Erfgoeddrager: Anais

‘Ik schaamde me niet voor mijn NSB-vader en ook niet voor de gemeentestempel op mijn kleren’

Truus Schutte was twaalf toen de oorlog begon. Met een vader die bij de NSB zat en als jongste van  een gebroken gezin van acht kinderen bekijkt ze de oorlogsperiode toch niet als zwaar. Anais, Noor en Jona van de Rosa Boekdrukkerschool gingen op bezoek en aten tijdens het vragen stellen Truus’ favoriete gebak: tompouce.

Wat was het ergste dat u in de oorlog heeft meegemaakt?
Dat mijn broer Arie van Soest, die in het verzet zat, middenin de nacht werd weggehaald van huis. Hij zat eerst in de gevangenis bij het Leidseplein. Via hele dunne sigarettenpapiertjes, verstopt in kleding, konden we berichten aan ‘m sturen. Sms en whatsapp had je niet. Later ging hij via Vught naar kamp Dachau. Daar is hij erg mishandeld, maar hij ging niet zoals velen anderen naar de gaskamer. Hij kwam na de oorlog terug! Het was de eerste keer dat ik mijn moeder zag huilen, toen hij de straat in werd gereden in een wagen vol kaal geschoren jongemannen. Verder hebben wij het niet heel moeilijk gehad in de oorlog. Honger was er niet echt. We gingen wel op de fiets naar de boeren om om eten te vragen. We waren arm thuis, maar ik mocht altijd iemand meenemen om mee te eten. En tja, ik groeide uit m’n gymjurk (je had toen een jurk voor gym) en kreeg geen nieuwe. Maar heel erg is dat niet.

Hoe was het om in de oorlog te leven?
Het gewone leven ging ook gewoon door. Feestjes, buiten spelen, naar school gaan en werken. Om ons heen gebeurden wel erge dingen. We wisten dat alle Joodse mensen in een aparte wijk moesten wonen. We zagen de vliegtuigen overgaan, we hoorden het beschieten. Mijn broers gingen dan na afloop het dak op om granaatscherven te zoeken. Vlakbij de Dam werden fietsen afgepakt door de Duitse soldaten. Een meisje van school moest daar erg om huilen. Ze pakte ‘m terug en is er snel mee weggereden. Als ze hadden gewild, hadden ze op haar kunnen schieten. Dat besef je niet als kind. Je was blij dat er snoepbonnen waren. Ik mocht van de meneer van de snoepwinkel in onze straat een half uurtje voor openingstijd al wat lekkers halen. Hij vond me vast lief, of zielig. En ik herinner me dat we hout nodig hadden voor de kachel. Een keer hebben stiekem we een groot stuk hout uit de schuilkelder onder de Rozengracht meegenomen. Bleek er bij thuiskomst allemaal poep op te zitten! Mensen gebruikten die kelders kennelijk ook als wc.”

Fotografie: Shirley Brandeis

Uw vader was NSB’er, hoe vond u dat?
Allereerst ben ik niet opgegroeid bij mijn vader. Hij ging bij ons weg toen ik een baby was. Eén keer zag ik hem in uniform staan op de Rozengracht. Hij leek op mijn oom. Maar ik durfde niet naar hem toe te gaan. Ik schaam me er niet voor, ik zat niet bij de NSB. Ik schaamde me toen ook niet voor mijn kleren met een stempel erop. Dat was kleding die je van de gemeente Amsterdam kreeg als je arm was. De stempel was om te voorkomen dat mensen die kleren gingen verkopen. Ik liet het gewoon zien: kijk een stempel! En weet je, niet alle Duitsers waren slecht. Een buurman van ons liep na spertijd buiten zonder ‘ausweis’, een soort paspoort.  Een Duitse soldaat vroeg hem erom en de buurman nam hem mee naar huis om het te halen. Toen de soldaat zijn gezin zag, zei hij dat het in orde was. Veel soldaten waren ook maar huisvaders die niet wilden  vechten. Heel veel mensen wilden geen oorlog.

Erfgoeddrager: Anais

‘Dat was de eerste keer dat ik mijn vader heb zien huilen.’

In de ochtend van 10 mei 1940 hoort José Van den Broek vanuit bed gedonder in de verte. Het blijken Duitse vliegtuigen. Eén van deze toestellen wordt door het luchtafweergeschut geraakt en valt in stukken naar beneden. De motor komt bij José in de straat terecht. In de dagen die volgen, slaapt José uit angst met haar ouders en haar jongere tweelingzusjes op matrassen in de woonkamer.

Waar zat u op school tijdens de oorlog?
Ik zat op de Liduinaschool in de Amalia van Solmsstraat. In augustus 1939 werd onze school ontruimd in verband met de mobilisatie. Het schoolgebouw veranderde in een volledige kazerne. Er werd zelfs een bomvrije schuilkelder aangelegd. Wij moesten naar een andere school in Voorburg. Een maand na de capitulatie werd de school weer vrijgegeven en gingen we terug alsof de kazerne er nooit was geweest.

Wat aten jullie tijdens de Hongerwinter?
Mijn vader had een aantal zakenrelaties in Friesland en Groningen die per boot zakken meel en ander eten naar ons stuurden, zodat we toch iets hadden. Dit konden we dan ophalen in de Laakhaven. Onze gewone kachel hadden we ingeruild voor een majokacheltje. Tijdens de hongerwinter pofte mijn moeder tulpenbollen op dat kacheltje, dat smaakte echt hartstikke lekker! Ik was altijd heel pietluttig met eten en die suikerbieten vond ik smerig, maar die knapperige tulpenbollen waren heerlijk. Aan het einde van de hongerwinter kregen we Zweeds wittebrood, dat was zo’n heerlijkheid, dat smaakte naar cake.

Wat herinnert u zich van het bombardement op Bezuidenhout?
Ik ging altijd met mijn ouders naar de Liduinakerk aan de Schenkkade.  De kerkklokken hadden de Duitsers trouwens weggehaald, deze smolten ze om tot oorlogsgeschut. Zo gingen mijn ouders en ik ook die zaterdag 3 maart 1945 naar de mis. Mijn twee zusjes bleven thuis met het dienstmeisje. De kerkdienst was amper begonnen, toen we vliegtuigen hoorden overvliegen die bommen lieten vallen. Het was een hels kabaal met felle lichtflitsen. Eén van de bommen had de torenspits van de kerk geraakt, die viel naar beneden. Toen het even stil was, begonnen mensen naar buiten te rennen, niet wetende dat er nog een tweede aanvalsgolf kwam. Mijn ouders en ik renden op tijd weer naar binnen, waar we schuilden in het portaal van de kerk. Mijn vader stond over ons heen gebogen terwijl er brokstukken naar beneden vielen. Nadat de vliegtuigen waren vertrokken en we naar buiten durfden, zagen we overal lichamen van mensen die na die eerste aanvalsgolf de kerk hadden verlaten. Dat beeld raak je nooit meer kwijt. We liepen zo snel mogelijk naar huis, waar bleek dat mijn zusjes en het dienstmeisje ongedeerd waren omdat ze in de kelder hadden geschuild. Ons hele huis hing scheef, de kerk op de hoek en de huizen achter ons stonden in brand, dus we besloten te vluchten naar het huis van mijn grootouders in Voorburg. We hadden helemaal niets meer, alleen de kleren die we aanhadden. Na een tijdje kregen we een brief; we mochten terug naar ons huis in het Bezuidenhout om te kijken wat er over was van onze spullen. Alles bleek verkoold of kapot. Dat was de eerste keer dat ik mijn vader heb zien huilen.

Social Media


Meer zien van onze programma's en op de hoogte blijven van het laatste nieuws?
Volg ons op social media:

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

+31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892