Erfgoeddrager: Babette

‘In een koude storm werd ik achterop de fiets bij mijn vader naar Rozenburg gebracht.’

In de oorlog leert de vader van Kees Zijderveld hem dat de Duitsers slecht zijn en zij, de geallieerden, goed. Pas veel later kwam hij erachter dat niets zwart of wit is, maar dat er veel grijstinten zijn. In het begin van de oorlog lijkt het gewone leven gewoon door te gaan. Kees maakt soms spannende dingen mee, maar hij is natuurlijk ook gewoon een kind. Dus na een spannende dag valt hij in slaap en gaat de volgende dag weer spelen. Pas in de hongerwinter wordt het door de schaarste steeds grimmiger.

Wat was het spannendste dat u mee heeft gemaakt in de oorlog?
Wij woonden aan de Laan van Poot. Ik was 8 jaar en samen met mijn moeder hoorden we thuis het luchtalarm afgaan en we zagen vliegtuigen aankomen door het grote woonkamerraam.  Mijn moeder vertrouwde het niet helemaal en zei dat we onder de trap moesten gaan zitten. Mijn moeder had net de deurklink vast om naar de gang te gaan toen een granaat door de voorruit naar binnen knalde. En terwijl wij onder de trap doken ontplofte de granaat. Pas toen het luchtalarm weer stil werd, zagen we wat voor geluk we hadden gehad. Het raam, waardoor we naar de vliegtuigen keken, was helemaal kapot. De gordijnen, een schilderij, het tapijt en de vloer waren ook totaal vernield. Maar wij waren ongedeerd.

Kent u mensen die ondergedoken zaten?
In 1943 kregen we een brief waarin stond dat we ons huis uit moesten. Wij gingen naar de Stephensonstraat, bij de Laan van Meerdervoort. Een heel groot mooi huis. Aan de ene kant woonde meneer Stoutjesdijk. Dat vonden wij een toepasselijke naam, hij was namelijk een NSB’er. Er hing veel propaganda aan zijn ramen. Aan onze andere kant woonden verzetsmensen. Wat zij deden weet ik niet, want daar spraken we nooit over. Op een middag hoorde ik in het kantoor van mijn vader gitaarmuziek en gezang. Het was erg mooi, maar het was zeker niet mijn vader. Ik durfde niet naar binnen te gaan. Mijn moeder was in de keuken en ik vroeg haar wie er op het kantoor zat te zingen. Dat was een Indische jongen. Hij heette Boy. Hij is maar twee of drie dagen gebleven. Dat hij zo kort bleef, had vooral met buurman Stoutjesdijk te maken. Het was gewoon te gevaarlijk.

Hoe was de hongerwinter voor u?
We hadden erg veel honger. We aten niets anders dan twee droge boterhammen per dag. Via een kennis van mijn vader, een dominee in Rozenburg, werd er een oproep in de kerk gedaan; wie er een mager 10-jarig jongetje uit de stad wilde opnemen, om wat eten te geven. En zo kwam het dat ik op 1 februari 1945 in een koude storm achterop de fiets bij mijn vader naar Rozenburg werd gebracht. Daar kwam ik in een arbeidersgezin. Deze mensen werkten allemaal op boerderijen in de omgeving. Bij aankomst mochten mijn vader en ik meteen mee-eten. Aardappelen in de ene schaal en vette jus in de andere. Je pakte een vork, prikte je aardappel eraan en haalde de aardappel door de jus en at het op. Ik had al een hele tijd niet goed gegeten. Toen ik mijn vader even later uitzwaaide op de dijk moest ik midden op de dijk overgeven. En dat kwam niet doordat ik het zo erg vond dat mijn vader wegging, maar doordat mijn lichaam het vet en de aardappelen niet meer gewend was. Ik ben 4 maanden op Rozenburg gebleven. Dus tot en met de bevrijding. Het was voor mij een goede tijd. Ik had te eten, ik mocht naar school, kreeg daar vrienden en ik leerde het boerenleven kennen. Dat vond ik heerlijk. Ik wilde ook niet terug naar Den Haag. Het boerenleven paste zo goed bij mij dat ik daar ook mijn werk van heb gemaakt.

 

 

Social Media


Meer zien van onze programma's en op de hoogte blijven van het laatste nieuws?
Volg ons op social media:

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

+31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892