Erfgoeddrager: 12 jaar)

‘Kijken door het hek, dat was vrijheid’

Wij interviewden mevrouw Nora Valk. Zij was even oud als wij nu zijn toen de oorlog in Indië begon. Haar familie woonde al drie generaties in Indië.

U werd naar verschillende kampen gestuurd, hoe ging dat?
“Eerst moesten we naar het huizenkamp, een wijk van Surabaya waar een hek omheen werd gebouwd. Met veertig mensen, allemaal gezinnen, woonde je in een huis, heel vol. Wij meisjes onder elkaar hadden nog wel wat lol. We fietsten naar het gedek, een dikke muur van geperst bamboe, bekleed met prikkeldraad. We konden daar dingen roepen naar mensen buiten het kamp, dat was spannend! Er was een meisje met een vriendje buiten het kamp, daarom gooiden we briefjes over het hek. Daarna kwamen we in kamp Ambarawa terecht op midden-Java, een oud klooster in een missionaris school. Dat kamp was ook weer omringd door gedek, Door het gedek kijken, dat betekende voor mij vrijheid. We sliepen op lange tafels naast elkaar, daaronder kon je de weinige spulletjes die je had neerleggen. Je had wel je eigen matrasje en een klamboe. Zo heb ik 2,5 jaar geslapen. Als je een Japanner tegenkwam, stond je te bibberen en je boog en hoopte maar dat hij je door zou laten gaan. Als iemand iets fout had gedaan moest het hele kamp op appèl komen. 800 vrouwen en kinderen. Je moest dan de hele dag in de felle zon staan. Je mocht niet vallen.”

Hoe kwam u aan eten?
“We moesten in de rij staan voor eten. We kregen per dag een lepeltje rijst met een klein lepeltje groente en een lepeltje vlees, of iets wat daarvoor doorging. Later was er alleen nog maar stijfselpap: een zakje meel, waarschijnlijk tapiocameel, dat je moest aanmaken met koud water. Dat deed je eerst. Dan moest je weer in de rij staan voor gekookt water. Dat gooide je op de pap en dan werd het stijf. Het laatste jaar kregen we alleen nog deze pap te eten. Mijn moeder werd ziek. Er was geen water, geen spullen om te desinfecteren en geen medicijnen, de Jappen wilden ons geen medicijnen geven. Binnen een week was ze dood. Op 26 april 1945, drie maanden voor de bevrijding. Een vrouw in het kamp was bezig met een portret van mijn moeder, maar ze overleed. Het schilderij is niet afgekomen.”

Hoe wist u dat u bevrijd was?
“Ineens kregen we mais te eten. We werden bijeen geroepen. Een Jap ging op zijn bankje staan en zei dat het voorbij was. Doodse stilte. Daarna begon iedereen te juichen. En dat was het. Het belangrijkste was dat de poort openging: we konden eruit! Mensen kwamen naar ons toe met eten dat we konden ruilen tegen kleding. Buiten het kamp was er voldoende eten, maar een tekort aan textiel. Ik had alleen nog een shortje dat al een paar keer gerepareerd was, maar dat ik wel kon ruilen voor een gebraden kip. Toch moesten we in het kamp blijven, buiten was het niet veilig voor blanken. We werden uiteindelijk geëvacueerd naar Singapore. Ik kon alleen een klein tasje meenemen met daarin het schilderij van mijn moeder. In Singapore heeft mijn vader mij gevonden. Hij was geïnterneerd geweest in Japan. Hij liep op straat en zag een meisje lopen. Hij riep: ‘Nora?’ En ik was het!”

Erfgoeddrager: 12 jaar)

‘Vechtvliegeren vanuit het kamp’

Marjan Bruinvels is Nederlandse van Joodse afkomst, ze is geboren op Java. In onze buurt zijn er veel straten en eilanden genoemd naar Indonesische plaatsen. Java eiland was niet bewoond in de oorlog, dus interviewden wij iemand over het echte eiland Java.

Bent u naar een Jappenkamp gegaan?
“Ja, ik moest met mijn zusje, moeder, oma en tante vanuit Batavia naar een kamp, Tjideng. Dat was een wijk met gewone huizen en villa’s waar we met vijftig mensen in een huis zaten dat eigenlijk voor vier mensen bestemd was. We sliepen overal op en onder, overal lagen mensen.”

Wat deed u met vrienden en vriendinnen in het Jappenkamp?
“Ik zat altijd in een boom, want het was zo vol in het kamp. Ik moest voor mijn vriendjes hars verzamelen, daar smeerden ze dan hun vliegertouw mee in. Ze deden er fijngestampt glas doorheen, dan had je ‘vechtvliegertouw’ en kon je met kinderen buiten het kamp vechtvliegeren. Je keek waar iemand aan het vliegeren was en dan kruiste je het touw van die vlieger. Door het glas sneed je het touw door. Ik heb goede herinneringen aan een vriendje dat Herman heette, ik heb hem na de oorlog nooit meer teruggezien.”

Waarom moest u naar een ander kamp?
“Op een gegeven moment moest iedereen die Joods was zich opgeven. We werden een trein, een veewagen ingetrapt tot de deuren bijna niet meer dicht konden, je stond helemaal tegen elkaar gedrukt. Mensen plasten over elkaars voeten, het stonk ontzettend. Kleine kinderen en baby’s begonnen te krijsen. Het was dertig graden, de zon scheen vol op de wagons. We reden de hele dag door. Er gingen ook mensen dood in die trein. Op het laatst waren we nog steeds vlakbij Tjideng. We waren alleen maar heen en weer gereden. Ze noemden het de treinen uit de hel.

Toen we in Tangerang aankwamen, een kamp waar alle Joden zaten, werden mijn zusje en ik ziek. Omdat de Japanners doodsbang waren voor ziektes sloten ze alle zieken op in een cel met een hele zware deur. Ik weet niet zoveel meer van dat kamp, omdat ik alleen maar ziek was. Ik had geelzucht en malaria, ik kreeg hele hoge koorts en ging schudden. Mijn oma is daar doodgegaan.

Weer moesten we naar een ander kamp, Adek. Dat was een oude fabriek. We kwamen op een Joodse zaal te liggen, vol met luizen, vlooien en kakkerlakken. Ik werd kaalgeschoren omdat ik zoveel luizen en zweren op mijn hoofd had. We hadden ook geen stof, dus liepen we alleen in een onderbroek. Ik weet nog dat een vrouw tegen mijn moeder zei: ‘Wat een leuke jongens heeft u.’ Ik was heel beledigd.”

Bent u in de oorlog naar school geweest?
“Het was verboden, maar er werd een schooltje opgericht door mevrouw Polak. Op de grond in de washokjes kregen we les. We schreven in het zand, we hadden geen papier. Ik was goed in rekenen. Op een rapportje kan je zien dat ik tien keer niet geweest was omdat ik te ziek was, of niet kon lopen van de honger. Ik verzuimde alleen als ik echt niet kon komen, ik wilde wel. Op het laatst dacht ik dat we het niet zouden redden. Dat was ook de bedoeling van de Jappen: we werden niet vergast, we werden niet doodgeschoten, maar we zouden sterven van de honger. We kregen de laatste maanden bijna geen eten meer en ook bijna geen water. Ik herinner me nog steeds mijn vreselijke honger.”

foto’s: Marieke Baljé

Erfgoeddrager: 12 jaar)

‘Slapen op een boot, verstopt tussen het riet’

Wij hebben met elkaar meneer John Tielrooy geïnterviewd over de Oostelijke Handelskade in de oorlog. Het was bijzonder omdat hij precies ondergedoken zat op de plek waar onze school staat.

Waar heeft u ondergedoken gezeten?
“Toen de oorlog begon zat ik op de HTS. Daarom kreeg ik vrijstelling van de Arbeitseinsatz. Toen ik klaar was met mijn studie ben ik ondergedoken. Ik begon in ons eigen huis, op de Oostelijke Handelskade nr. 6, naast Panama. Dat was een vrijstaand diensthuis, mijn vader werkte daar. Maar ik kon niet blijven en daarna heb ik op verschillende adressen ondergedoken gezeten. Het was altijd spannend als ik toch de straat opging. Dat kon eigenlijk niet meer, want jongens van twintig werden meteen opgepakt. Er waren altijd controles waarbij je je moest legitimeren met je stamkaart.”

Had u vrienden die ook ondergedoken waren?
“Ik zaten in de zomer van ‘43 samen met vier goede vrienden ondergedoken in Vinkeveen, op een zeilboot van een vriend van mijn ouders. We sliepen op die boot op de Vinkeveense Plassen. Er waren allemaal eilandjes met hoog riet waartussen je je goed kon verstoppen. Er werd daar turf gestoken, dat gebruikten we als brandstof en onze ouders brachten bij toerbeurt eten. We leefden die hele zomer een beetje als wilden. Daarna zat ik er in m’n eentje, je kon moeilijk aan een adres voor vier personen komen. Niet veel mensen waren bereid om onderduikers in huis te nemen, dat was natuurlijk ook heel riskant. Van ons vieren hebben er drie het overleefd.”

Wat deed u tijdens de onderduik?
“Ik las veel en heb Spaans geleerd. Ook studeerde ik economie uit pure verveling en Engelse handelscorrespondentie. Tijdens de onderduik miste ik het menselijk contact. Je hebt helemaal geen mensen om je heen, ik miste mijn sport. Ik was een enthousiaste honkballer voor de oorlog.”

Hoe zag de onderduikplek in Panama eruit?
“De Duitsers wilden het centrale machinegebouw, Panama, opblazen, omdat er dan in de hele haven geen stroom meer zou zijn. Maar om de een of anderen reden is dat nooit gebeurd, dus het gebouw stond leeg. Ik ben daar toen met een van die vrienden gaan wonen. We sliepen in een diepe kast. Het was een oud huis, die kasten waren van oorsprong bedsteden. In het gebouw ertegenover zaten de Duitsers, daar keken wij op uit. Zij hadden een wacht voor de deur. In de Hongerwinter was de haven een spergebied, er mocht niemand in. Maar wij zaten daar dus ondergedoken met een schildwacht voor de deur. Veiliger kon eigenlijk niet. We hebben wel in het donker gezeten, want je kon absoluut geen licht branden ’s avonds, anders konden die Duitsers het zien.”

foto’s: Marieke Baljé

Erfgoeddrager: 12 jaar)

‘Ik herkende mijn vader niet’

Wij hebben Frans Lavell geïnterviewd over het leven in de Indische buurt tijdens de oorlog. In het begin wist hij niet goed wat oorlog was. Pas toen in 1941 zijn vader werd opgepakt, begon hij het te begrijpen.

Waarom werd uw vader opgepakt?
“Mijn vader en zijn vrienden waren communisten en ‘Ome’ Gerrit Blom was een kameraad van hem. Toen die werd opgepakt bij de razzia’s op het Waterlooplein drukten mijn vader en zijn vrienden ’s nachts stencils met daarop een oproep tot staking. Dat werd de Februaristaking. Mijn vader ging de volgende dag weer staken. Er bleek toch iemand met een tram te willen rijden, die tram hebben ze toen omvergegooid. Een dag later reed er een vrachtwagen met Duitse soldaten onze straat in. Mijn vader zei: ‘Die komen voor mij.’ Hij probeerde weg te komen, maar de Duitsers waren al binnen en sloegen hem. Mijn moeder trok mij de slaapkamer in en ik verstopte mij onder het bed. Ik was heel bang. Opeens ging de deur open en zag ik soldatenlaarzen, toen een hoofd. De Duitser begon heel hard te lachen, trok mij onder het bed vandaan en liet mij lachend aan de andere Duitsers zien. Mijn vader was al weg.”

Heeft u uw vader nog gezien?
“Na een paar dagen gingen mijn moeder en ik hem opzoeken in het Lloyd Hotel, daar zat hij gevangen met alle februaristakers. We mochten hem alleen spreken vanachter een soort bordes bij de ingang. Hij is daar heel erg mishandeld. Ze wilden namen weten. Na weken mishandelingen schreef hij in een dagboekje dat hij wanhopig was. Hij bedacht toen dat hij de naam van ‘Ome’ Gerrit Blom wel kon geven, die was toch al opgepakt en naar Mauthausen gedeporteerd. Mijn vader werd uiteindelijk naar Duitsland weggevoerd. Wij hoorden niets meer van hem, ik dacht dat hij dood was. Het bijzondere is: omdat hij de naam van Gerrit Blom had genoemd, werd hij teruggehaald naar Nederland. Als een van de weinigen van die razzia heeft hij het overleefd. Had mijn vader hem niet genoemd, dan was hij dood geweest.”

Wat herinnert u zich van de Bevrijding?
“Op een gegeven moment waren er allemaal Canadezen in de stad in jeeps. Alle mensen gingen de straten op en vierden feest. Voor het eerst at ik kauwgom. Maar ik herinner me ook dat er bij mij in de straat een meisje haar huis uit werd gesleurd. Ze werd kaalgeschoren en met menie schilderden ze een hakenkruis op haar hoofd. Ze was een ‘Moffenhoer’. Heel naar om te zien.

Op een dag zei iemand dat mijn vader thuis was. Ik ging kijken en zag een vreemde man. Mijn moeder zei: “Dit is je vader”, maar ik herkende hem niet, hij was heel bleek en mager, hij was erg mishandeld. Mijn vader herkende mij ook niet: ik was 6 toen hij wegging en 11 toen hij terugkwam, dan ben je wel veranderd.”

Erfgoeddrager: 12 jaar)

‘Met een ossenstaart onder de kleren’

Wij interviewden meneer Bertus van Twiller over de Indische buurt.

Kwam u tijdens de oorlog ook buiten uw buurt?
“Ja, wij hadden een noodkacheltje en ik moest ervoor zorgen dat het brandde. Ik zocht houtjes van omgezaagde bomen en takken. Maar je kon ook in de Molukkenstraat omhooggaan bij de spoordijk. Daar zochten we dan naar kooltjes tussen de rails. Als een locomotief zijn afval had gestort, haalden wij daar de goede kooltjes uit.”

Wat betekende de Hongerwinter voor u?
“De een had meer mogelijkheden om aan eten te komen dan de ander. Mijn familieleden waren slachters op het Veemarktterrein. Ze namen soms stiekem ossenstaart mee naar huis. Die bonden ze dan om hun middel, onder hun kleren, alsof ze dik waren. Ik herinner me ook nog dat er aan het einde van de Zeeburgerdijk een uitkijkpost was van de Duitsers. Daar liep een paard. Twee broers van mijn vader zijn een keer na spertijd naar die uitkijkpost gegaan, ze hebben dat paard toen gepikt. Ze haalden de ijzers onder de hoeven vandaan zodat ze geen herrie maakten. Ze brachten het paard naar ons huis in de Gorontalostraat en zette het in de portiek. Mijn ooms haalden hun gereedschap en hebben het paard toen in ons keukentje geslacht. Het was maar een smal keukentje dus er is een heleboel op de grond afgewerkt. Daarna hebben ze het netjes opgeruimd.

Zijn de Duitsers er ooit achter gekomen?
Er was nog een andere broer, met een slagerij achter het badhuis op het Javaplein. Die broer was bij de NSB en heeft hen toen verlinkt bij de Duitsers die een afdeling hadden in het koloniaal museum. Maar mijn ooms waren professionele slachters, die hadden geen spoortje achtergelaten, dus er was geen bewijs te vinden dat er een paard was geslacht. Mijn ooms zijn toen naar die broer gegaan die hen verraden had: ‘Als jij nu niet gaat zeggen dat het een misverstand is, dat je ze verkeerd geïnformeerd hebt, dan slachten wij jou ook.’ Hun eigen broer! Maar het was de een of de ander… Het vlees van het paard werd weer doorverkocht of geruild voor appels, aardappelen en groenten.”

Wat herinnert u zich van de Bevrijding?
“Het laatste deel van de oorlog heb ik niet in Amsterdam meegemaakt. Aan het eind van de Hongerwinter werden veel kinderen naar Drenthe of Groningen gestuurd, omdat daar voldoende te eten was. Ik kwam in Musselkanaal terecht. Mijn broers in Stadskanaal. Ik weet nog dat op een dag alle mensen de straat op gingen. De Canadezen kwamen aangereden met hun oorlogstuig, tanks, vrachtwagens en jeeps. Het was heel feestelijk. We kregen chocola van de Canadezen. Maar ik kon pas een maand later terug naar huis, Amsterdam werd later bevrijd.”

Erfgoeddrager: 12 jaar)

‘ ſ 7,50 voor elke Jood die je aanbracht’

Mevrouw Wanda Reisel woont in onze buurt en heeft ons verteld over haar ouders die ondergedoken zaten in Oost. Ze is zelf na de oorlog geboren.

Waarom moesten uw ouders onderduiken?
“Mijn ouders waren allebei Joods. Jacques was bijna afgestudeerd als arts en Emmy werkte als verpleegster. Ze verloofden zich in 1942 omdat ze bij elkaar wilden zijn. Ze wilden niet naar een werkkamp. De vader van mijn moeder was in die tijd een bekende gynaecoloog in Utrecht. Hij wist van het bestaan van een namenlijst die het ministerie had opgesteld van Joden die belangrijk waren voor de samenleving, zoals artsen, musici en wiskundigen, de Barneveldse lijst. Mijn ouders mochten op deze lijst en verhuisden naar Barneveld, naar een soort kasteeltje. Voor het geval ze niet meer in Barneveld zouden kunnen blijven, had een vriendin die in het verzet zat, hun het adres gegeven van een kippenboer. Ze moesten het adres uit hun hoofd leren en het papiertje opeten.

Toen het kasteel inderdaad ontruimd werd, vluchtten mijn ouders naar dat adres. Ze werden opgehaald door iemand uit het verzet, een chauffeur van een begrafenisauto. Verstopt in een lijkwagen gingen ze naar Amsterdam. In september 1943 doken ze onder aan het Oosterpark, in het huis van arts Joop Picard. Daar was een extra muur waarachter twee kamers waren.”

Waren er nog andere onderduikers in het huis?
“Ja, Raf Gobits en Greetje Immich. De bewoners waren Joop Picard en zijn huishoudster Frida. Joop was huisarts die overdag spreekuur aan huis had. Dan moesten de onderduikers dus heel stil zijn. Ze zaten in een hokje onder de trap. Een van de onderduikers snurkte, dat kon hen verraden! Mijn vader floot en dan hield het gesnurk op. Via het verzet kregen mijn ouders extra voedselbonnen. Ze aten vooral veel bonen, die kon je lang bewaren en waren voedzaam. Omdat er veel artsen waren, onderzochten ze elkaar regelmatig. Als iemand te veel was afgevallen, kreeg die extra bonen. Als je was aangekomen, kreeg je een schepje minder. Ze moesten wel zuinig doen, want niemand wist hoe lang de oorlog nog zou duren.”

 Hebben uw ouders ooit te maken gehad met verraders
“Een keer per week kwam er een dienstmeisje schoon maken, die wist van de onderduikers. Zij was wel te vertrouwen, maar ze had een rare vriend die geld wilde verdienen door onderduikers te verraden, je kreeg f 7,50,- voor elke Jood die je aanbracht. Hij schreef een brief aan de Duitsers. Maar er werkten verzetsmensen bij de post die veel berichten aan de Duitsers onderschepten door enveloppen open te stomen. Zo is de brief nooit aangekomen. Mijn ouders hebben twee jaar binnen gezeten. Buiten was het veel te gevaarlijk. Ze mochten ook niet voor het raam staan. Na de bevrijding zijn ze nog één dag binnengebleven, om er zeker van te zijn dat ze bevrijd waren. De buren zeiden later tegen Joop: ‘We dachten al dat je onderduikers had, je had zoveel afval.”

Erfgoeddrager: 12 jaar)

‘De dikste boterham’

Wij interviewden meneer Piet Sijtsma over zijn herinneringen aan de oorlogstijd in de Czaar Peterbuurt en de Dapperbuurt. Omdat zijn vader op zee zat, was hij alleen met zijn moeder, twee broers en een zusje. Hij was het jongste kind.

Hoe merkte u dat het oorlog was?
“Er reden veel open jeeps door de straat, met Duitse militairen. Ik herinner me hun gekke helmen en de geweren tussen hun benen. Het was bedreigend, ik moest bij hen uit de buurt blijven. Er werd veel gestolen in de oorlog, als de bakkerskar langskwam met brood voor de Duitse soldaten in de kazerne in de Sarphatistraat dan werd die vaak overvallen door potige jongens. Ook mijn broers deden mee, die waren toen 16 jaar. Het was overleven.”

Zat uw familie in het verzet?
“Nee, mijn vader was zeeman en was niet thuis tijdens de oorlog. Hij werkte op de Javakade. Daar lag het schip Maupia, van de Stoomvaartmaatschappij Nederland. Zeemannen maakten meestal reizen van een half jaar. In 1939, ik was net geboren, ging mijn vader weer op reis, toen brak de oorlog uit en kon zijn schip en de bemanning niet terug naar huis. Ze gingen naar Amerika. Vanuit daar vervoerden ze Amerikaanse troepen die naar Europa gingen om te helpen bij de bevrijding. Daar heeft mijn vader bewust aan meegeholpen. Het was levensgevaarlijk op zee want overal konden Duitse onderzeeërs varen. Alle zeemannen hebben later een onderscheiding gekregen van het Prins Bernhardfonds.”

Wat deed u zoal in de oorlog?
“Als kind wilde ik al geld verdienen. Ik ging vaak naar de melkfabriek in de buurt van het huis van mijn oma. Daar maakten ze melkpoeder. Ik heb me gemeld en ging zakjes melkpoeder dichtplakken. Zo verdiende ik wat. Later ben ik ondernemer geworden.”

Hadden jullie moeite om aan eten te komen?
“Ik kom uit een arbeidersgezin, we waren arm, er was weinig of geen voedsel. Mijn moeder en broers trokken de provincie in, naar Noord-Holland en Overijssel, op zoek naar eten. Daar ruilden ze alles wat we hadden voor voedsel, mijn moeder heeft zelfs haar trouwring afgegeven. Dan kwamen ze terug met een handkar vol aardappelen en kolen. Eindeloze wandelingen waren het, twee of drie dagen heen en dan weer terug. Ik had echt een slimme moeder, ze kwam altijd wel aan voedsel. Ik was zelf de kleinste en als er voor iedereen een boterham werd gesmeerd, dan gluurde ik: wat is de dikste boterham? Dat kon ik goed zien, want ik kwam net boven het aanrecht uit. Ik zag: de dikste boterham was voor mij!”

Wat herinnert u zich van de Bevrijding?
“Een van mijn broers werkte aan het eind van de oorlog bij een boer op Texel. Ik weet nog, op 31 augustus 1945, op de verjaardag van mijn broer was het feest in Amsterdam, het was Koninginnedag en er was Kermis op de Polderweg. Toen kreeg mijn moeder een telegram: mijn broer zou thuiskomen. Het was dus dubbel feest!”

Social Media


Meer zien van onze programma's en op de hoogte blijven van het laatste nieuws?
Volg ons op social media:

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

+31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892