24 jaar oud.”

Erfgoeddrager: Cees Kleijn

‘Ik meldde mij in augustus 1941 voor het Vrijwilligerslegioen’

In een flatwoning in Osdorp zijn we op bezoek bij Hans, op dat moment 87 jaar oud. Na een paar telefoongesprekken besloot hij om ons uit te nodigen. Hij vertelt, terwijl zijn vrouw naast hem zit, over zijn jeugd, zijn onbezonnen stap om soldaat te worden en alle verschrikkingen die hij daarna heeft ondervonden.


De kinderen en kleinkinderen weten niets van zijn oorlogsverleden. Zijn onderscheidingen, die in de linnenkast in de slaapkamer waren verstopt, wilde hij in de Sloterplas gooien zodat zijn kinderen die nooit zouden vinden. Zichtbaar opgelucht geeft hij ze aan ons. Niets zal nu ooit nog op zijn verleden kunnen wijzen. 


De NSB
“In 1924 werd ik geboren in de Smitstraat in Amsterdam-Oost, niet ver van het Krugerplein. Ik had een hele fijne, onbezorgde jeugd, samen met mijn oudere en jongere zus. Mijn vader was van beroep onderofficier bij het Nederlandse leger, maar werd wegens een longziekte afgekeurd. Vervolgens kwam hij in dienst van de Nederlandse Spoorwegen. In 1930 werd hij ook daar afgekeurd en moest met vervroegd pensioen. De precieze beweegredenen weet ik niet, maar hij werd in 1936 lid van de NSB. Moeder volgde in 1937. Er werd veel over politiek gepraat en thuis ontvingen we de NSB-krant Volk en Vaderland. Ik groeide op in een gezin waarin het nationaal-socialisme centraal kwam te staan. Misschien kwam het door de vele joodse vluchtelingen die vanuit Duitsland naar Nederland waren gevlucht. Velen van hen kwamen namelijk in Amsterdam-Oost wonen. Mijn ouders zeiden dat ze zich daardoor niet meer prettig voelden in deze buurt. Ze hadden het gevoel de enige niet-joden te zijn. Om deze reden verhuisden we in 1938 naar Den Haag.”


Gepest
“Daar ging ik naar de HBS. De eerste drie jaar waren mijn schoolresultaten nog goed, maar in de vierde klas werd ik een jaar teruggezet. Dat kwam eigenlijk omdat ik het helemaal niet meer naar mijn zin had op school. Toen mijn klasgenoten ontdekten dat ik uit een NSB-familie kwam, begonnen de pesterijen en dan vooral in de pauzes en na schooltijd, als de leraren er niet tegen konden optreden. Ik ging met steeds meer tegenzin naar school. Toen in de zomer van 1941 reclame werd gemaakt voor het Vrijwilligerslegioen Nederland, een Nederlandse eenheid die met de Duitsers tegen het communisme zou gaan vechten, zag ik mijn kans schoon en wilde ik mij daarvoor aanmelden. Mijn ouders waren er echter op tegen en zeiden dat ik eerst mijn school moest afmaken, desnoods op een andere school. Toen deed ik iets waar ik later spijt van kreeg. Ik legde hun goede raad naast me neer en meldde mij in augustus 1941 voor het Vrijwilligerslegioen. Ik was toen net zeventien geworden.”


De keuring
“Van de medische keuring in Den Haag kan ik me nog een grappige gebeurtenis herinneren. We moesten allemaal, een voor een, poedelnaakt voorover buigen, zodat de keuringsarts ons kon bekijken. De jongen voor mij boog voorover en net op het moment dat de arts met zijn hoofd bij het achterwerk van die jongen was, liet hij een hele harde scheet. Die jongen kwam niet meer bij van het lachen, maar de arts was er minder van gecharmeerd waardoor hij direct weer kon vertrekken. Ik werd wel goedgekeurd, ondanks mijn geringe lengte. Twee dagen later zat ik al in de trein, op weg naar Polen, waar we onze opleiding zouden krijgen. Vele jaren later hoorde ik dat mijn vader nog vanalles had geprobeerd om mijn aanmelding ongedaan te maken, maar het had allemaal niet mogen baten. Vier jaar lang vocht ik als soldaat aan het Oostfront, en het duurde zeven jaar voordat ik weer definitief thuiskwam.”


Thuis
“Nu ik erop terugkijk, heb ik er heel veel spijt van. Nadat ik in 1948 vrijkwam uit de gevangenis, leerde ik een meisje kennen, waarmee ik later zou trouwen. We besloten naar Tuinstad Osdorp te verhuizen, waar in 1957 een hele nieuwe wijk werd gebouwd. Haar familie was ook lid van de NSB geweest en zelf was ze bij de Jeugdstorm. Ik denk dat we elkaar om deze reden erg goed aanvoelden. Toen mijn vrouw in verwachting raakte van ons eerste kind, besloten we om nooit meer over de oorlog te spreken. Mijn kinderen en kleinkinderen heb ik het nooit verteld. Als ze dan vroegen hoe ik aan het litteken aan mijn schouder kwam, dan vertelde ik dat ik als kind in een hek was gevallen. In werkelijkheid was het van een verwonding aan het Oostfront.”

 

Erfgoeddrager: Cees Kleijn

‘Bij de NSB’

In een dorpje niet ver van Amsterdam, vertelt Gerrit in het bijzijn van zijn vrouw over zijn jeugd, zijn keuzes en de ellende die het hem opleverde. Hij is dan 92 jaar oud, maar nog altijd in blakende gezondheid.

 

Hij vertelt hoe hij lid van de NSB werd omdat hij dacht dat die partij de sociale misstanden aan zou pakken en een antwoord zou geven op de dreiging van het communisme. Nadat hij echter steeds meer zag hoe de WA zich als een ordinaire knokploeg ontpopte en hoe er anti-joodse maatregelen werden doorgevoerd, kon hij zich hier steeds minder mee vereenzelvigen en bedankte hij uiteindelijk als lid van de NSB.

 

Crisis
“Ik groeide op in Amsterdam-West. We woonden eerst op de Jacob van Lennepkade en verhuisden later naar de Hoofdweg. Mijn vader werkte toen bij de PTT. In de omgeving van de Westerstraat en de Brouwersgracht legde hij telefoonbedrading aan. Hij was eigenlijk altijd verzekerd van werk, totdat de crisis in 1934 en ’35 een hoogtepunt bereikte. De Communistische Partij Nederland (CPN) speelde gretig in op de onvrede met de kreet: ‘De huren omlaag, de lonen omhoog!’ Ik herinner me dat er ongekende rellen uitbraken in de Jordaan. De mensen waren er erg arm en werden steeds meer gekort. De ellende bereikte een kookpunt. Ik zie nog voor me, als de dag van gisteren, hoe mannen wegrenden met politie op hun hielen. Het was zelfs een keer zo erg, dat een pantserwagen de Marnixstraat opreed, in de richting van de Westerstraat. Er werd toen erg veel vernield, waaronder het werk van mijn vader.”

De NSB
“Nadat de Duitsers ons land binnenvielen, sloot mijn vader zich aan bij de NSB, en later ik ook. Ik kan me nog goed herinneren hoe fel mijn vader gekant was tegen het communisme. Niet veel later kreeg ik een woning toegewezen op de Baarsjesweg. Het was in de tijd dat de WA zich steeds meer op straat liet zien en daarbij op zoek ging naar vechtpartijen met tegenstanders. Ik hield me daar eigenlijk verre van. Toen Hendrik Koot overleed, weet ik nog dat ik het een gevalletje eigen-schuld-dikke-bult vond. Het viel gewoon te verwachten na alle beperkingen en vernederingen die de joden moesten ondergaan.”

Razzia
“In 1942 zag ik van dichtbij een razzia. Ik liep in de Sarphatistraat richting de Roeterstraat en zag hoe Duitse en Nederlandse politiemensen joodse families in vrachtwagens laadden. Het was in de periode dat je steeds meer anti-joodse maatregelen doorgevoerd zag worden. Ik had moeite om dit alles met mijn eigen normen en waarden te rijmen. In die tijd geloofde ik nog dat de joden als boeren zouden gaan werken in Polen. Van de totale vernietiging van het jodendom wist ik toen nog niets, en ik denk niemand van de Nederlandse bevolking. Toch zinde het met me niets en begon ik enorm te twijfelen aan de NSB. Ik voelde me er niet meer thuis. Na lange gesprekken met mijn vader heb ik toen uiteindelijk besloten om mijn lidmaatschap op te zeggen. Mijn vader besloot om wel lid te blijven.”

Een mars van de WA door Amsterdam op 9 november 1940.

Erfgoeddrager: Cees Kleijn

‘Brieven van het Oostfront’

Honderden Amsterdammers zijn in dienst van het Duitse leger aan het Oostfront gesneuveld. De meeste Nederlandse vrijwilligers traden toe tot de Waffen-SS of het NSKK, maar het was ook mogelijk om in gewone Wehrmacht-onderdelen dienst te nemen. De marine was daarvan verreweg het populairst, maar ook meldden Nederlanders zich aan voor de lucht- en landmacht.

 

Eduard van Roekel was daar één van. In het oosten van Polen, niet ver van de grens met Wit-Rusland, sneuvelde hij in 1944. De laatste brieven die hij naar zijn broer Gerard schreef, geven een indringend beeld van de ontberingen en verschrikkingen van het Oostfront. 

Brief van het Oostfront
“Beste Gerard, ik maak het nu niet bepaald goed. Ik ben enige dagen zwaar ziek geweest en heb al die tijd in een bunker in de voorste linie gelegen. Er was geen gelegenheid om mij te vervoeren, want de Russen bleven ons maar beschieten met hun artillerie. Wij hebben hier zoveel gewonden. Het gaat hier verschrikkelijk te keer, zo erg is het nog niet eerder geweest. De granaten fluiten als gekken, dan is het net of je met honderen kanaries in een vogelkooi zit. Ik heb al aan moeder geschreven dat ik ziek ben. Ik denk dat ik nu eerst een tijdje naar een ziekenhuis ga en dat ik dan met verlof kan. Ik zal proberen of ik helemaal voor de dienst afgekeurd kan worden.”

In de zomer van 1943 schreef Eduard deze brief naar huis. Ruim een jaar eerder had hij zich in Amsterdam aangemeld voor de strijd tegen het communisme. Bij de SS wilde hij echter niet, dus was hij in het reguliere Duitse leger terechtgekomen. Na zijn militaire opleiding in Osnabrück gekregen te hebben, vertrok hij naar het front in Rusland. In een brief aan zijn broer Gerard schreef hij over de verschrikkingen van het frontleven: 

Verschrikkingen
“Het slapen in de grond breekt me op. Ik heb tot nu toe door wilskracht stand weten te houden, maar tegen zoveel vocht en ellende moet ik het afleggen. Het heeft nu lang genoeg geduurd. We moeten zoveel ontberen dat ik soms haast gek word. Alleen al als ik mij bedenk dat we thuis een kraan hebben waar je zomaar uit kunt drinken, zonder gevaar van lijkengif. Soms vraag ik me af hoe het zal wezen om weer op een stoel te zitten met zo’n steun in je rug – hier ga je maar op een hoopje aarde zitten. Op dit moment lig ik plat op mijn buik onder een wagen te schrijven. Het staat op het punt om te gaan stortregenen. Als ik ooit weer thuiskom, dan heb ik veel geleerd, ook wat ik allemaal moet waarderen. Ik wil graag weer naar huis, maar ergens ben ik ook blij dat ik dit allemaal ondervonden heb. Ik ben nu 1,75 meter groot, maar ik kan je zeggen dat wanneer ik het Stalinorgel [Russische raketwerpers] hoorde spelen, ik opeens nog maar 2 centimeter was, zo plat kroop ik tegen de aarde. Het gaat gepaard met een verschrikkelijk geluid en vuur, net als ons eigen zeslopig geschut. Daartegen is niets bestand. Als die in je buurt ontploffen, dan rukken je longen stuk. Dan kun je in een gat kruipen of je mond dicht doen, maar dat helpt allemaal niets. Voor de Russen zelf heb ik geen angst meer. De enige kracht van het leger is de enorme hoeveelheid materieel en de onontwikkeldheid der soldaten, terwijl ik altijd had gedacht tegenover een leger te staan zoals het Duitse, maar daar heb ik me sterk in vergist. Je vroeg of er veel joden onder de Russen waren. Nou, om je de waarheid te zeggen, ze lijken er allemaal op. Volgens de Russische gevangenen was Lenin goed, maar Stalin niet. De manier van Stalin om alles collectief aan de staat te onderwerpen, dat bevalt ze niet, maar voor de rest laten ze zich er niet veel over uit. Het is een zootje ongeregeld. Nu, Gerard, moet ik eindigen. Doe moeder en de anderen de hartelijke groeten. We zullen maar hopen op een spoedig weerzien. Dag, je broertje Eduard. Heil Holland!”

Nooit meer weerzien
In januari 1944 mocht hij met verlof naar Amsterdam. Het was de enige en tevens laatste keer dat hij nog naar huis mocht. Toen hij na enkele weken weer terugkeerde naar het Oostfront, was zijn eenheid verwikkeld in hevige terugtochtgevechten met het Rode Leger. Het zou niet lang meer duren voordat het noodlot ook Eduard zou treffen. Een kameraad vertelde hoe Eduard zwaargewond raakte en achtergelaten moest worden: “Van een afstand van ongeveer 80 meter zag ik hoe een Russische soldaat hem eerst van zijn horloge beroofde en hem vervolgens met zijn geweer doodschoot. Onze stelling werd door de Russen ingenomen en kon niet meer door ons heroverd worden. Zodoende weet ik niet wat er met het lichaam van Eduard gebeurd is.” Eduard was 21 jaar oud toen hij sneuvelde in het oosten van Polen. Tot op de dag van vandaag is zijn graf niet gevonden.

Erfgoeddrager: Cees Kleijn

‘Een spannende tijd die ik voor geen goud had willen missen’

Zijn dochter weet van zijn SS-verleden, maar zijn zoon niet. Hij is bang dat hij er niets van zal begrijpen en hem de rug zal toekeren.

 

Voor Eddy was de keuze voor de SS een combinatie van een zucht naar avontuur en tevens een vlucht uit een streng-katholiek milieu. Aanvankelijk was hij fel anti-Duits, maar thuis werd ook over het goddeloze communisme met geen goed woord gesproken. Toen één van zijn beste vrienden besloot om zich voor de Waffen-SS te gaan melden om zo tegen het communisme te gaan vechten, is hij meegegaan, stiekem, want hij durfde het niet aan zijn ouders te vertellen. Samen meldden ze zich op de hoek van de Dam en de Nieuwendijk. Eddy vocht vervolgens mee in de Slag om Arnhem en raakte zwaargewond. Spijt van zijn dienstneming heeft hij nooit gehad, want het was een spannende tijd die hij voor geen goud had willen missen. Wat de Duitsers echter met de joden hebben gedaan, dat is de grootste misdaad in de geschiedenis. Daarover is Eddy heel duidelijk. 

Katholiek
“In de crisisjaren werkte mijn vader bij de posterijen en hij mocht blij zijn dat hij zijn baan kon behouden. Breed hadden we het thuis echter niet en dankzij vaders werk konden we maar net aan rondkomen. Ik bezocht eerst de rooms-katholieke lagere school en vervolgens de rooms-katholieke Ambachtsschool Don Bosco aan de Polderweg in Amsterdam-Noord, waar ik leerde voor elektricien. Mijn ouders waren streng gelovige rooms-katholieken en het geloof ging dan ook voor alles. Om die reden waren mijn ouders dan felle tegenstanders van het nazibewind.”

Arrestatie door de SD
“In 1941 ben ik als leerling-monteur in dienst getreden van de NV Willem van Rijn, gevestigd op de Haarlemmerweg in Amsterdam. Van de NSB, die zich in die tijd steeds meer liet zien, moest ik niets hebben. Dat blijkt ook wel uit het feit dat ik op 31 augustus 1942 door de SD werd gearresteerd en naar de Euterpestraat werd overgebracht omdat ik propagandaposters van de muren had gescheurd. Op die posters stond dat Duitsland won op alle fronten. Na enige uren met mijn armen in de hoogte en mijn neus tegen de wand te hebben gestaan, werd ik kort verhoord en vervolgens vrijgelaten. Ik denk dat mijn leeftijd een rol heeft gespeeld. Ik was toen nog geen zeventien.”

Aanmelding voor de SS
“Op mijn werk bij Van Rijn werkte een Duitse jongen waar ik veel mee optrok. Samen bezochten we vaak theaters waar dan ook veel Duitse propaganda werd getoond. Langzaam begon het avontuur mij steeds meer te trekken. Deze jongen had een grote invloed op me en had mij meerdere malen verzocht om samen met hem in Duitse dienst te reden, want hij zou toch opgeroepen worden. Nadat hij die oproep uiteindelijk kreeg, heeft hij mij overgehaald om te gaan tekenen voor de SS op de hoek van de Dam en de Nieuwendijk. We gingen er samen naartoe. Dit moet in september 1943 zijn geweest. In dit aanmeldingsbureau werd ik echter afgekeurd omdat ik brillendrager was. Toen zeiden dat ze dat ik wel goedgekeurd zou worden voor de Landstorm Nederland, en daar heb ik dan ook voor getekend. In januari 1944 zou ik voor de dienst opgeroepen worden. Ik heb mijn ouders hiervan niet durven verwittigen, omdat mijn vader fel anti was en mij zeer zeker de benen gebroken zou hebben. In december 1943 vroeg ik bij Van Rijn mijn ontslag aan, maar ik durfde het niet aan mijn vader te vertellen en ging iedere morgen op normale wijze de deur uit, alsof ik nog werkte. Dit heb ik ook gedaan op de dag dat ik naar de SS vertrok. Toen ik ’s avonds maar niet thuis kwam, is mijn vader gaan zoeken en hoorde toen van mijn werkgever dat ik mij voor de SS had gemeld. Tijdens mijn eerste verlof, in juli 1944, durfde ik aanvankelijk dan ook niet naar huis te gaan, maar besloot mijn fout tegenover mijn ouders te erkennen. Voor het nationaal-socialisme en ook voor NSB’ers heb ik nooit enige sympathie gehad. De reden dat ik voor de SS heb getekend, is louter een zucht naar avontuur geweest.

Eddy op de Duitse militaire begraafplaats in Ysselsteyn bij Venray. Hier bezoekt hij de graven van gesneuvelde kameraden.
Een afbeelding van de poster die Eddy verscheurde

Erfgoeddrager: Cees Kleijn

‘Verschrikkingen van het Oostfront’

Cor kwam uit een gezin van negen kinderen. In 1941 ging hij, net als zijn oudere broer, naar Duitsland om daar te werken. Ze kwamen ieder in een andere stad terecht en zonder het van elkaar te weten, meldden ze zich op dezelfde dag voor het Vrijwilligerslegioen Nederland. Hij hoopte meer geld te verdienen om zo zijn familie te kunnen ondersteunen. Zijn oudste broer sneuvelde in de loopgraven voor Leningrad, terwijl hij zelf meerdere malen zwaargewond raakte. Hij overleefde de oorlog en er gaat geen dag voorbij of de ras-Amsterdammer denkt terug aan de verschrikkingen van het Oostfront. Vier jaar lang zag hij ellende, dood en verderf. Het maakte hem tot een grote pacifist. Hij verafschuwt oorlog en iedere vorm van discriminatie. Mensen zijn namelijk overal hetzelfde. 

 

Aan het front in Rusland
“‘Boem-boem, boem-boem.’ Ik moest van Zijlstra, mijn compagniechef, mee naar voren, op een verkenningstocht, en toen kwamen die granaten bij ons neer. Bij iedere inslag dook ik zo naar de grond toe, en nog steeds weet ik heel goed wat ik op die momenten dacht: jezus, waar ben ik aan begonnen? Je kunt je er geen voorstelling van maken. Je kwam midden in een regen van granaten terecht. Dat is echt niet niks hoor. Sommigen deden het in hun broek van angst, en het ging maar door: ‘Boem-boem, boem-boem.’ Ik dacht: jezusmina, zeg. Het was op grond waar de Russen vrij uitzicht op hadden. Nee, helden heb ik niet ontmoet, wel mensen die durfden. De moedigste mensen zijn degenen die hun angsten onder controle hebben. Die heb ik wel ontmoet, maar dat was ik niet, hoor. Ik heb wel meegedaan. Ik ben ook zes keer gewond geraakt. Ik deed mee aan het gevecht, maar ik voelde me geen held. Integendeel, ik heb ontdekt dat de mens in staat is om iets te doen, zonder dat hij het eigenlijk weet, als in een roes. Ik moest eens aanvallen en opeens, alsof mijn ogen opensprongen, realiseerde ik mij dat ik me niet kon herinneren wat ik daarvoor gedaan had. Ik werd als het ware wakker. Als nu iemand tegen mij zou zeggen: ‘Ik wist niet wat ik deed’, dan weet ik dat het echt bestaat.”

Het sneuvelen van mijn broer
“Op een dag, toen we in de loopgraven voor Leningrad lagen, kreeg ik het bericht dat mijn broer, die in een andere compagnie diende, getroffen was. Ik ging naar hem toe en zag hem liggen, met het schuim op zijn mond: ‘Neem me mee, neem me mee…’ Een kameraad heeft hem weggehaald uit het niemandsland. Die is gaan kruipen, met mijn broer erbovenop, want de Russen lagen heel dichtbij. Onderweg is hij gestorven. Vreselijk. Ik bleef maar huilen. Dan dacht ik aan mijn broer, en dan ging ik weer. Ik zag eruit, joh. De commandant zei: ‘Sie müssen mal mit Urlaub.’ Ik kon meteen mijn zootje pakken en naar de trein toe, naar huis. Het hielp niet veel. Mijn moeder was kapot van verdriet. Ja, dat is over de hele wereld hetzelfde, over de hele wereld. Elke moeder reageert hetzelfde. Ik weet dus dat ik daar toen ook al over nadacht, dat de mensen waartegen je vocht, dat dat in principe je vrienden waren. Ze waren hetzelfde als jij en deden hetzelfde als jij. Ik besefte dat mensen gelijk waren. Een Duitser was net als een Engelsman. Ik weet nog dat ik, vele jaren later, eens een interview zag met een Amerikaan die aan de invasie in Frankrijk had deelgenomen. Hij zei, en dat trof mij zo, dat hij zo enorm bang was, want hij moest het strand oprennen terwijl de Duitsers met hun machinegeweren achter de duinen lagen. Ja, en toen stal hij mijn hart. Ik dacht: jij bent een eerlijke vent. Dezelfde angsten heb ik ook meegemaakt. Ik ben zo bang geweest dat ik in de aarde wilde kruipen van angst. Want ze schoten, ze schoten op mij.”

De foto’s zijn van het Vrijwilligerslegioen Nederland, waar Cor bij diende, in Rusland, zomer ’42.

Erfgoeddrager: Cees Kleijn

‘Afschuwelijke tijden’

André is 89 jaar oud als we hem spreken. Na aanvankelijk zeer geschrokken te zijn, besluit hij voor het eerst over zijn oorlogsverleden te praten en gaat hij met een interview akkoord. Tijdens ons bezoek vertelt hij honderduit over zijn jeugd, de armoede in Amsterdam-Noord en de intocht van de Duitsers. Hij was hiervan zo onder de indruk, dat hij ook soldaat wilde worden. In de zomer van 1943 stapte hij op zeventienjarige leeftijd het aanmeldingsbureau van de Waffen-SS op de hoek van de Dam en de Nieuwendijk binnen. De Waffen-SS was in zijn ogen een elitetroep, en hij vertelt hoe door velen van hen werd neergekeken op NSB’ers en Landwachters, die het land ‘op een gore manier aan het judassen’ waren. Na de oorlog besefte hij in volle omvang de misdaden die door het nazibewind waren begaan, en zegt dat hij het verschrikkelijk vindt wat er allemaal is gebeurd. 

 

Vader werkloos
“Ten tijde van de crisis kwam de ellende gewoon als een wals over je heen. Je kon er niks tegen doen, helemaal niks. Ja, dat waren hele slechte tijden. Wij hadden ook geen fietsen. Mijn vader maakte van drie of vier oude fietsen een fiets voor mij, zodat ik naar school kon gaan aan de Polderweg in Amsterdam-Noord. Wat zijn ogen zagen, maakten zijn handen, en zo’n man kon dus geen werk krijgen. Dat was afschuwelijk. Dan zat hij maar thuis. Ik herinner van mijn vader dat hij jarenlang in een stoel voor het raam zat. Daar zat hij dan maar in, want werk was er niet. Iedere morgen meldde hij zich bij de Amsterdamse Droogdok Maatschappij (ADM) in de Meeuwenlaan, om maar naar werk te vragen. Dan was er wel eens iemand die bijvoorbeeld griep had gekregen en dan kwam de directeur, meneer Veninga, naar de poort toe en pikte hij de mensen eruit die hij nodig had. Daar was mijn vader ook wel eens bij, en dan had hij weer voor twee of drie dagen werk en daarmee ook weer wat centen op zak. De steun was dan wel weer zo leuk om daar nog wat vanaf te halen, zo ging dat. Het was een zeer slechte tijd. Men kan zich dat nu eigenlijk niet meer voorstellen.”

Grote armoede
“Mijn vader en moeder waren er erg op beducht dat we geen steunkleding hoefden te dragen, want je tenen waren dan rood en je hakken waren rood. Als we dan gymnastiek hadden, dan moest je je schoenen uitdoen en dan kon iedereen zien wie de kinderen van werkelozen waren. Eerst kregen de mensen schoenen, hoge schoenen, maar dat werd naarmate de crisis vorderde te duur, en toen kwamen ze op klompen te lopen. Als de school dan weer begonnen was, hoorde je de hele straat op van die klompen lopen. Je had broekjes en hemden, ook van de steun, en die waren allemaal hetzelfde. Als je voor de klas stond, kon je zo het aantal kinderen van werkelozen tellen. Die hadden allemaal hetzelfde hemdje en broekje aan, en dan ofwel schoenen ofwel klompen. Het waren afschuwelijke tijden, moet ik wel zeggen.”

Rellen in Amsterdam-Noord
“Men was in opstand, men was gewoon in geestelijke opstand. Men wilde het anders hebben. We hebben ook gevechten gehad met de politie tijdens die opstand in Amsterdam-Noord, straten opengebroken, beroven van vrachtauto’s die vlees rondbrachten in de stad. De mensen stond de ellende tot ver boven de lippen. De Sneeuwbalstraat is diverse malen opengebroken, lantaarnpalen naar beneden, en er werd slag geleverd: eerst met de politie, die was er niet tegen opgewassen, toen kwam de marechaussee, die was er ook niet tegen opgewassen, en toen kwamen de Huzaren van Boreel, te paard. Die hebben met van die hele lange gummikuppels vanaf hun paard een heleboel mensen in elkaar geramd. Al die werkelozen. Je moet je voorstellen dat die allemaal barstten van de honger, hadden geen weerstand, daar was makkelijk tegen te vechten. Er werd ook geschoten in die periode, met een pistool, door de politie of door de marechaussee, ik weet het niet precies meer, en toen is een vriend van mij in zijn hoofd getroffen door een afketser van de muur en hevig bloedend, in paniek, de straat opgerend. Hij bloedde werkelijk verschrikkelijk. Toen is daar een opstand geweest rondom die jongen, niet te geloven, want ze vielen toen nog eens een keer de politie en de marechaussee aan, omdat zij die jongen hadden geraakt. Ja, dat was een hele toestand, enorm emotioneel. Het was een schoolkameraadje van mij. Hij zat bij mij in de klas. Die jongen is gelukkig blijven leven en werd ter plekke verzorgd door een arts. Ja, gelukkig heeft hij het overleefd.”

Social Media


Meer zien van onze programma's en op de hoogte blijven van het laatste nieuws?
Volg ons op social media:

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

+31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892