Erfgoeddrager: Amir

‘Mijn fiets stond in de badcel, anders werd ie gestolen’

Yassin, Amir, Maroua en Oumaima doen er tien minuten over om van hun school, de Zeven Zeeën in Amsterdam-Noord, naar het huis van Gré Arkenbout te lopen. Ze heeft een traplift in haar huis waarmee ze zelf omhoog gaat. Amir wil het wel eens proberen. Het lijkt net de Efteling, vooral die hoek om ging echt snel. Mevrouw Arkenbout is opgegroeid in Amsterdam-Oost in de Indische Buurt, maar haar opa en oma woonden in Durgerdam. Haar vader werkte bij de NDSM in Amsterdam-Noord.

Kon u nog gewoon naar school?
‘Ik zat op de Anthonie van Diemenschool aan het Javaplantsoen in Amsterdam-Oost. Dat was vlak om de hoek van waar ik woonde. In de eerste jaren van de oorlog was alles nog heel gewoon, maar in 1942 is onze school een tijd geëvacueerd geweest. We kwamen toen terecht in een school bij de Polderweg. Daar was een heel groot open terrein met hekken erom heen. Het was vlak bij het Muiderpoortstation. Nu is daar alles volgebouwd met huizen. Op dat open terrein werden allemaal Joodse mensen bij elkaar gebracht om op de trein gezet te worden richting Westerbork. Toen we uit school kwamen zagen we daar al die mensen staan. Wij waren nieuwsgierig, en bleven staan kijken. Ik begreep wel dat er iets aan de hand was, maar wat nou precies, dat wist je niet. De volgende morgen moesten we weer naar school, toen waren er weer allemaal andere mensen die in de treinen werden gestopt. Er zat in mijn klas één Joods meisje, ik weet nog precies hoe ze heette: Liesje de Haas. Op een dag was ze er gewoon niet meer. Er was niemand die daar iets van zei. Je was niet zo vrij op school als nu, je ging niet vragen: waar is Liesje nu? Ik wist het eigenlijk wel, maar er werd niet over gesproken.’

Had u ook wat om mee te spelen thuis?
‘Ik had veel boeken, lang niet alle kinderen hadden dat. Ik heb ze nog steeds en ik ken hele bladzijden uit mijn hoofd. Boeken en ook spelletjes zoals Monopoly. Ik had ook een kat, Japie heette die, ze sliep bij mij in bed. En een fiets, al toen ik 6 jaar was. Maar die was niet om mee te spelen. Dat was enkel een vervoermiddel. Hij stond in de badcel, anders werd ie gestolen. Later stond ie ook in de woonkamer, als we hard trapten op de pedalen hadden we licht.’

Had u ook honger tijdens de Hongerwinter?
‘In 1944 toen er weinig voedsel was, gingen mensen langs boeren in Noord-Holland om spullen te ruilen voor eten. Ik ben twee keer mee geweest met mijn vader met zo’n tocht op mijn fiets. De eerste keer ging het nog heel goed, het was natuurlijk een heel eind maar ik was sterk en kon goed fietsen. We kwamen met meel en tarwe thuis zodat mijn moeder brood kon bakken. Aardappels en groente hoefden niet zo want mijn grootouders woonden in Durgerdam en daar hadden we een tuin. De tweede keer was een tijd later, de banden van mijn fiets waren toen al versleten. Ik kreeg massieve banden. Dat fietste heel zwaar, waardoor ik veel moeite had om terug te komen dus dat was echt de laatste keer. Mijn vader ging nog wel alleen. Hij moest dan oppassen dat ze bij de pont niet alles van hem afpakten, want dat gebeurde ook regelmatig. Mijn moeder was een beetje gezet, zoals ik nu, en ze had een wijde bruine jas. Aan de binnenkant van haar jas had ze aan iedere kant twee zakken genaaid. Ze liep dan vanuit Oost via de pont naar het boerderijtje van mijn grootouders in Durgerdam. Daar vulde ze haar zakken met flessen melk. Ze was dan de hele dag weg voor vier flessen melk.’

Heeft u ook een bombardement meegemaakt?
‘In 1943 gebeurde dat, ik was toen 11 jaar oud. Op een ochtend ging ik met mijn vader heel vroeg met de fiets van Amsterdam-Oost naar mijn grootouders in Durgerdam. We namen de pont en mijn vader ging bij de Meeuwenlaan de andere kant op, naar zijn werk bij de NDSM. Ik fietste voor de eerste keer alleen verder naar Durgerdam. En precies deze dag is er gebombardeerd bij de Fokkerfabriek in Noord. Op de hoek van de Meeuwenlaan waar ik langsgefietst ben, is een bom gevallen. Mijn familie was heel ongerust. Ik had zelf niet zo in de gaten wat er aan de hand was. Het viel me wel op dat er overal mensen op straat waren. Ik had eigenlijk maar één doel: alleen op de fiets naar opa en oma en dat was al spannend genoeg’

Erfgoeddrager: Amir

‘Daarna maakten we geen ruzie meer over het boekje’

Gerrie van Breugel was vierenhalf toen de oorlog begon. Zij woonde met haar ouders en twee broers op een boerderij aan de Loostraat. Daardoor heeft ze geen honger gehad en kwamen er veel buurtbewoners melk, eieren, aardappelen en vlees halen. Aan de hand van de vragen van Amir, Yao Yao en Guusje van basisschool ’t Karregat kan Gerrie, die met haar man naar ‘t Oude Raadhuis is gekomen voor het interview, goed vertellen over hoe ze de oorlog heeft beleefd.

Kon u naar school in de oorlog?
‘ ‘s Morgens gingen we naar school. Daar maakten we sommen met een griffel op een lei. Als de sommen waren gecontroleerd, moest je de griffel weer schoonvegen voor de volgende keer. We hoefden ‘s middags niet naar school, omdat er ook Duitse soldaten woonden in het schoolgebouw. In de oorlog werd de school verwoest, daardoor kon ik pas in 1947 weer hele dagen naar school. Als ik vrij was, hielp ik mijn ouders op de boerderij met het melken van de koeien, het oprapen van de kippeneieren en het scheren van de schapen.’

Vielen er veel bommen?
‘De ergste bommen waren de Duitse V1-bommen. Deze bommen maakten een fluitend geluid totdat de brandstof op was en dan hoorde je een hele harde knal en was de bom ergens ingeslagen. Daar zag je dan een gat waar wel een huis inpaste, zo groot. Het hele huis trilde als er bommenwerpers laag overvlogen. We moesten dan de schuilkelder in achter in de tuin; een groot gat in de grond waar balken op lagen en daar weer zand en gras op, zodat niemand kon zien dat er een schuilkelder was. Daarbinnen hadden we een olielamp en bankjes. Het was wel spannend, zeker als je dus die fluitende bommen hoorde overkomen. Soms zat ik wel een week in de schuilkelder en moest ik daar dus ook slapen. Dat was niet fijn. Op 6 december 1942 was er een groot bombardement in vooral het centrum van Eindhoven, gericht op de Philipsfabrieken in Strijp. Vanaf ons huis zag je ’s avonds de rook en een rode gloed van de brand. Dat vond ik heel erg eng. Mijn broertjes en ik hadden van de Sint een boekje gekregen over rode schoentjes en we maakten ruzie over wie als het als eerste mocht lezen. Mijn moeder zei dat we geen ruzie moesten maken, omdat er veel ouders en kinderen in de stad gewond waren geraakt of waren omgekomen. Toen we dat hoorden, werden we erg stil en hebben we geen ruzie meer gemaakt over het boekje.’

Wat speelden jullie in de oorlog?
‘We deden met de kinderen uit de buurt buiten spelletjes met een bal. Die maakten we zelf van papier en een oude fietsband. Van die band maakten we reepjes, die om het papier heen werden gebonden. Zo konden we trefballen en voetballen. Ook deden we aan zaklopen en touwtje springen. We hadden geen speelgoed in die tijd. We hadden ook geen goede fietsbanden. Van een tuinslang werden fietsbanden gemaakt. Het fietste niet echt geweldig, het ging van ‘knots, knots, knots’ en dat vonden wij erg grappig. Minder grappig was die keer dat ik bij de kerkklok stond. De Duitsers hadden de klok van de Martinuskerk gehaald om munitie van te maken. Iemand had een tekst op die klok geschilderd en ik stond daar even bij te kijken toen er Duitsers aankwamen. Ze pakten mij stevig bij mijn schouder vast en vroegen of ik dat had gedaan. Één soldaat kneep erg hard en dat deed veel pijn. Toen ik zei dat ik dat niet had gedaan, liet hij mij los. Ik ben toen huilend snel naar huis gelopen, omdat ik bang was dat hij mij zou meenemen.’

Hadden jullie onderduikers in huis?
‘We hadden twee onderduikers in de schuur. Een keer belden Duitsers aan met de vraag of ze daar mochten slapen. Ik was bang dat ze zouden ontdekken dat we Joden in huis hadden en ze dan ons zouden oppakken. De soldaten sliepen beneden in de stal en boven hen op het stro lagen de onderduikers. Ze zijn niet ontdekt. Die onderduikers kwamen via De Pan bij ons. Dat was een organisatie die onderdak regelde voor onderduikers. Gelukkig was de oorlog in het najaar van 1944 voorbij. We zagen veel parachutisten in de lucht en wisten zo dat de oorlog bijna was afgelopen. Mijn broertjes en ik hebben toen binnen een dansje met elkaar gemaakt.’

   

Erfgoeddrager: Amir

‘Anne Frank had een trein eerder’

Normaal gesproken spreekt Virry de Vries Robles voor een hele klas. Vanwege de coronacrisis beperken we ons tot drie leerlingen, in een ontsmette ruimte, direct bij de ingang. Ze is dolblij dat ze na maanden weer mag vertellen over haar leven in oorlogstijd, dat ze onder andere in kamp Westerbork doorbracht. Imran, Amy en Amir hebben heel veel vragen en vragen ook goed door.

Hoe oud was u toen de oorlog begon?
‘Ik ben in 1932 geboren en was bijna acht jaar toen de oorlog begon. Het eerste jaar merkte ik daar niet veel van, in het jaar daarna wel. Hitler had een ontzettende hekel aan Joodse mensen – ik weet niet waarom – en zette hen apart, voerde ze af en maakte ze dood. Dat begon onder andere met het verplicht melden bij de burgerlijke stand, waar je een J van Jood in je paspoort kreeg. Ook moesten we een Jodenster dragen. Of ik me daarvoor schaamde? Ik wist niet eens dat ik Joods was, ik vond het dus maar raar dat dat moest. En je viel ermee op, je werd als ‘anders’ gezien. Opeens werd ik uitgescholden voor vieze vuile rotJood. Ik begreep dat niet.’

Wat deed uw vader voor werk?
‘Mijn vader was huisarts met een praktijk aan huis aan de Willem de Zwijgerlaan. Via de Joodse Raad ging hij werken in de Hollandsche Schouwburg, de plek waar ze opgepakte Joden verzamelden om ze vervolgens naar doorgangskamp Westerbork te sturen. Op de eerste etage maakte hij een ziekenboeg. Aan de overkant van de schouwburg zat een crèche. De opgepakte Joodse kinderen werden daar tijdelijk geplaatst, tot hun vertrek. Maar velen zijn door het verzet daar weggehaald. Ze ‘verdwenen’ in de onderduik.
Zelf werden wij twee keer opgepakt in 1943. De eerste keer mochten we toch weer naar huis. Alle spulletjes van waarde bleken bij thuiskomst gestolen door de buren. De tweede keer dat we werden opgehaald van huis, keken de buren op straat gewoon toe. Niemand zei iets, dat was heel naar. We moesten naar de gevangenis op het Leidseplein, waar nu café De Balie is. Als je daar een keer een colaatje drinkt, moet je maar aan dit verhaal denken. Ik zat daar als kind van elf jaar tussen de gekken en was hartstikke bang. Een iemand zat de hele tijd achter z’n eigen duim aan. Na twee weken gingen we naar kamp Westerbork.’

Had u vrienden in het kamp?
‘Bijna niet. Elke week kwamen er nieuwe mensen en gingen er ook mensen weg. Dat is lastig vrienden maken. Ook heb je geen privacy in een kamp. We woonden in barakken en sliepen op stapelbedden met drie bedden boven elkaar. Ik had de bovenste en kon daar gelukkig rechtop zitten. Het was de enige plek voor mezelf. We hadden geen verwarming, weinig water, amper licht. ’s Nachts ging ik naar de wc met een knijpkat. Het was er niet leuk. Er was een centrale keuken waar je elke dag met een soort hondenbak in een rij kon staan voor een kwak eten. Met kampgeld kon je brood en beleg kopen, dat je in een hoekje aan een tafel in de barak kon bereiden.
Elke week gingen er dus mensen weg, naar een volgend kamp. Mensen werden dan in een veewagen gestopt, zonder wc en drie dagen lang konden ze alleen maar staan. Mijn vader ging ook weg, maar ging terug naar Amsterdam waar hij nodig was als arts. Dat was begin 1944. Mijn moeder was toen al zwanger en in juli 1944 kreeg ik een broertje, Eric. Op 13 september 1944 waren wij aan de beurt om per trein te vertrekken richting Bergen-Belsen. Anne Frank had een trein eerder. Ik heb haar kort gekend toen we batterijen uit elkaar haalden, een heel vies giftig werkje dat je in Westerbork moest doen. SS-kampcommandant Gemmeker wilde liever een compleet gezin afvoeren en zo mochten wij een half uur voor vertrek uit de trein om op mijn vader, die nog in Amsterdam zat, te wachten. Vier dagen later brak de spoorwegstaking uit en daarna is er nooit meer een trein vertrokken. En daarom kan ik jullie dit nu vertellen. Achterlijk, hè. Dat verzin je niet, hè!’

Hoe was de Bevrijding voor u?
‘Op 11 april 1945 waren opeens alle Duitse kampbewakers verdwenen. ’s Nachts hebben ze nog alle dieren in stukken gehakt en in de vuilnisbak gegooid. Woest was ik daarover, klootzakken vond ik het. Toen ze weg waren wisten we niet wat er nu met ons zou gebeuren. Na een dag wachten, zagen we plotseling in de verte een stofwolk. We renden ernaartoe. Het waren tanks met Canadese soldaten! We werden erop gehesen, reden met ze mee, zo het kamp binnen. Twee weken bleven ze bij ons. Eén soldaat kwam bij ons koffie drinken en door mijn moeder zelfgemaakte appeltaart eten. Zo sprak ik al snel mijn eerste woordjes Engels ook. Ik kreeg ook een Canadees vriendje. Ik was een leuk meisje, hoor. Half juni 1945 gingen we naar Amsterdam en zagen we mijn vader weer. De gemiste schooljaren werden niet opgevangen. Ik moest meteen naar het gymnasium. Dat was niet makkelijk, kan ik je vertellen.’

Amir vindt het een heftig verhaal. Om het gesprek ietwat vrolijk af te sluiten, vraagt hij of mevrouw De Vries Robles nog een mop weet. Dat weet ze niet, maar wel heeft ze nog een verboden, grappig liedje uit de oorlog dat ze voor de kinderen zingt.

Op de hoek van de straat staat een NSB’er,
‘t Is geen mens, ‘t is geen dier, ‘t is een farizeeer.
Met de krant in de hand, staat hij daar te venten.
En verkoopt zijn Vaderland, voor slechts enk’le centen.

Op de hoek van de straat, staat een orgeldraaier.
‘t Is geen mens, ‘t is geen dier, ‘t is een landverraaier.
Schiet hem dood, net als Koot. Doe hem in een kissie.
Doe er dan wat water bij, dan zwemt ie als een vissie.

         

Erfgoeddrager: Amir

‘Net toen ik mijn moeders hand vastpakte, rukten ze me bij haar weg’

Dongeschoolleerlingen Amir, Max en Ivan gingen op bezoek bij Salo Muller. Hij was pas vier jaar toen de oorlog begon, maar kan zich deze verschrikkelijke tijd nog goed herinneren. Zijn ouders zijn allebei in Auschwitz vermoord. Salo werd ook opgepakt, maar werd in de onderduik ondergebracht, onder een andere naam.

Weet u nog hoe de oorlog begon?
‘Ik was vier toen de oorlog begon. Dan weet je nog niet wat dat betekent. Wel vond ik het raar toen we de ramen moesten verduisteren. En dat ik een ster op mijn kleren kreeg. Dat vond ik heel spannend ook. In 1942, toen ik zes was, begon de oorlog eigenlijk echt voor mij. Toen besefte ik: er gaan gekke dingen gebeuren. Mijn moeder bracht mij op een ochtend naar school en zei: “Tot vanavond en lief zijn hoor”. Daarna ging ze naar haar werk, waar mijn vader ook werkte. Maar daar stond een Duitse overvalwagen voor de deur. Al het Joodse personeel werd erin geduwd en naar de Hollandse Schouwburg gebracht waar alle Joden werden verzameld. De buurman haalde mij die dag van school en bracht me naar mijn tante in de Dintelstraat. ’s Avonds was daar een razzia. Mijn tante zei dat ik in de hoek moest gaan staan en pas weer tevoorschijn mocht komen als de mensen weg waren. Als eigenwijs jongetje ging ik toch kijken. Toen werd ik meegenomen naar de schouwburg, waar ik mijn ouders op het toneel zag staan. Ik rende naar ze toe, had net de hand van mijn moeder vast, toen een verpleegster en twee Duitse soldaten mij wegrukten. Ze brachten me naar de crèche aan de overkant. Vier dagen zat ik daar in een bedje, ik plaste en poepte er ook. Ik schreeuwde om mijn vader en moeder, want ik dacht dat ze aan de overkant waren. Later hoorde ik dat mensen op het podium diezelfde avond met de trein naar Westerbork werden vervoerd. Daar hebben ze negen weken gezeten waarna ze naar Auschwitz zijn gebracht en in 1943 zijn vermoord. Ik heb ze dus nooit meer gezien.’

Wat is er met u gebeurd?
‘Na vier dagen in de crèche kwam mijn oom mij halen en moest ik onderduiken. Vanaf toen heette ik geen Salo meer, want dat is een Joodse naam, maar Japje. Ik ben bij acht verschillende onderduikadressen geweest; daar bracht Piet Bakker, het pseudoniem van verzetsstrijder Piet Bosboom, me steeds naartoe. Ik was op die adressen hele dagen alleen, mocht niet naar buiten, niet naar school en ik miste mijn vader en moeder. Als ik lastig was, kreeg ik slaag. Alleen de laatste jaren in Friesland was het wat beter. Maar niet heel fijn. Op één adres sliep ik in een bedstee – zo’n bed in de muur met deuren ervoor – op een matras van hooi en onder een dekbed van stro. Daar kreeg ik astma van. Als ik naar de wc moest, klopte ik op de deuren maar niemand deed open, dus plaste ik in bed. Ook moest ik me verstoppen als er Duitsers langskwamen. Op een ander adres waren veel Duitsers in de buurt. Daar werd ik ’s avonds in een kruipruimte onder de grond gezet. Ze haalden een vloerkleed weg, deden de planken omhoog, lieten me erin zakken – als ik pech had, viel ik op mijn gezicht – en dan timmerden ze het weer dicht. Boven hoorde ik lawaai, terwijl ik tussen de ratten en muizen de hele nacht onder de grond lag. Bij het laatste adres moest ik me in het kippenhok verstoppen. Moet je je voorstellen, tussen tachtig kippen! Dan moet je heel stil zitten anders gaan ze fladderen en dat maakt heel veel lawaai.’

Hoe is het voor u afgelopen en denkt u nog vaak aan de oorlog?
‘Mijn tante kwam mij na de oorlog halen. Dat mijn vader en moeder allang dood waren, wist ik nog niet. Mijn tante zei ‘Salo’ en ik dacht: ik heet toch Japje? Dus ik was helemaal de kluts kwijt. Ze wilde mij meenemen naar Amsterdam, maar ik wilde dat eerst niet, omdat de mensen op mijn laatste onderduikadres als mijn opa en oma voelden.
Ik was bijna tien jaar en ging voor het eerst naar school. Ik zat op de Dongeschool, waar jullie nu ook op zitten. Daar kwam ik direct in de derde klas terecht, want ik kon goed leren. Ik heb de eerste twee klassen dus nooit gedaan. Ik ging elke dag tot vier uur naar school en had dan nog van vijf tot zeven uur bijles.
Ik denk nog vaak aan de oorlog, ook omdat ik geregeld les erover op scholen geef. Maar ook daarnaast gebeuren er altijd wel dingen, waarbij ik denk: dat had ik wel aan mijn vader of moeder willen vertellen.’

Erfgoeddrager: Amir

‘Vergeet ons niet, schreef Inge – en ik ben ze nooit vergeten’

We hebben met Edith Postma afgesproken op Nieuw Vredenburgh, want dat is precies halverwege de Corantijnschool en haar adres tijdens de oorlog op de Orteliuskade. Yassine, Narkes, Amir en Badenur stellen haar eerst wat vragen en dan lopen we langs het park dat daar toen nog niet was. Gelukkig schijnt het zonnetje en is er geen regen zoals eerder op de dag.

Hoe zag het leven eruit tijdens de oorlog?
‘Ik denk steeds vaker aan vroeger en ook aan de oorlog. Waar nu het park is, waren toen tuinderijen, maar de straat ziet er nog hetzelfde uit. Zelfs de huisnummers zijn nog hetzelfde. Ik zat eerst op de Hoofdwegschool, dat nu de Corantijnschool is, jullie school. Mijn onderwijzer woonde aan de Van Middellandtstraat; ik hing graag onderweg aan zijn arm. Eigenlijk vond ik buitenspelen veel leuker dan school. Of ruzie maken met de jongens van de Augustinusschool. In de oorlog ben ik naar de HBS gegaan en daar zaten Duitsers in het gebouw. Het luchtalarm vond ik eng; dan lag je in bed te trillen en te wachten op het veilig signaal. Maar toch waren er ook wel gezellige tijden, vooral als je ouders je vertelden wat je allemaal weer zou kunnen doen als de oorlog voorbij was.’

Had u vriendjes of vriendinnetjes tijdens de oorlog?
‘Ik had een vriendinnetje in de Orteliusstraat. Zij is een paar weken geleden overleden. Toevallig had ik nu net met mijn auto precies een plekje voor haar deur. Haar vader zat bij de NSB en had ook zo’n poster voor het raam hangen. Ik had nog een ander vriendinnetje, Inge. Zij woonde in het volgende blok aan de Orteliuskade en we liepen vaak met zijn drieën naar school. Inge wilde nooit bij dat andere vriendinnetje naar binnen, want Inge was Joods. Zij had opeens een ster op en moest naar een Joodse school. Ze kwam wel nog vaak bij mij spelen. In de oorlog heeft ze nog in mijn poesiealbum geschreven, ook namens haar broertje en zusje, een schattige tweeling. Zoals je in het poesiealbum ziet, konden ze vroeger heel mooi schrijven.’

Kocht u wel eens iets tijdens de oorlog?
‘Al had je veel geld, je kon niks kopen want er was niks. We hebben wel honger gehad en dat werd steeds erger. Mijn moeder zat elke avond bonnetjes te knippen. We gingen vaak met honger naar bed en aan het eind van de oorlog gingen mensen zelfs dood van de honger. Alle fietsen waren afgepakt, of je had alleen nog een fiets met houten banden. Ik had geen winterjas en toen heeft mijn moeder een jas genaaid uit haar oude zwarte jas. Kinderen droegen toen geen zwart, dus ze had een rode voering erin gemaakt. Het leek per ongeluk op een NSB-uniform. Inge zei: “Zo wil ik niet meer naast je lopen”. Mijn moeder heeft alle rood er weer afgehaald en veranderd in blauw.’

Wat is er gebeurd met Inge?
‘Op een dag zei mijn moeder: ik denk dat Inge en haar familie zijn weggehaald. De ramen van hun huis waren dichtgetimmerd. Ik heb daarna nooit meer wat van haar gehoord. Ze zijn naar de kampen gegaan en vermoord. In mijn album schreef Inge: ‘vergeet ons niet’. En ik ben ze ook nooit vergeten. Kijk, in deze portiek woonde ik! Hier heb ik na de oorlog nog staan zoenen met mijn vriendje. Dag huis, ik zie je waarschijnlijk nooit meer. Hier verderop ligt een stolperstein voor Jacques Aa; ik kende zijn kinderen ook wel. Misschien komen er ook ooit nog eens van dit soort steentjes voor Inge en haar familie.’

        

 

Erfgoeddrager: Amir

‘Het ergste gebeurde pas na de oorlog’

Als Devon, Charlie en Amir van de Twiskeschool in Noord aanbellen bij het huis van Marian Schaap, horen ze hard geblaf. ‘Oh jeeh, een hond…’ Devon en Amir zijn een beetje bang voor honden, maar mevrouw Schaap doet enthousiast de deur open en stelt iedereen meteen gerust met haar lieve hond Jelle. ‘Hij doet geen vlieg kwaad hoor!’. Terwijl de kinderen hun vragen nog een keer doornemen, snijdt Marian de versgebakken chocoladecake aan. Zelf heeft zij de oorlog niet bewust meegemaakt, maar door haar Joodse pleegzus en haar ouders in het verzet is zij er altijd veel mee bezig geweest. Het ontroerende verhaal laat een diepe indruk achter.

Hadden uw ouders onderduikers in huis?
‘Mijn ouders hadden een Joods kindje in huis genomen. In 1943 is ze is als baby bij mijn vader en moeder terechtgekomen. Haar echte ouders zijn in een concentratiekamp, in Sobibor, vermoord. Mijn zus is geboren in Amsterdam. Daar woonden veel Joodse mensen. Haar ouders hadden een brief gekregen waarin stond dat ze moesten klaarstaan om gedeporteerd te worden. De Duitsers wisten alleen niet dat ze een baby van tien maanden in huis hadden. Op het laatste moment, toen er al een overvalwagen voor de deur stond, heeft de moeder van mijn zus haar snel bij de buren gebracht. Dat moet zo ontzettend moeilijk geweest zijn, daar kan ik nog om huilen. Ze heeft nog snel een briefje uit het raam gegooid, waarop ze had geschreven dat ze blij was dat ze het liefste wat ze had, niet bij zich had. Het briefje is uiteindelijk gevonden en dat is het laatste echte levensteken van de ouders van mijn zus geweest. Ze zijn vanuit Nederland direct naar Sobibor gestuurd, waar ze rechtstreeks de gaskamers in gingen.’

Had u veel honger in de oorlog?
‘Mijn ouders hebben veel honger geleden. Ik was nog te jong om mij dat te kunnen herinneren. Mijn moeder trok Noord-Holland in om linnengoed te ruilen voor eten bij de boeren. En dan maar hopen dat je onderweg niet werd tegengehouden door de Duitsers, want dan was je alles weer kwijt. Ze reed op een fiets met houten banden, want rubber was er niet meer. Ik denk dat je wel een blikken achterwerk krijgt als je daar zo’n lang stuk op moet fietsen. Verder ging alles op de bon. Omdat mijn zus niet officieel bij mijn ouders woonde, kwamen er voor haar geen voedselbonnen binnen. Dat was dus wel een probleem. Gelukkig zorgde het verzet in Zaandam ervoor dat er dan ineens weer bonnen in de brievenbus lagen.’

Wat is het meest tragische dat u in de oorlog heeft meegemaakt?
‘Dat gebeurde pas na de oorlog, toen ik zo rond mijn 12e ontdekte dat mijn zus niet mijn echte zus was. Ik zag een brief liggen waarin mijn zus een andere achternaam had. Toen ik aan mijn moeder vroeg hoe dat kon, kreeg ik het hele verhaal te horen. Daarna was ik heel bang dat ik mijn zus zou moeten missen, maar dat was gelukkig niet zo. Mijn ouders zijn in de oorlog heel bang geweest voor verraad want er waren Nederlanders die voor zeven gulden aan ‘kopgeld’ Joden verraadden. In onze straat woonde een NSB’er. Toen mijn zus bij mijn ouders in huis kwam, hadden ze gezegd dat het een nichtje uit Zeeland was. Mijn moeder was de enige in het gezin die blond haar had, mijn vader had zwart haar. Als je zomaar een zwartharig kindje van 10 maanden in huis hebt, roept dat natuurlijk vragen op. Je kan een baby ook niet onbeperkt binnenhouden. Na de oorlog vertelde de NSB’er mijn ouders dat hij nooit had geloofd dat het een nichtje was. Al die tijd had hij wel gedacht dat het een Joods kindje was, maar hij heeft mijn ouders nooit verraden. Als we wel waren verraden en als de Duitsers hadden geweten dat we een Joods kind in huis hadden, waren we allemaal naar een concentratiekamp gestuurd. Ook ik, zelfs baby’s werden vermoord. We hebben dus hartstikke veel geluk gehad.’

Erfgoeddrager: Amir

‘Mijn vader gaf de fotozaak terug aan de weduwe. De winkel bestaat nog steeds.’

Tonnie van Dijk is net 8 jaar als de oorlog uitbreekt. Haar vader is bedrijfsleider bij Hafo in de Wagenstraat, een bekende Haagse fotozaak van de joodse Jacob Hijmans. Als de Duitsers in oktober 1940 alle joodse ondernemingen een zaakwaarnemer toewijzen, zet Jacob Hijmans het bedrijf snel op naam van de vader van Tonnie.

Hoe herinnert u zich de bezetting?
In het begin leek er niet zoveel te veranderen, in de eerste maanden ging het allemaal zeer gemoedelijk. Die Duitsers vonden het volgens mij ook wel een luilekkerland hier. Die hadden vaak al elders gevochten en kwamen ineens in een land waar het relatief rustig was. Ik weet nog dat ik Duitse soldaten zag zitten en die namen minstens twee taartjes tegelijk. Als kind vond ik dat toch zo vreemd. Dit beeld van de beginjaren is me altijd bijgebleven. Helaas veranderde dat langzaam, de sfeer werd grimmiger. Mensen om je heen bleken ineens voor de Duitsers te zijn. Zo was ik tijdens de oorlog een keer met mijn ouders en andere familieleden in ‘t Goude Hooft en daar kwamen een paar Duitse soldaten binnen die heel hard ‘Heil Hitler!’ riepen. Ik schrok enorm en kon mijn ogen niet geloven, want tussen hen in stond met gestrekte arm de stagiair die bij mij op school stage liep!
En een meisje bij mij uit de klas bleek lid van de Jeugdstorm. Ze droeg dat lichtblauwe uniform ook gewoon naar school, met een oranje sjaaltje erbij. De kleur van het koningshuis notabene.

Kende u mensen die bij het verzet zaten?
Als kind wist ik daar weinig van, omdat volwassenen je daar zoveel mogelijk buiten probeerden te houden. Mijn vader zat niet echt in het verzet, maar verzette zich wel. Zo zocht hij onderduikadressen voor meerdere leden van de familie van zijn joodse baas, Jacob Hijmans. De zoon van zijn baas, Henri, was naar Zwitserland gevlucht en schreef brieven naar zijn verloofde die in Nederland zat ondergedoken. Ik was stiekem een beetje verliefd op hem en keek enorm op naar zijn verloofde Bertine. Hij stuurde die brieven onder valse naam naar mijn vader, die ze vervolgens naar de leraar bracht waar Bertine zat ondergedoken. Die leraar kwam dan weer geregeld bij ons langs om brieven van Bertine af te leveren voor Henri. Mijn vader en die leraar onderhielden dus de relatie tussen die twee. Na de oorlog bleken de baas van mijn vader en Henri omgekomen te zijn. Mijn vader gaf de fotozaak terug aan de weduwe en zij nam mijn vader weer aan als bedrijfsleider. De winkel bestaat nog steeds.

Hoe kwam u aan eten tijdens de Hongerwinter?
We hadden familieleden in het oosten van het land, die ons pakketjes met eten stuurden. De eerste maanden kwamen die ook gewoon aan. Een oom en tante met een boerderij stuurden ons stukjes spek. Andere familie had een bakkerszaak en zond ons witte puntbroodjes met een glimmende bovenkant. Een welkome verandering van dat smerige regeringsbrood dat je op de bon kreeg. Later werd het steeds moeilijker om aan eten te komen en at je alles wat je maar kon krijgen. Zo woonden wij aan het water. Er was tijdens de oorlog geen licht op straat er er mocht ook geen licht vanuit de huizen schijnen dus het was pikkedonker. Op een avond tijdens de hongerwinter werd er keihard op de deur gebonsd: ‘Aufmachen!’ Mijn ouders schrokken zich natuurlijk dood. Het bleek een kletsnatte Duitse officier te zijn die in het donker met zijn fiets het water was ingereden. Mijn vader leende hem een ander pak en de man ging weer op weg. Een paar dagen later kwam hij het pak keurig terugbrengen met als dank een zak aardappelen. Die hebben we toen maar gewoon opgegeten.

 

Social Media


Meer zien van onze programma's en op de hoogte blijven van het laatste nieuws?
Volg ons op social media:

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

Christine: +31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892