Erfgoeddrager: Brechtje

‘Door de hemel gezonden met kaarsen’

Wij hebben Ruud Jansen geïnterviewd in zijn woning in Amstelveen. We vonden het heel bijzonder dat meneer Jansen vertelde dat als hij in dezelfde positie had gestaan als zijn vader, hij ook bij het verzet zou zijn gegaan. Ook vonden we het heel mooi dat hij nog veel spullen uit die tijd had om aan ons te laten zien.

Hoe was het voor u om verraden te worden?
‘Mijn vader zat in het verzet. Na drie jaar ondergedoken te hebben gezeten is hij verraden. We werden allemaal opgepakt op 6 april 1943. ’s Nachts kwamen ze binnenvallen. De Duitsers bonkte op de deur en riepen: “Aufmachen, aufmachen!” Ze drongen het huis binnen, met hun lange, zwarte, leren jassen. Ik en mijn broertje lagen boven te slapen. Ze kwamen binnenstormen in mijn kamertje. Ze vroegen hoe ik heette. Angstig vertelde ik ze mijn naam. We wisten meteen dat het mis was. Mijn jongste broer en ik werden van mijn vader en moeder gescheiden en naar een weeshuis gebracht, in Eerbeek. Ik voelde mij daar erg ongelukkig. We wisten namelijk helemaal niks. We wisten niet waar mijn ouders waren, wanneer we ze weer zouden zien en of we ze ooit nog zouden zien.’

Wat dacht u toen uw vader gevangen werd genomen?
‘Toen ik hoorde dat mijn vader gevangen werd genomen dacht ik: “Nu is het afgelopen.” Maar wat er zou gebeuren, wat ze met mijn vader zouden doen, wist ik natuurlijk niet. Ik heb mijn vader daarna ook nooit meer gezien. Mijn vader zat gevangen in het Oranjehotel. Hij mocht heel af en toe een brief schrijven. Ik heb nog drie brieven uit die tijd die hij heeft geschreven. Hij schreef hele optimistische brieven: “Doe je best op school en zorg goed voor je moeder.” Altijd: “Veel kussen van je vader,” aan het einde van elke brief. In oktober 1943 is hij gefusilleerd. In de ochtend werd hij doodgeschoten. Vlak voordat hij doodgeschoten werd mocht hij nog een afscheidsbrief schrijven en een sigaret roken. We kregen de afscheidsbrief pas een paar dagen later.’

Hoe zijn jullie de Hongerwinter doorgekomen?
‘Na onze onderduikperiode ging mijn moeder met vijf kinderen terug naar Amsterdam en woonde we in de Scheldestraat. Toen het voedsel minder werd, trokken mensen vanuit de stad op de fiets richting het platteland. Ze gingen langs de boeren om voedsel te halen. Boeren wilden eten geven, in ruil voor spullen. Mijn moeder is vaak met spullen naar de boeren gegaan. De hongertocht noemde ze dat. Op een dag was ze op de weg terug naar huis toen ze langs de laatste boerderij fietste. Ze klopte aan, maar het was stil en niemand deed open. Ze liep achter het huis langs en zag daar een oude boer zitten. Hij zat daar te huilen, want zijn zoon was overleden. Hij huilde, omdat hij niet eens mooie kaarsen aan kon steken naast het opgebaarde lichaam. Mijn moeder had juist kaarsen bij zich en ruilde deze steeds in voor voedsel. Ze zei: “Ik denk dat ik door de hemel gezonden ben, ik heb kaarsen bij me.” De boer was ontzettend blij en heeft haar toen een heleboel eten meegegeven.’

Social Media


Meer zien van onze programma's en op de hoogte blijven van het laatste nieuws?
Volg ons op social media:

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

+31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892